Home arrow Recente artikelen arrow Over WTC arrow Nieuwe rollen voor het WTC publiek
Nieuwe rollen voor het WTC publiek Afdrukken E-mail

Het publiek in de wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) ontwikkelt zich van louter ontvanger van informatie tot (tevens) deelnemer in het communicatieproces tussen wetenschap en samenleving. En als deelnemer is men steeds minder vertegenwoordiger van een idee of belang, maar meer en meer een individu wiens persoonlijke ervaring en inzichten een rol mogen spelen bij het creëren van nieuwe ideeën.

Nieuwe rollen voor het wtc-publiek, een essay

 

Tot in de negentiger jaren was men ervan overtuigd dat wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) bedoeld was om het gróte publiek te informeren over wel en wee van wetenschap en technologie. Het democratische motief was het dominante argument en het deficiëntiemodel het theoretische kader. Door enkele grote surveys zoals die van de Eurobarometer, taande  het enthousiasme voor deze brede doelstelling echter en kwam vanuit de journalistiek de doelgroep in beeld. Wtc zou zich vooral moeten richten op min of meer homogene groepen zoals vwo-jongeren, natuurliefhebbers of hartpatiënten. Dan zou je de wtc-boodschap doelgerichter en efficiënter kunnen communiceren. Na de zgn. paradigmashift verdween ook deze opvatting naar de achtergrond en kwam met het constructivisme en de interactiviteit het zgn. deelpubliek in de schijnwerpers. Einsiedel en anderen stelden vast dat bijna elk (wetenschappelijk) dilemma uiteindelijk een eigen publiek creëert van een vaak wisselende samenstelling. De omvang van die deelpublieken kan sterk variëren.

Mogelijk interessanter dan de omvang van het wtc publiek, is de (nieuwe) rol ervan. Vanuit het perspectief van de groeiende verwevenheid van wetenschap en samenleving, is de rol van leken als stakeholder en ervaringsdeskundige van toenemend belang. Het publiek is daardoor niet langer op de eerste plaats ontvanger van informatie, maar deelnemer in een communicatieproces. En als deelnemer is het steeds minder vertegenwoordiger van een groep of idee, maar een individu met eigen opvattingen en ervaringen.

Het wtc-publiek uit de vorige eeuw was groot, erg groot. Vanuit het Verlichtingsideaal dat iedereen moest kunnen meedenken, meepraten en meebeslissen, meenden de toenmalige beleidsmakers dat men dè samenleving moest informeren (O&W, 1974) . Populariseren van wetenschap en technologie was bedoeld voor het grote publiek en die kon je het best bereiken via de massamedia zoals TV en dagbladen. In de traditie van de communicatiewetenschap werd in principe niemand uitgezonderd: massacommunicatie is immers openbare communicatie. En het was niet alleen de bedoeling iedere burger in staat te stellen democratisch mee te praten, zoveel mogelijk mensen moesten bovendien de kans krijgen levenslang te leren, zich voortdurend bij te scholen en zich daardoor geestelijk te verrijken. De Amerikanen hadden daartoe een programma dat de veelzeggende titel meekreeg: Education For The Millions. De naïviteit van dat ideaal zou men zich pas veel later realiseren. De wtc uit deze beginperiode was gebaseerd op het deficiëntiemodel: veel mensen missen volgens dit model relevante kennis over wetenschap en techniek/technologie en via goede voorlichting en journalistiek diende de wtc dat tekort aan te vullen.

Vanuit het huidige perspectief van de groeiende verwevenheid van wetenschap en samenleving, is de rol van ‘leken' als stakeholder en ervaringsdeskundige echter van toenemend belang geworden. Het publiek is niet langer op de eerste plaats ontvanger van informatie, maar deelnemer in een communicatieproces. Wtc als interface tussen wetenschap en samenleving is daarmee verbreed van een min of meer topdown activiteit (via massamedia) naar interactie tussen wetenschappers en publieken. Daarbij gaat het bovendien steeds minder om mensen die in een maatschappelijke discussie over bijvoorbeeld genomics een standpunt of groep vertegenwoordigen, maar om individuen die vanuit eigen overtuiging en ervaring bijdragen aan het formuleren van nieuwe ideeën. Het publiek is c.q. wordt dus meer en meer een dynamische actor, die in een interactief communicatieproces meebouwt aan nieuwe inzichten. Ervaringsdeskundigheid, bijvoorbeeld van patiënten en hun familie, speelt daarbij een steeds meer gewaardeerde rol. In dit essay beschrijven we hoe het beeld van ‘het publiek' voor wetenschaps- en techniekcommunicatie de afgelopen decennia is veranderd en houden we een pleidooi voor het serieus nemen van de eigen kennis van dat publiek, van haar individualiteit, haar contexten, haar dynamiek.

In het ‘Education for The Millions' ideaal waren de wetenschappers (en hun voorlichters) als bloeddonoren die hun rijkdom aan kennis en ervaring deelden met de minder geprivilegieerden in de samenleving. Dat waren als het ware de patiënten of consumenten, die deze waardevolle boodschappen kritiekloos en dankbaar moesten accepteren. Naast democratische waren daarbij ook culturele en economische motieven aan de orde: we leven in een wetenschappelijke en technologische maatschappij en om daarin te kunnen gedijen moeten mensen over voldoende kennis over wetenschap en technologie beschikken. Dacht men.

