Jaap Willems

inleiding basisboek

  Inleiding, het wtc-landschap 

In dit boek willen we begrippen, uitgangspunten, ontwikkelingen en dergelijke in de wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) beschrijven, analyseren en in hun onderlinge samenhang bezien. Wat is wtc? Wat is het doel ervan? En wat het rendement? En wat is de relatie tussen bijvoorbeeld wtc en de opkomende wetenschapseducatie (wte)? Wanneer we een en ander zo duidelijk mogelijk verwoorden, kan dat bijdragen aan het terugdringen van de spraakverwarring die de wtc nu soms kenmerkt.  Spraakverwarring? Wat de een wtc noemt is voor een ander wetenschapspropaganda; wat de een communicatie noemt, betitelt een ander als educatie, of voorlichting. En terwijl de ene groep alle wtc-heil verwacht van de tv of van internet, geloven anderen veel meer in interactieve communicatie zoals tijdens publieke debatten en in sciencecenters.[1] [2] [3].

In dit boek willen we proberen om vanuit het opkomende wetenschapsdomein wtc een bijdrage te leveren aan de verdere ontplooiing van de wtc-praktijk. Theorie als steun voor de alledaagse toepassing. Dat wetenschappelijke fundament zoeken we om zoveel mogelijk te ontkomen aan politieke hypes, modetrends en andere minder sterke uitgangspunten. Om de koppeling met de praktijk duidelijk te maken, zullen we dit boek beginnen met een min of meer historisch opgezette beschrijving van het wtc-landschap: wie houden zich in Nederland (en Vlaanderen) bezig met wtc? Wat doen ze en waarom doen ze dat? Hoe doen ze dat en sinds wanneer vindt dat plaats? 

Tabel 1            wtc-actoren 
Wetenschappers (als kennisbron)
Wetenschapsjournalisten
Educatoren in wetenschapsmusea en science centers
Gezondheidsvoorlichters/gvo-consulenten
nme-medewekers en actievoerders
Wetenschapsvoorlichters 
wtc-onderzoekers
wtc-beleidsmakers 
wtc-consumenten (wetenschappers, professionals en andere publiekssectoren

 Definities.  Wetenschaps- en techniekcommunicatie – wtc – lijkt een veelomvattend en daardoor soms ook vaag begrip. Wat is wtc en wat niet? Vanouds herkennen we het in wetenschapsjournalistiek (wetenschap in kranten en tijdschriften, op radio en tv) en in de publieksactiviteiten van musea zoals Naturalis, Archeon, het Utrechts Universiteitsmuseum en het Teylersmuseum in Haarlem. Maar die museale activiteiten heetten vroeger geen wtc en sommigen betitelen het nog altijd liever als educatie. Wetenschapsjournalistiek was lang de bekendste vorm omdat in kranten en tijdschriften de meeste aandacht werd besteed aan wetenschap en techniek, denk aan de wetenschapskaternen van onder andere nrc-Handelsblad en van de Volkskrant en aan periodieken zoals Natuurwetenschap & Techniek en Kijk[4] Ze waren gezichtsbepalend voor de wtc en waarschijnlijk spelen die massamedia nog altijd een hoofdrol bij het verspreiden van informatie over wetenschap en techniek naar een groot publiek.
Dat betekent niet dat de wetenschapsjournalistiek de afgelopen halve eeuw onveranderd is gebleven. Integendeel. Kort na de tweede wereldoorlog – toen de wetenschapsjournalistiek als zodanig voor het voetlicht trad – was het vooral een activiteit van ‘onderwijzers’ zoals Gerton van Wageningen, Arie Kool en Piet Heil. Zij legden enthousiast uit hoe je met een plasmastraal beton in plakjes kon snijden en waarom een kunstmaan niet naar beneden viel. Wetenschap was op de eerste plaats avontuur en werd meestal positief benaderd. Deze groep verdween van het toneel in de jaren 1960 toen – na het verschijnen van onder meer het boek Dode lente (van Rachel Carson) – de maatschappelijke gevolgen van wetenschap en techniek plotseling veel meer aandacht vroegen. Een nieuwe lichting wetenschapsjournalisten – waaronder Hans van Maanen, Simon Roozendaal en Rob van Hattum – legde toen vooral uit wat de risico’s waren van wetenschap en techniek: van kernenergie en straling, van chemische bestrijdingsmiddelen tot hormonen. Niet minder enthousiast, maar wel kritischer dan voorheen. Daarna leek ook dit specialisme gearriveerd: de huidige wetenschaps-journalisten zijn, net als hun collega’s in andere domeinen, vooral verslaggevers. Ze selecteren, vertalen, leggen uit, interpreteren en becommentariëren het werk van wetenschappers en technologen.
[5] [6] Is dat wetenschapscommunicatie? Vroeger heette het onder meer populariseren van wetenschap of science writing.[7] Het begrip wtc was in Nederland nog niet bedacht. Is de naamsverandering naar een gemeenschappelijke term zoals wtc reëel? Kun je journalistiek eigenlijk wel onder één noemer brengen met de publieksactiviteiten in musea, die vaak werden (en worden) aangeduid als voorlichting of educatie? Zijn populairwetenschappelijke artikelen en programma’s te vergelijken met de tekstbordjes, folders, videofilmpjes en rondleidingen?
De term wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) – vaak gaat het overigens vooral om wetenschapscommunicatie en niet om techniek – is een kernbegrip geworden dat voor allerlei en vaak heel verschillende vormen van publiekscommunicatie over wetenschap en techniek wordt gebruikt. Zowel wetenschapsjournalistiek, -pr, -voorlichting, -propaganda, -reclame als -educatie en scholing worden onder de noemer wtc gezet. Is dat terecht? In hoofdstuk 1 zal Ann van de Auweraert proberen een overzicht te geven van de diverse definities en andere omschrijvingen van wtc en op zoek gaan naar gemeenschappelijke bouwstenen. Dat vermindert mogelijk de ogenschijnlijke spraakverwarring.
[8] [9] [10] In hoofdstuk 2 besteedt Arend Jan Waarlo aandacht aan de relatie communicatie (C) en educatie (E), die een belangrijke rol speelt bij het definiëren van het begrip wtc.
 

Motieven. Waarom houden mensen zich bezig met wtc? Het doel van zowel wetenschapsjournalisten als van veel voorlichters en educatiemedewerkers in musea en dergelijke was en is op de eerste plaats het bevredigen van de nieuwsgierigheid van lezers, kijkers en/of bezoekers. De journalist wil zijn lezers, luisteraars en/of kijkers amuseren of informeren; de voorlichter beoogt ongeveer hetzelfde maar heeft daarnaast ook de behoefte om mensen te helpen of om hen van iets te overtuigen. Veel museummedewerkers willen bezoekers iets leren. Kortom, de meeste mensen die zich met wtc bezig houden hebben een duidelijke bedoeling met wat ze doen; ze hebben vaak verschillende, maar doorgaans wel herkenbare motieven, die uiteraard moeten aansluiten bij de wensen van de consumenten.[11] [12]

Wat zijn die motieven? Wanneer we uitgaan van de klassieke verdeling van motieven voor wtc[13] [14] kunnen we die soms zeer diverse beweegredenen onderbrengen in de volgende drie categorieën: Culturele motieven: mensen leven in een wetenschappelijke en technologische cultuur en moeten daarover worden geïnformeerd om hen in staat te stellen op een zinnige manier mee te doen in deze samenleving.[15] 2)Democratische/ politieke motieven: mensen moeten ook de kans krijgen mee te denken, mee te praten en misschien zelfs mee te beslissen over nieuwe ontwikkelingen zoals genomics en kernenergie.[16] 3) en economische motieven: omdat de samenleving steeds wetenschappelijker en technologischer wordt, moeten mensen blijvend geïnformeerd worden om zowel in hun werk als privé mee te kunnen blijven doen. De kennissamenleving vereist levenslang leren van zoveel mogelijk mensen, jong en oud.In de vroege periode van de wtc was er vooral aandacht voor culturele en democratische argumenten; dat is nog duidelijk te lezen in de knaw nota uit 1977[17]:

Voor het leveren van algemene beschouwingen over nut en noodzaak van de wetenschapsvoorlichting, door welke instantie dan ook gegeven, moet als fundamenteel uitgangspunt gelden het recht van de burgers om te leren kennen, te weten (The public’s right to know).’ Vergelijk dat eens met de intenties van het Platform Bèta Techniek uit 2006.[18] Wat deze democratische en culturele argumenten nu nog betekenen en hoe dat is gekomen, proberen we duidelijk te maken in de hoofdstukken 3 en 4. Anne Dijkstra en Astrid Souren schetsen de ontwikkelingen binnen de motieven van deze beide groepen. Het verschil in omvang van deze beide hoofdstukken heeft geen relatie met het belang dat we hechten aan het ene of het andere motief. Dat verschil hangt alleen samen met de verschillen in benadering door de beide auteurs.             

Effecten. We hebben diverse redenen van organisaties en personen om zich bezig te houden met wtc en wte aangestipt, maar wat is het resultaat, het effect van al die inspanningen? Wat is het nut? De duizenden voorlichters en andere wtc-actoren hebben vaak een duidelijk doel voor ogen: zij willen het publiek meer betrekken bij de ontwikkelingen in wetenschap en techniek, zij willen jongeren enthousiast maken zodat ze een loopbaan zoeken in die richting. Lukt dat? Je mag aannemen dat de wtc-actoren dat zullen willen en moeten weten. Hoe meten ze dat? Hanssen en anderen[19] relativeren overigens die behoefte aan evaluaties: ‘Massacommunicatie gaat over openbaar maken. Het gaat niet om direct werkbare effecten. Het gaat om de gevolgen op langere termijn. Door Gerbner cultivatie genoemd.[20] Hij ziet de massamedia, en vooral televisie, als de cultivators van de hedendaagse samenleving. Waarden, opinies, kennis en attituden van individuen worden immers opgebouwd, onderhouden, bijgesteld en veranderd door uitwisseling van symbolen (taal, beelden enzovoort) en die taak is in onze samenleving toebedeeld aan de massamedia.’ 