Het idee dat het bij wtc om een groot publiek gaat, vind je in diverse nota's en publicaties over wetenschapsvoorlichting c.q. wetenschaps- en techniekcommunicatie. In de fameuze O&W Nota Wetenschapsbeleid (1974) van minister voor Wetenschapsbeleid Trip, is sprake van vier soorten wetenschapsvoorlichting: binnen de wetenschappelijke wereld, naar het algemene publiek, aan het voortgezet onderwijs en naar het buitenland. De publieksvoorlichting diende zich volgens de minister te richten op het algemene, grote publiek en daartoe zou die zich moeten concentreren op het vertalen van wetenschap via de massamedia zoals kranten en TV.

Stappers et al. (1983) omschrijven in hun rapport Wetenschap als Gemeengoed de doelgroep van wetenschapsvoorlichting eveneens als ‘het grote publiek'. Die ruime formulering vloeit volgens hen voort uit ‘de communicatiewetenschappelijke context waarbinnen wij de wetenschapsvoorlichting wensen te situeren.' Dat impliceert volgens Stappers et al. dat wetenschapsvoorlichting aan deelgroepen buiten de optiek van de wtc zou moeten vallen. Dalderup (1993) spreekt al wel over doelgroepen, maar het is niet helder wie en wat hij daarbij voor ogen heeft; in een paragraaf over het wtc-publiek schrijft hij over ‘heel verschillende publieksgroepen' en over ‘het publiek als een partij op het voorlichtingstoneel'. Een en ander wekt de indruk dat ook hij het publiek nog als een grote groep beschouwt. Iets dergelijks geldt voor Van Ruler (1993) die in hetzelfde handboek schrijft over vier soorten publiek: passief, latent, bewust of actief. Zij lijkt eveneens uit te gaan van een groot, algemeen publiek, dat in het beste geval in vier (marketing-) categorieën kan worden onderverdeeld. In de OCW-Nota Boeiend, Betrouwbaar en Belangrijk uit 2000 staat het nog steeds: ‘In een voortdurend kennisintensiever wordende samenleving is het van steeds groter belang dat een breed publiek goed geïnformeerd is over, en belangstelling en enthousiasme heeft voor wetenschap en techniek.' De ambitie moet volgens deze nota zijn: een zo breed mogelijk publiek daadwerkelijk te interesseren voor wetenschap en techniek; een tweede ambitie is om vooral jongeren beter te bereiken. Naast het algemene publiek was er in deze nota dus ook sprake van een specifieke doelgroep.

 

In de communicatiewetenschap plaatsten onderzoekers zoals Rogers et al (1962 en 2003) en Tichenor et al (1970) al vroeg vraagtekens bij het idee dat je via (massa-) communicatie het grote publiek zou kunnen bereiken met informatie over wetenschap en cultuur. Of beter: zij menen op verschillende gronden dat dit niet goed mogelijk is. Rogers en Shoemaker laten in hun Diffusion of Innovations onder meer zien dat slechts een klein deel van het publiek bereikt wordt als het om wetenschappelijke innovaties gaat; zij betitelden die groep als de early adopters. In hun adoptiecurve is dat een kunstmatige categorie van 13,5 procent van de totale populatie. Daarin zouden de mensen zitten die daadwerkelijke interesse hebben voor relevante innovaties. Via hen - ook wel de informatiezoekers of opinieleiders genoemd - zouden die innovaties uiteindelijk ook de rest van de samenleving kunnen bereiken. Opmerkelijk in hun model is dat er voor elk type innovatie (bij voorbeeld een nieuw geneesmiddel of een nieuw plantenras of een nieuwe technologie) een andere groep early adopters zou zijn. Dat idee zien we later terug bij de deelpublieken.

Tichenor et al lanceerden in 1970 hun zgn. kenniskloofhypothese (knowledge gap hypothesis) waarin ze stelden dat informatie over moeilijke onderwerpen zoals wetenschap en technologie vooral terecht komt bij een klein deel van het publiek: de hoger opgeleiden. Ze schreven: als er informatie via de massamedia in een samenleving doordringt, zullen segmenten van de bevolking met een hogere sociaal-economische status die informatie in een sneller tempo verwerven dan de segmenten met een lagere status, zodat de kloof in kennis tussen beide segmenten groter wordt. Tichenor et al hadden vijf verklaringen voor dit verschijnsel die elk op zich duidelijk maken dat het zgn. grote publiek een fictie is, als het gaat om bij voorbeeld het populariseren van wetenschap en technologie. De kenniskloof zou worden vergroot door verschillen in communicatievaardigheid, verschillen in voorkennis, verschillen in relevante sociale contacten, verschillen in het zich blootstellen aan informatie en verschillen in gebruikte media. Er is veel kritiek geweest op deze theorie en er zijn nuances op aangebracht, maar de kern ervan is overeind gebleven. Beide groepen auteurs laten dus zien dat het idee dat je het grote publiek kunt informeren over wetenschap en technologie, waarschijnlijk een utopie is, hoewel de te bereiken groepen nog altijd omvangrijk kunnen zijn. Desondanks is vooral de politiek lang blijven geloven dat je via voorlichting, via populariseren van wetenschap en technolopgie de samenleving kunt informeren en daardoor een betere samenleving zou kunnen creëren. En veel beleidsmakers denken dat nog steeds (zie onder meer: OCW, 2000).