Educatie. Naast de wetenschapsjournalistiek en de educatie/voorlichting in diverse musea, ontstonden in andere segmenten van de samenleving de gezondheidsvoorlichting en -opvoeding (gvo) en de natuur- en milieueducatie (nme). Hoewel dit waarschijnlijk ook  vormen van wetenschapscommunicatie zijn, vonden deze domeinen hun wetenschappelijke basis aanvankelijk niet in de communicatiewetenschap, zoals die met name aan de UvA, vu en de kun/ru wordt bedreven. Evenals de landbouwvoorlichting leunden de gvo en nme lange tijd sterk op de Wageningse voorlichtingskunde (tegenwoordig overigens ook communicatiewetenschap genoemd) en op de agogiek, didactiek en onderwijskunde.
De klassieke communicatiewetenschap was vooral geïnteresseerd in de werking van massamedia en soms krijg je de indruk dat dit nog altijd het geval is; de voorlichtingskunde vond zijn basis in de interactieve communicatie (over landbouw) en ook in de huidige Wageningse communicatiewetenschap speelt deze vorm nog altijd een hoofdrol, maar naast landbouw zijn ook voeding, natuur en milieu belangrijke aandachtsgebieden. Dit domein kijkt vooral naar het proces.
De gezondheidsvoorlichting (inclusief de voedingsvoorlichting) vind je vaak terug in de media, zoals in vrouwenbladen, maar daarnaast wordt gvo ook vaak interpersoonlijk beoefend. Je ziet dat in organisaties zoals de Kruisverenigingen en Jellinekklinieken, bij voorlichtingsbureaus zoals het Voedingscentrum en de produktschappen zoals het Nederlands Zuivelbureau. Die instellingen werken natuurlijk ook met journalistieke kanalen zoals tijdschriften, maar daarnaast zijn ze dus actief in de interactieve communicatie. Hun consulenten zoeken vaak eveneens het persoonlijke contact met cliënten.
De natuur- en milieueducatie is volwassen geworden dankzij de activiteiten van organisaties zoals het Instituut voor Natuurbeschermingseducatie (ivn), de jeugdbonden voor natuurstudie (nvj), Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en Milieudefensie. Bij veel activiteiten in deze sector – bijvoorbeeld de excursies en acties – speelt persoonlijk contact een belangrijke rol.
Veel van deze organisaties brengen hun activiteiten niet onder de noemer communicatie (en dus ook niet met wtc), maar betitelen dat bij voorbeeld als educatie. Wat ze in de praktijk doen – onder meer het verspreiden van posters, folders en tijdschriften, het houden van lezingen en het organiseren van acties en excursies – lijkt vaak echter sterk op wat (andere) wtc-organisaties zoals musea doen. Waar liggen de grenzen en verschillen? Wanneer is iets communicatie en wanneer noem je het educatie? Nadat Arend Jan Waarlo in hoofdstuk 2 de relatie tussen C en E tegen het licht heeft gehouden en daarbij communicatie vooral vanuit agogisch perspectief heeft belicht, proberen Johan Hoorn en Juliette Walma van der Molen in hoofdstuk 6 de specifieke relatie tussen wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) en wetenschaps- en techniekeducatie (wte) te verhelderen vanuit een communicatiewetenschappelijke gezichtshoek. Dat is actueel want het ocw-beleid lijkt zich te ontwikkelen van wtc naar meer of vooral wte.
 

Interactief. Een van de opmerkelijke aspecten bij de vergelijking van wtc en wte, is de verschuiving van het top-down-denken (sterk vertegenwoordigd in de massamediale wtc), naar een bottom-up-benadering (die in de wte lijkt te overheersen). Top-down-benaderingen, van de deskundige naar de leek, zijn vanzelfsprekend in de wetenschapsjournalistiek, zoals bij kranten, tijdschriften en op tv; ze zijn inherent aan de werkwijze van de journalistiek. De bottom-up-benadering is duidelijker aanwezig in de interpersoonlijke benadering van het gvo en de nme; ze is daar onderdeel van de beoogde interactiviteit waarin de ervaringsdeskundigheid van patiënten, cliënten en andere leken ook een rol speelt.
Interactiviteit lijkt een nieuw wtc-verschijnsel. Bij interactie is er dus geen sprake meer van deskundigen die proberen de leek iets uit te leggen, maar van interactie tussen wetenschappers en de rest van de samenleving.
[21] Volgens Wynne is dat nodig omdat de klassieke massamediale opvatting te weinig rekening houdt met de politieke cultuur van wetenschap en haar sociale relaties. Binnen het traditionele communicatieonderzoek naar wtc is er volgens hem geen aandacht voor de maatschappelijke inbedding van wetenschap, de sociale omgeving en de organisatie van wetenschappelijk onderzoek. En dat zou wel noodzakelijk zijn. Maar wat is interactiviteit? Het lijkt net als communicatie een term die voor veel spraakverwarring kan zorgen. Voor veel mensen is het bijna een synoniem voor internet. Anderen koppelen het vooral aan interpersoonlijke communicatie en eisen een minimaal aantal reacties voordat iets interactief mag heten. In hoofdstuk 7 geeft Cees Koolstra een kritisch literatuuroverzicht.
 

Economisch motief. De term wetenschapsvoorlichting is in de jaren 1980 sterk opgekomen, vooral bij universiteiten en andere kennisinstellingen en in het bedrijfsleven (voornamelijk bij multinationals zoals Philips en Shell). Schoolvoorbeelden van de industriële wetenschapsvoorlichting uit die periode waren de exposities in het Evoluon van Philips en de persexcursies van Shell. Grote aantallen wetenschapsvoorlichters traden in deze periode aan en kregen de taak de activiteiten van de betrokken organisaties uit te leggen aan de samenleving. Deze tak van de wtc is uitgeroeid door een omvangrijke sector: het aantal (wtc-)voorlichters wordt geschat op enkele tienduizenden.[22]
Hoewel het woord voorlichting voortkomt uit het begrip verlichting, is het doel ervan vaak niet op de eerste plaats het verheffen van ‘het volk’ in het belang van die mensen, maar gaat het vooral om het positioneren van de organisatie in de samenleving: be good and tell it. Universiteiten willen vooral studenten en fondsen werven, bedrijven hopen op deze manier hun imago en marktpositie te verbeteren. Dat lijkt dus meer op pr of reclame en pessimisten betitelen het dan ook als ‘het verkopen van de wetenschap’. Een toonaangevend boek van Nelkin op dit terrein heet Selling Science.
[23] In de Angelsaksische literatuur spreekt we in dit verband over een verschuiving van Public Understanding of Science naar Public Relations of Science. Het een is niet beter dan het ander, maar het zijn wel erg verschillende bezigheden.[24]

Ook bij de moderne wetenschapsvoorlichting is er nog steeds sprake van de democratisch en culureel georiënteerde argumenten, maar economische motieven zijn eveneens prominent aanwezig. Universiteiten en andere onderzoeksinstituten worden in toenemende mate (financieel) afhankelijk van de rest van de samenleving. In de ocw-nota Boeiend, Betrouwbaar en Belangrijk uit 2000 wordt het economische argument als eerste genoemd. ‘Voor economisch succes is het essentieel om een beroepsbevolking te hebben die zich snel nieuwe kennis eigen kan maken en die erop gericht is dat ook te doen. Het gaat om de ontwikkeling van de vaardigheid om uit de bijna onbeperkte hoeveelheid informatie te selecteren wat belangrijk is, verbanden te leggen, ontwikkelingen te herkennen en op hun waarde te schatten, en aan die informatie waarde toe te voegen. Daarom is het economische belang van een activerende en initiërende wetenschaps- en techniekcommunicatie sterk toegenomen.’ Volgens Dalderup[25] (2000) zet het economische motief voor wtc tegenwoordig de toon. Wiedenhof[26] meende in 1995 nog dat er een redelijke balans was tussen de diverse argumenten voor wtc, maar Dalderup signaleert dat het evenwicht gedurende het afgelopen decennium sterk is verstoord: het economisch motief voor wtc zou de democratische en culturele overwegingen hebben overvleugeld. ‘Het heeft er alle schijn van dat de overheid, sturend met de geldbuidel, op wat minder afstand is gaan meedenken dan Wiedenhof nog meende. Voor het beleid geldt wetenschaps- en techniekcommunicatie meer en meer als instrument om imperfecties in het onderwijs en fricties op de arbeidsmarkt te repareren.’