De nationale surveys naar scientific literacy (o.a. Miller, 1983 en 1991) en de Eurobarometers (o.a. Durant et al, 1989) maakten eind vorige eeuw een einde aan het optimisme over de mogelijkheden om het grote publiek zinvol te informeren over wetenschap en technologie. Of beter: ze gaven voldoende reden om de hoge verwachtingen over de effecten van wtc op zijn minst drastisch in te perken. Deze onderzoeksresultaten onderbouwden namelijk de opkomende kritiek op het deficiëntiemodel. Ze maakten duidelijk dat dit niet alleenzaligmakend is en mede als gevolg daarvan kwam een nieuw idee op: de interactieve wtc. Dat was de zgn. Paradigma Shift (Miller, 1992). Het grote publiek moest na die shift niet langer het hoofddoel zijn van de wtc-inspanningen, maar de wtc moest zich gaan richten op de dialoog met kleinere groepen (actieve) burgers, die moesten worden uitgenodigd mee te denken en mee te doen met wetenschappelijk onderzoek en met het daarmee samenhangende beleid (Willems, 1993). Voordat dit idee brede steun kreeg, was het denken over publiek in doelgroepen nog enige tijd populair. Dat was al langer gangbaar in de journalistiek en leek even een breder draagvlak te vinden.

 

Doelgroepen. In de journalistiek denkt men al heel lang in doelgroepen. Men kent er vanouds allerlei min of meer gespecialiseerde kranten, tijdschriften en programma's voor specifieke categorieën ontvangers: Medisch Contact voor artsen, De Ingenieur voor ingenieurs, Kijk, Quest en Natuurwetenschap & Techniek voor wetenschapsliefhebbers, Milieudefensie voor actievoerders, de VPRO en Trouw voor kritische lezers, het TV programma Buitenhof en Vrij Nederland voor intellectuelen of wie daarbij wil horen en voor weer andere groepen de Panorama, Yes, NRC-Next, Sesamstraat, de Metro. Dat zijn media c.q. programma's voor bepaalde, meestal goed afgebakende doelgroepen. Soms zijn die onhanteerbaar groot (jongeren), veel vaker zijn ze zo gedefinieerd dat je die wel kunt hanteren (huisartsen of waterbouwkundig ingenieurs). Er zijn alleen al in Nederland duizenden van dit soort beroepsgebonden c.q. groepsgerichte periodieken, programma's en internetsites.

Kenmerk van een goed gedefinieerde doelgroep is dat ze relatief homogeen is. De mensen in een dergelijk groep hebben een min of meer vergelijkbare opleiding en daardoor een enigszins vergelijkbare voorkennis; ze hebben een overeenkomstig taalgebruik en min of meer gelijke belangstelling. Marktonderzoekers kunnen van die lezers, kijkers en luisteraars een zgn. profiel maken en journalisten (en adverteerders) kunnen aan de hand daarvan hun boodschap maximaal afstemmen. Woordgebruik, abstractieniveau, illustraties, context en zelfs kleuren kun je in zo'n situatie optimaal aanpassen aan je publiek en dat zou het rendement kunnen verhogen. NRC-abonnees worden anders benaderd dan AD-lezers, artsen anders dan verpleegkundigen, Buitenhof kijkers anders dan het RTL-publiek. De opkomst van internet zou het doelgroepdenken kunnen versterken want min of meer vergelijkbare mensen komen vaak terecht op dezelfde sites en dat stelt bij voorbeeld internetjournalisten in de gelegenheid hun boodschap aan te passen aan de wensen en mogelijkheden van die groep. Wanneer je bijvoorbeeld Aids-patiënten wilt bereiken is een dergelijk site vaak de meest efficiënte manier om dat te doen (Oomkes, 2000; De Bruin & Ventevogel, 2007).

Het denken in doelgroepen blijft vaak uitgaan van topdown denken: nog steeds bepalen immers vooral experts (vaak wetenschappers) en hun voorlichters welke informatie in een artikel of op een site terecht komt. Daarmee construeren zij ook, expliciet of impliciet, een beeld van hun doelgroep. Deze benadering is dus nog altijd een vorm van aanbodgerichte wtc. Die staat nog ver af van een visie op het publiek, die aansluit bij een constructivistische visie op de wtc.