Science centers. Het toenemend economisch belang van wetenschap en techniek voor de samenleving is waarschijnlijk ook een belangrijke verklaring voor de opkomst van de science centers en wetenschapsmusea zoals Nemo in Amsterdam en Technopolis in Mechelen. Het is niet voor niets dat in Nederland de minister voor ez een belangrijke rol speelde bij het moeizaam tot stand komen van het eerste Nederlandse science center. Ook in de vele tientallen buitenlandse science centers speelt het belang van een goed geschoolde bevolking voor de kennissamenleving een aanwijsbaar grote rol in de motivering van het ontstaan ervan; vaak is het bedrijfsleven direct betrokken bij het oprichten en in stand houden van die centra. Science centers moeten vooral jongeren enthousiast maken voor bètawetenschap en techniek om op die manier te voorzien in de groeiende behoefte aan studenten en werknemers in deze sector. Maar houden science centers zich dan wel met wetenschapscommunicatie bezig? Zijn het niet veel meer propaganda-organisaties? Het is en blijft een kwestie van definitie (zie hoofdstuk 1), maar gezien de vele raakvlakken en overgangszones tussen educatie/voorlichting en propaganda/reclame, de glijdende schaal van journalistiek, voorlichting en pr naar reclame, propaganda en marketing voor wetenschap en technologie, en de overeenkomsten in motieven en werkwijzen, lijkt het verdedigbaar ook veel activiteiten van science centers tot de wtc te rekenen. De Nederlandse overheid rekent science centers niet alleen expliciet tot wtc, maar lijkt zelfs geneigd de activiteiten van organisaties zoals Nemo als wtc bij uitstek te beschouwen.
De manier waarop science centers proberen hun publiek te bereiken verschilt ook niet zo veel van de manier waarop algemeen erkende wtc-organisaties zoals Naturalis en het Voedingsbureau werken. Ook in science centers benut je teksten, plaatjes, computers en dergelijke. Een bijzonder facet van de science centers is het gebruik van interactieve (...) hands-on: doorgaans computergekoppelde apparaten om jongeren iets te laten ervaren en leren door zelf te manipuleren. Wat gebeurt er met het vloeistofoppervlak als ik stof A aan het water toevoeg? Interactieve wtc wordt gezien als een belangrijke nieuwe ontwikkeling op dit terrein (zie ook hoofdstuk 7).
Het feit dat de science centers zich niet hebben aangesloten bij de internationale wtc-organisatie pcst (Public Communication about Science and Technology), maar een eigen vereniging: ecsite (European Collaborative for Science, Industry and technology) hebben opgericht, lijkt in dit verband niet erg relevant.
Dat zowel de overheid als de instellingen zelf voor de science centers een grote toekomst zien, blijkt wel uit het verschijnsel dat het niet alleen nieuwe instellingen zijn die zich science center noemen (zoals Nemo en Technopolis), maar dat ook sommige oudere musea (zoals Naturalis en het Utrechts universiteitsmuseum) hun organisatie hebben omgebouwd tot iets dat op een science center lijkt. Dat doen de laatstgenoemde vooral door de introductie van interactieve opstellingen en jeugdlabs. Een belangrijk verschil tussen de ene en de andere groep blijft dat science centers geen eigen collectie hebben en de wetenschapsmusea of science centers zoals Naturalis wel.
 

Overheidsbeleid. De overheid heeft zich lang afzijdig gehouden van wtc en dat is volgens Dalderup een reactie op de nazipropaganda uit de Tweede Wereldoorlog: als de overheid al een mening had, diende zij die in elk geval niet aan de samenleving op te dringen. Dat standpunt is in Den Haag intussen verlaten. De overheid is onder meer een subsidiërende en dus belangrijke actor geworden in wtc-land, vanwege het eerder genoemde economische belang van wtc. De nieuwe rol van de overheid in wtc-land werd duidelijk met de entree van de eerste minister voor wetenschapsbeleid: Trip. Hij gaf de wetenschapsvoorlichting een sterke stimulans en organisaties zoals de wetenschapswinkels, techniekclubs en volkssterrenwachten konden op zijn hartelijke en financiële steun rekenen. Om de wtc in Nederland te stimuleren werd op zijn aansporing de Dienst Wetenschapsvoorlichting bij de knaw ingesteld, die later uitgroeide tot de stichting pwt (Publieksvoorlichting over Wetenschap en Techniek), die na een fusie met de Wetenschapsweek werd omgebouwd tot de stichting WeTeN (Wetenschap en Techniek Nederland). Deze nationale organisatie moest het centrum worden van de wtc in Nederland, maar mede door mismanagement is dat helaas niet gelukt. In 2003 constateerde de commissie Esmeijer bij een evaluatie dat de stichting WeTeN er niet in was geslaagd een centrale plaats te verwerven in de Nederlandse wtc-wereld.
Met het opheffen van de stichting WeTeN lijkt de overheid zich weer enigszins terug te trekken uit wtc-land en in Vlaanderen zie je door het recent opheffen van Wecom iets vergelijkbaars gebeuren. Het weinige dat in Nederland van overheidswege nu nog wordt bijgedragen aan de wtc zijn incidentele acties (zoals publieke debatten) en financiële steun aan organisaties zoals het Platform Bèta Techniek, Nemo/de Wetenschapsweek en Kennislink. Ook de financiële steun aan Rathenau wordt door ocw als bijdrage aan de wtc beschouwd, maar het Rathenau Instituut zelf meent dat het zich niet met dit onderwerp bezighoudt.
 

Organisaties. Wie houden zich met wtc bezig en wie niet? nipo Consult deed in 1999 een onderzoek voor de stichting WeTeN om het wtc-landschap in kaart te brengen (Dat heette: Een inventarisatie van het aanbod van communicatie over wetenschap en techniek voor een breed publiek in Nederland) en kwam daarbij tot onderstaand overzicht. 

 Tabel 2            wtc instellingen in Nederland                                                                      
                                                                   Aantal              Percentage
Musea/ kastelen                                              404                  26
Belangrijke (?) musea                                      114                  7
Bibliotheken                                                    299                  19
Volkssterrenwachten e.d.                                74                    5
Universiteiten/ onderzoeksinstellingen               78                    5
Volksuniversiteiten                                          3                      0
Dierentuinen, hortussen e.d.                             25                    2
Bezoekerscentra nme e.d.                               54                    3
Techniekclubs                                                 117                  7
Science centers                                               12                    1
Media (kranten, tijdschriften, tv)                      192                  12
Archieven                                                       13                    1
Transferpunten                                                10                    1
Wetenschapswinkels                                       35                    2
Studia Generale                                               12                    1
Intermediaire organisaties zoals WeTeN          23                    2
Overige                                                           103                  6 
Bron: nipo Consult 1999 

De inventarisatie is uiteraard gedateerd: het aantal intermediaire organisaties is waarschijnlijk kleiner geworden, de transferpunten zijn grotendeels verdwenen en het aantal wetenschapswinkels is eveneens sterk gedaald. De keuze over wie wel en wie niet in het rapport werd opgenomen, is bovendien aanvechtbaar. De gevolgde werkwijze heeft geleid tot het meenemen van organisaties (zoals de grote groep bibliotheken), die niet door iedereen tot de wtc worden gerekend, terwijl de voedings- en gezondheidscommunicatie en de natuur- en milieueducatie geheel lijken te ontbreken. Aan de Universiteit Utrecht zijn beide domeinen expliciet onderdeel van de wtc. Ook het bedrijfsleven lijkt vergeten. De samenstellers van het nipo-rapport hebben daarvoor dus ongetwijfeld goede redenen gehad, maar het is moeilijk vol te houden om de wtc zoals die door het Voedingscentrum, het ivn en door Philips of tno wordt gepraktiseerd, uit te sluiten. Of zitten zij in de grote groep Overigen?
Er lijken veel wtc-organisaties te bestaan. Op diverse plaatsen wordt op zeer diverse manieren geprobeerd informatie over aspecten van wetenschap en techniek te populariseren. Het nipo-rapport zegt het als volgt: ‘Het wtc-landschap heeft een divers karakter, zowel wat betreft de aard van de spelers als de aard van hun activiteiten. Hierdoor is het niet eenvoudig om een eenduidig beeld van het veld te schetsen. Het aantal partijen dat op deze markt opereert is omvangrijk. Veel van de wtc-organisaties weten niet van elkaar wat de ander nastreeft en wat voor activiteiten zij ontplooien. De wtc-markt is, in de ogen van de spelers, versnipperd en ondoorzichtig.’
nipo Consult schat op basis van haar (omstreden) inventarisatie dat er ruim 1500 wtc-instellingen zijn en naast die instellingen zouden er nog 3300 wtc-personen actief zijn; 1100 daarvan noemt nipo autonoom, de rest is verbonden aan een instelling. Van Ruler komt tot hogere schattingen.
 