 

Kleine of deelpublieken. Als het algemene, grote publiek niet de belangrijkste doelgroep is of kan zijn, wie dan wel? Het lijkt aantrekkelijk om in analogie met het grote publiek te spreken over kleine publieken, maar dit kwantificeren is lastig omdat groot en klein te vage termen zijn. De term deel-publiek lijkt beter omdat het naast kleinere publieken ook ruimte biedt voor omvangrijker publieksgroepen. Bovendien sluit die term beter aan bij ideeën over de zgn. civil society (Regeer, 2001; Hajer, 2003). Deelpublieken waren/ zijn duidelijk zichtbaar bij de maatschappelijke debatten over Cfk's, over genomics, proefdiergebruik en over klimaatverandering. Dat zijn zonder uitzondering onderwerpen (geweest) die publieke aandacht trokken. Al dan niet via de journalistiek kwamen deze onderwerpen op de publieke agenda, waarna vaak kleine (actie-)groepen aandacht gingen vragen voor dat specifieke onderwerp. Wanneer je naar die acties en discussies kijkt, dan zie je dat in eerste instantie niet het algemene publiek betrokken is, maar dat het steeds kleine groepen zijn: deelpublieken. Dat zijn meestal lokale actiegroepen, buurtbewoners, plaatselijke politieke partijen. Soms ontmoet je bij dit soort acties steeds weer dezelfde mensen, maar vaker creëert een specifiek maatschappelijk probleem een eigen publiek. Bij discussies rond een geplande stortplaats of de uitbreiding van een chemische fabriek bijvoorbeeld zie je meestal buurtbewoners die actief worden (al dan niet gesteund door lokale actiegroepen en/of politieke partijen.) Einsiedel (2000): ‘There are many and heterogeneous publics that act in social contexts and shift their attention and levels of knowledge with the rise and fall of a variety of issues.' Rennen (2005) meent in dit verband dat er een natuurlijke grens is aan het opsplitsen van het publiek in doelgroepen: die mogen niet te klein worden. ‘Journalistiek bestaat bij de gratie van een publiek. Dat heeft als sociale eenheid een eigen dynamiek, die ver uitgaat boven de inbreng van individuen. Het functioneert als een forum voor gedachtewisseling en initiatieven, op grond van gedeelde belangstelling voor onderwerpen en gezamenlijke belangen. Een dergelijk publiek kan ontstaan op grond van bijvoorbeeld een geografisch kenmerk, maar het kan zich ook vormen rondom een thema. Een publiek doen ontstaan dan wel activeren, wordt steeds moeilijker ten gevolge van verdergaande individualisering. Het aantal kanalen c.q. de hoeveelheid informatie is vooral bij de elektronische media zo uitgebreid, dat zich nog nauwelijks een publiek constitueert. De aanbieders segmenteren, het publiek fragmenteert. Dat effect wordt versterkt door nieuwe media zoals Internet.'

 

Een deelpubliek onderscheidt zich dus van het grote publiek door de omvang ervan en het onderscheidt zich van de doelgroep door de wisselende samenstelling. Een voorbeeld van dat laatste: het publiek bij een zgn. publiek debat over genomics zal op het ene moment of op de ene plaats heel anders zijn samengesteld dan op een ander moment of op een andere plaats. Einsiedel (2000) benadrukt al geruime tijd het belang van aandacht voor de samenstelling van dergelijke publieken. Wanneer zij het deficiëntiemodel vergelijkt met het nieuwe interactiviteitmodel, dan signaleert ze twee totaal verschillende opvattingen over het publiek en stelt verbaasd vast dat daaraan nog altijd weinig aandacht wordt besteed: ‘The contrasting images of the public evoked by these two perspectives point to the need to elaborate on the understanding of publics in order to further discussion of science and the public.' Ook het idee van de wetenschapswinkels is op kleine publieken gebaseerd. Deze (para-) universitaire organisaties zijn en waren vooral bedoeld om lokale groepen, die niet over de financiële middelen beschikken om onderzoek te laten doen, te ondersteunen bij het vergaren van relevante wetenschappelijke informatie bij het oplossen van een doorgaans plaatselijk probleem, bij voorbeeld bij acties tegen de vestiging van een nieuwe fabriek in hun directe omgeving of de aanleg van een nieuwe weg door een natuurgebied in de buurt. Vooral chemici en biologen waren actief in deze wetenschapswinkels; de universiteiten van Utrecht en Groningen waren daarbij vaak toonaangevend.

 

Wetenschapsonderzoekers hebben de afgelopen decennia onderzoek gedaan naar de rol van (deel-)publieken in de productie van wetenschappelijke kennis en de ontwikkeling van technologie, en in wetenschappelijke controverses en maatschappelijke vraagstukken. Zo deed Bijker (1995) onderzoek naar de ontwikkeling van nieuwe apparaten en andere gebruiksvoorwerpen (o.a. fietsen) en ontdekte dat de industriële/ technologische keuze voor het ene of het andere ontwerp in sterke mate wordt bepaald door kleine, maar invloedrijke groepen uit de maatschappij. Wie dat zijn is op voorhand niet altijd te voorspellen, maar zijn relevante publieken blijken van vaak doorslaggevende betekenis voor de richting van een verdere ontwikkeling. Dat zie je ook bij de ontwikkeling van nieuwe elektronica zoals de GPS: bepaalde subgroepen zoals wandelaars of automobilisten annexeren soms een dergelijk innovatie en de industrie past de verdere ontwikkeling daarop aan. Kleine, relevante groepen sturen de ontwikkeling van een innovatie in een bepaalde richting en dat kan ook betekenen dat die daardoor wordt afgeremd of zelfs doodloopt. Een bekend geworden voorbeeld daarvan is het zgn. bionische oor. Dit slakkenhuis implantaat was bedoeld om het gehoor van slechthorenden te verbeteren, maar werd door deze groep verontwaardigd afgewezen omdat het de eigen aard en cultuur van de doven en slechthorenden zou ontkennen. De ontwikkeling van deze toch waardevolle lijkende behandeling is daarop vertraagd (Blume, 1997; Van der Wilt et al. 2000).

Dit type onderzoek, dat de verwevenheid van wetenschappelijke, technologische en maatschappelijke activiteiten en belangen blootlegt, heeft geleid tot pleidooien voor het betrekken van verschillende maatschappelijke groeperingen in een vroeg stadium van wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. Wanneer we wtc beschouwen als de interface tussen wetenschap en samenleving, zien we dat die daardoor is verbreed van het creëren van indirecte interfaces (zoals in massacommunicatie) naar directe (zoals in publieke debatten). Een nadere beschouwing van de directe interacties leidt onder meer naar de vraag in hoeverre die deelpublieken representatief zijn.

 

Representatief? Men zoekt bij ‘publieksparticipatie' vaak naar een representatieve dwarsdoorsnede van de samenleving in termen van inkomen, opleiding, sekse, leeftijd, woonplaats etc. en soms ook van meningen, zoals bij het voorbeeld bij de selectie van deelnemers aan het Europese Ulysses project (zie: kader). Dit lijkt zinvol omdat je daardoor onderzoekers en opdrachtgevers in staat stelt bij de interpretatie van de onderzoekresultaten, conclusies als min of meer algemeen geldend te legitimeren. Ondanks deze voordelen stuit het representatiemodel op bezwaren. Het is namelijk niet eenvoudig om representativiteit te realiseren. Dat laat bijvoorbeeld het Ulysses voorbeeld zien; het is nog maar de vraag of het selecteren op basis van de twee genoemde vragen leidt tot een representatieve selectie ten aanzien van milieu attitude.

 

 

Selectie criteria deelnemers Ulysses

 

In het Europese Ulysses project (Urban Lifestyles, Sustainability, and Integrated Environmental Assessment) werden focusgroepen georganiseerd in zeven grote Europese steden waaraan in totaal 600 mensen deelnamen. Bij het selecteren van deelnemers heeft men gestreefd naar ‘a broad sample of the perspectives of European citizens'

De criteria voor de deelnemers waren onder anderen een heterogeen spectrum met betrekking tot leeftijd, gender, beroep en opleiding, inkomen en houding ten opzichte van het milieu. Het laatste criterium is als volgt geoperationaliseerd:

 

"In order to avoid a "green" bias in our groups, two questions were asked when contacting potential group participants: "Please mention the three most important problems in our society today." At least one third of the participants should have mentioned the environment; at least one third should not have mentioned it. "Would you be in favour of more environmental regulations (taxes and laws)?" At least one third of participants should have agreed; at least one third should have disagreed."  (Kasemir et al. 2003)

 

Bij een andere vorm van representatie wordt geen representatief deel van de bevolking betrokken, maar wordt het publiek vertegenwoordigd door zgn. maatschappelijke organisaties. In een essay over ‘participatieve instrumenten in het omgaan met maatschappelijke vraagstukken over ontwikkelingen in voedingsgenomics' vertalen de auteurs publieksparticipatie als volgt: ‘Ook wordt bepleit dat in het kader van een maatschappelijke agenda van voedingsgenomics, thema's als voedselveiligheid, voedselzekerheid en gentechnologie inhoudelijk worden uitgewerkt en dat de implicaties daarvan worden onderzocht en bediscussieerd door wetenschappers, beleidsmakers, politici en relevante maatschappelijke organisaties.' (Hanssen et al, 2002). Representativiteit bij het selecteren van publieksdeelnemers lijkt dus niet eenvoudig. Waar men vroeger legitimiteit organiseerde via de representatieve democratie en de formele inspraakprocedures, lijkt men in de nieuwe politieke ruimten daaraan opnieuw vorm te moeten geven. Keulartz et al. (2004) beschrijven in een casus over het Nederlandse natuurbeleid wat dit betekent voor communicatie. In de eerste, wat zij noemen, functionalistische, aanpak worden interacties strategisch ingevuld. Het gaat daarbij veelal om een strijd tussen belangen. Terwijl in de tweede, structuralistische aanpak, interacties communicatief worden ingevuld, waarbij niet belangen voorop staan maar waarden. In het eerste geval nemen vaak maatschappelijke organisaties deel aan een discours, dat wordt gekenmerkt door gepolariseerde standpunten. Het betrekken van deze organisaties onder het mom van ‘dialoog met de samenleving' houdt echter op den duur geen stand. Met name bij controversiële onderwerpen, zoals biotechnologie en voeding, zijn de standpunten van maatschappelijke organisaties vaak niet representatief voor wat er in de samenleving leeft.

Wellicht is het streven naar ‘representativiteit' ook niet altijd wenselijk, maar gaat het juist bij complexe problemen om de diversiteit aan waarden, ideeën en meningen. In de serie Transitiepapers van VROM wordt representatie dan ook een mythe genoemd: ‘De dialoog is een belangrijke drager van de ontwikkeling van duurzaamheid in beleid (van overheid en bedrijf). Ook wordt partnerschap gezien als een adequate basis voor duurzame ontwikkeling. Daarbij worden partners vanuit de overheid vaak gezocht op basis van ‘representatie' en sterker nog, worden vrijwillige initiatieven afgemeten aan de democratische legitimatie van de initiatiefnemers. De gemeenteraad die vraagt naar de democratische legitimiteit van een wijkraad, is geen uitzondering. Het is vaak de basis voor het afmeten van de kwaliteit van de dialoog. Maar gaat het niet veel meer om de kwaliteit en dus de competenties van de deelnemers? (Joustra, 2004)

In sommige (wtc-) debatten worden deelnemers dus niet meer gezien als mensen die namens anderen of namens een belang spreken, maar als individuen die vanuit hun eigen kennis en ervaring het woord voeren of beter: zo zouden ze moeten worden gezien. Het debat moet er ook niet meer op gericht zijn de al geformuleerde standpunten van de verschillende partijen boven tafel te krijgen, maar om nog ongearticuleerde ideeën, waardenconflicten en onzekerheden gezamenlijk te expliciteren. Dat sluit aan bij de ideeën van Noelle Neumann (1984), die meent dat men deelnemers aan een debat nooit los kan zien van hun eigen omgeving.

 

Wat leren de voorbeelden van directe interacties tussen wetenschap en samenleving over ‘publieken voor wtc'? In de eerste plaats pleiten diverse auteurs voor een persoonlijke benadering van mensen, waarbij de unieke persoonlijke context ook serieus wordt genomen. In de tweede plaats zoekt men bij dialogen niet zozeer naar de gemene deler, maar naar verschillen tussen en specifieke gezichtspunten van individuen. In de derde plaats worden opvattingen, kennis en meningen van individuen als dynamisch beschouwd - ze hangen samen met de context van de interactie en de rol die men op dat moment inneemt. Publieken voor wtc zijn heterogene deelpublieken die zowel in samenstelling wisselen, als in rolopvatting en visie.

 

Het publiek als expert.  Een relatief nieuwe blik op het publiek voor wtc is de rol als expert. Collins en Evans (2002) komen in hun onderzoek naar kennis en expertise van niet-wetenschappers tot de conclusie, dat het signaleren van de ervaringsdeskundigheid bij lekenpublieken heeft geleid tot pleidooien voor de democratisering van wetenschap en technologie, terwijl ze volgens hen hadden moeten leiden tot een verkenning van het begrip expertise. Zij pleiten in het kader daarvan voor het bij elkaar brengen van debatdeelnemers op basis van hun relevante deskundigheid. Wie experts zijn hangt af van het onderwerp; in sommige gevallen betreft het een kleine groep specialistische wetenschappers, terwijl in andere gevallen veel meer mensen mee zouden moeten praten. Veel mensen beschikken immers uit eigen ervaring over niet-academische kennis, die ook binnen specialistische domeinen als wetenschap en technologie van groot belang kunnen zijn. Patiënten en hun familieleden bijvoorbeeld beschikken dikwijls over ervaringen en inzichten, die de medische onderzoekers nog niet op het spoor zijn. De eigen ervaring van een patient of familielid kan bijvoorbeeld neveneffecten van een behandeling aan licht brengen, die in de officiële trials nog niet zijn gebleken (de Bruin & Ventevogel, 2007). Shapin (1990): The lay publics for various topics have well-known experts. The acquisition of expertise may be fueled by a risk situation, defined by medical diagnosis or an external event (e.g. the discovery of a hazard in one's neighbourhood), or determined simply by interest (e.g. the astronomical discoveries made by amateur astronomers or the expertise of amateur bird-watchers.)'   Caron-Flinterman et al (2006) merken in dit verband op dat de ervaringskennis van patiënten ook kan bijdragen aan de kwaliteit van biomedisch onderzoek. Die kennis kan namelijk worden omgezet in concrete behoeften of ideeën, die een directe input kunnen vormen in besluitvormingsprocessen in bijvoorbeeld researchprogramma's. De behoeften en oordelen van patiënten kun je volgens hen beschouwen als resultaat van ervaren problemen (bij voorbeeld bepaalde symptomen of neveneffecten) of gewenste oplossingen (bij voorbeeld alternatieve therapieën).

 

Kortom, diverse studies hebben geleid tot het besef dat expertise op het gebied van bijvoorbeeld medische technologie niet voorbehouden is aan gediplomeerde wetenschappers. Ervaringdeskundigen (patiënten, omwonenden van kerncentrales, gebruikers van i-pods, etc.) zouden ook betrokken moeten worden bij discussies over de ontwikkeling van wetenschappelijk en technologisch onderzoek. Wat betekent die rolopvatting van het deelpubliek als expert voor de wtc? Regeer en Bunders (2007) beschrijven een dialoog tussen burgers en wetenschappers over het verwerken van radioactief afval. Verschillende rollen van het publiek komen daarbij aan het licht. Enerzijds wordt het publiek beschouwd als leken, die eerst geïnformeerd moeten worden door de specialisten voordat zij een uitspraak kunnen doen over de beste opties voor het verwerken van radioactief afval. Dit sluit aan bij het ‘deficit' model. Maar tegelijkertijd komt een beeld naar voren waarbij zij geen ongeschreven blad zijn maar inzichten en expertise inbrengen. Het blijkt dat het publiek aan specialisten soms een breder perspectief biedt. "Specialists reported that new points had been raised for them." (Burgess et al., 2004). In veel georganiseerde interacties tussen wetenschap en publieken, zoals publieke debatten en consensus conferenties, zien we vergelijkbare situaties (Regeer, 1998). Voor de wtc betekent de ‘burger als expert' dat er een nieuw type actor op het wtc-toneel verschijnt.

 

Het geïmpliceerde publiek. Het is verleidelijk om het beeld van het (deel-)publiek als wisselende, heterogene groep te reserveren voor de wtc die is gericht op directe interactie tussen wetenschap en samenleving zoals bij publieke debatten en om te accepteren dat de ‘indirecte' wtc (bijvoorbeeld de wetenschapsjournalistiek) slechts kan uitgaan van de massa of op zijn best van doelgroepen of deelpublieken zoals jongeren of ict-ingenieurs. Wij willen de wtc ertoe uitdagen om ook in het geval van indirecte communicatie niet uit te gaan van de massa, of van deelpublieken of doelgroepen, maar om ook bij indirecte wetenschaps- en techniekcommunicatie het publiek opnieuw te bekijken op haar rol in het communicatieproces. Analoog aan het begrip de ‘implicated actor' in technologieontwikkeling (Oudshoorn en Pinch, 2003) introduceren wij het begrip ‘het geïmpliceerde publiek'. Elk vorm van wtc definieert namelijk zijn ‘publiek' impliciet, zoals elk technologisch ontwerp dat ook doet. ‘Implicated actors' zijn ‘those not physically present but who are discursively constructed and targeted by others'. De vraag die Regeer (2004) eerder stelde in de context van tentoonstellingen, geldt ook voor andere vormen van wtc. Hoe construeert de wetenschapsvoorlichter of -journalist zijn (deel-)publiek? En wat betekent dit voor de rol van dat publiek in de wetenschaps- en techniekcommunicatie?

Aansluitend bij het eerder genoemde paradigma shift gaat het bij ‘publieken voor wtc' om het serieus nemen van de kennis van het publiek, van haar individualiteit, haar contexten, haar dynamiek. Ook in de niet-directe wtc zoals de wetenschapsjournalistiek zijn deze inzichten van invloed op o.m. vormgeving van de boodschap en de keuze van het communicatiemiddel. Een tentoonstelling waarin bezoekers worden uitgedaagd om zelf betekenissen te construeren impliceert een andere rol voor het publiek dan een tentoonstelling waarin wetenschappelijke kennis op vereenvoudigde wijze wordt ‘overgedragen'. En een website waarop verschillende vrouwen met borstkanker hun eigen ervaringen en gevoelens verwoorden impliceert een andere rol voor het publiek dan een website waarop wetenschappelijke informatie vanuit de gezondheidszorg wordt aangeboden (De Bruin en Ventevogel, 2007).

 

Conclusies.  De vraag naar ‘het publiek voor wtc' heeft ons geleid van ‘het algemene publiek', via ‘doelgroepen' naar het concept ‘deelpublieken' als best bruikbare term voor ontvangers in de wtc. Vanuit het perspectief van een groeiende verwevenheid van wetenschap en samenleving is echter de vraag naar de rol van het publiek in de wtc wellicht relevanter dan die naar de verschillende manieren waarop we ‘het publiek' kunnen segmenteren. In dit artikel hebben we laten zien dat ook het wtc-publiek wordt geconstrueerd in diverse types interface tussen wetenschap en samenleving. Uitgaande van het deficiëntiemodel is het publiek een min of meer onbeschreven blad dat geïnformeerd en/of onderwezen dient te worden. Dit beeld van het publiek zien we zowel in de zogenaamde ‘directe wtc' (debatten) als de ‘indirecte wtc' (massacommunicatie). Uitgaande van het interactieve model van wtc bestaat ‘het' publiek niet meer, maar kunnen we enkel spreken over deelpublieken van wisselende samenstelling en rolopvatting, afhankelijk van onderwerp en context. Bovendien gaat het om individuen met al dan niet gearticuleerde eigen kennis. Ook dit beeld van het publiek zien we zowel in de ‘direct wtc' (dialogen) als de ‘indirecte wtc'.

Geraadpleegde bronnen

                       

Blume, S. (1997).   The rhetoric and counter-rhetoric of a bionic technology.  Science, Technology and Human Values 22: 32-56.

De Bruin, J. & A. Ventevogel (2007). Patientencommunities op het Web, theorie en praktijk. Amsterdam: VU Uitgeverij.

Bijker, W. (1995). Of bicycles, bakelites and bulbs: toward a theory of socio-technical change. Cambridge: MIT press.

Burgess, J. et al. (2004). Citizens and specialists deliberate options for managing the uk's legacy intermediate and high level radio-active waste: a report of the Deliberative Mapping Trial. London: University College London.

Caron-Flinterman, F. & J. Broerse (2006). De rol van patiëntenkennis in besluitvorming over biomedisch onderzoek. In: Verbeelden van Kennis/ Jaarboek KennisSamenleving. Amsterdam: Aksant.

Collins, H. & R. Evans (2002).  The Third Wave of Science Studies: Studies of Expertise and Experience. Social Studies of Science 32(2): 235-296.

Dalderup, L. (1993).  Wie populariseert waarom?  In: Handboek Wetenschaps- & Technologievoorlichting Redactie: J. Willems en E. Woudstra. Groningen: Martinus Nijhoff.

Durant, J. et al (1989) The public Understanding of Science. Nature 340, 11-14.

Einsiedel, E. (2000). Understanding "publics" in the public understanding of science In: Between Understanding and Trust. Edited by M. Dierkes and C. Von Grote. Amsterdam: Harwood.

Hajer, M. (2003).  Policy without polity? Policy analysis and the institutional void. Policy Sciences 36: 175-195.

Hanssen, L. et al (2002).  Het participatieve gen. Participatieve instrumenten in het omgaan met maatschappelijke vraagstukken over ontwikkelingen in voedingsgenomics. Den Haag: nwo.

Joustra, D. (2004). Duurzame mythes. Transitiepapers. Utrecht: Competentiecentrum Transities.

Kasemir, B. et al. (2003). Citizen participation in sustainability assessments. Public Participation in Sustainability Science. Cambridge: Cambridge University Press.

Keulartz, J. et al. (2004). Concepts of Nature as Communicative Devices: The Case of Dutch Nature Policy. Environmental Values 13: 81-99.

Miller, J. (1983).  The American people and science policy: the role of public attitudes in the policy process. New York: Pergamon Press.

Miller, J (1991). The public understanding of science and technology in the United States. Washington: NSF

Miller, J. (1992). Toward a scientific understanding of the public understanding of science and technology. Public Understanding of Science 1 (January): 23-26.

Noelle-Neumann, E. (1984).  The spiral of silence. Chicago: Univ. of Chicago Press.

O&W (1974).  Nota wetenschapsbeleid. Den Haag: Ministerie O&W

OCW (2000).  Boeiend, betrouwbaar en belangrijk. Den Haag: Ministerie OCW.

Oomkes, F, (2000). Communicatieleer. Amsterdam: Boom.

Oudshoorn, N. en T. Pinch (red.) (2003). How Users Matter: The Co-Construction of Users and Technology. Cambridge: MIT Press.

Regeer, B. (1998). Het science center als speler in het spel der samenleving. Tijdschr, v Wetensch., Techn. en Samenleving 5: 153-161.

Regeer, B. (2001) . Van wet naar net. Natuur en Milieu 25(3): 20-22.

Regeer, B. (2004).  Wetenschapscommunicatie in de agora: veranderende relaties tussen wetenschap en samenleving, in Interactieve wetenschapscommunicatie, C. Hamelink, I. van Veen en J. Willems (editors). Bussum: Coutnho.

Regeer, B. & J. Bunders (2007). Kenniscocreatie: samenspel tussen wetenschap & praktijk. Complexe, maatschappelijke vraagstukken transdisciplinair benaderd. Den Haag: rmno.

Rennen, T. (2005). De toekomst van de schrijvende journalistiek. In: Journalistiek schrijven Redactie: H. Donkers en J. Willems. Bussum: Coutinho.

Rogers, E. (2003).  Diffusion of innovations, 5e druk. New York: Free Press.

Ruler, B. van (1993). Voorlichting in Nederland. In: Handboek Wetenschaps- & Technologievoorlichting Redactie: J. Willems en E. Woudstra.Groningen: Martinus Nijhoff.

Shapin, S. (1990).  Science and the public.  In: Companion to the history of modern science. Ed. R. Olby et al Londen: Routledge.

Stappers, J. et al (1983).  Wetenschap als gemeengoed. Den Haag: Staatsuitgeverij.

Tichenor, Ph. et al (1970). Massmedia flow and differential growth in knowledge. Public Opinion Quarterly 24-2.

Van der Wilt G., et al. (2000). The ethics of assessing health technologies. In: Theoretical Medicine and Bioethics 21(1): 103-115.

Willems, J. (1993). Naar een andere aanpak. In: Handboek Wetenschaps- & Technologievoorlichting. Redactie: J. Willems en E. Woudstra. Groningen: Martinus Nijhoff.