Paradigmashift. Op basis van de toch enigszins teleurstellende resultaten van de acties van de diverse wtc-organisaties hebben wtc-voormannen zoals Durant en Wynne in de jaren negentig het idee van een paradigma shift gelanceerd. De wtc zou in de toekomst niet langer alleen moeten leunen op de klassieke massamedia, maar ook gebruik moeten maken van de mogelijkheid van interpersoonlijke en andere vormen van interactieve wtc. Dat zou vooral het vertrouwen in wetenschap en techniek kunnen vergroten.
Nieuwe mogelijkheden en werkwijzen hebben nogal eens de neiging om het bestaande te verdringen: zoals de televisie de radio op diverse terreinen heeft overstemd en zoals internet dat zou kunnen doen met de kranten. Bijna iedereen is immers graag bij de tijd. Dat zou ook kunnen gebeuren in de wtc waar de moderne interactieve wtc zich zou kunnen ontwikkelen ten koste van de klassieke massamediale. Maar als het al mogelijk zou zijn om de massamediale wtc (zoals de wetenschapsjournalistiek) terug te dringen, zou dat toch in elk geval zeer onwenselijk zijn. Met het badwater zou ook het kind worden weggegooid. Wetenschapscommunicatie via dagbladen, tijdschriften en tv is van groot belang omdat het doorgaans goed wordt gedaan, veel mensen erop vertrouwen en het bereik van bijvoorbeeld tv (nog) niet te evenaren is.
[27] We hebben massamedia nodig vanwege hun ervaring en verworven status, die er onder meer toe heeft geleid dat veel mensen[28] televisie noemen als meest gewenste medium voor wtc.


De nieuwe wegen in de wtc – zoals in de interactieve communicatie in science centers en via internetcommunities – dienen te worden gestimuleerd, maar moeten kunnen floreren naast de massamediale wtc. Logan3 3 formuleerde dat als volgt: ‘While the interactive and the scientific literacy tradition are different, they are not mutually exclusive. Although the interactive tradition responds to conceptual binds within the scientific literacy model, the intent of the interactive tradition is to underline – rather than replace – the traditional view of the science communication process. The interactive tradition does not quarrel with the idea that citizens should be better informed about science, nor does it overlook the important roles scientists, journalists, public information officers, public interest groups corporations, governmental and nongovernmental agencies and other professionals play in providing high quality science information to the public.’
In hoofdstuk 8 proberen Lucien Hanssen en anderen dat zogenaamde tweesporenbeleid vorm te geven. In 2003 schreef hij daarover: ‘In het communicatieonderzoek rondom wetenschapsvoorlichting zijn twee theoretische (hoofd-) richtingen te onderscheiden: de klassieke en de alternatieve opvatting. De eerste visie kan worden omschreven als het klassieke model. In de klassieke opvatting wordt kennis gezien als een product van verifieerbaar wetenschappelijk onderzoek die zijn weg vindt van wetenschappers via media of andere intermediairs naar het publiek. Naast de klassieke visie is er het alternatieve model van wetenschapsvoorlichting. Binnen deze opvatting wordt kennis gezien als minder vaststaand of zeker: kennis als sociale constructie. Kennis vloeit ook niet vanzelfsprekend van experts via media naar leken. De alternatieve opvatting kiest voor een culturele benadering in het omgaan met kennis. Kennis krijgt vorm en betekenis in een sociale omgeving. Beide visies sluiten elkaar niet uit, ze zijn in zekere zin aanvullend. Ze kunnen ieder afzonderlijk en gezamenlijk waardevolle inzichten leveren voor de wetenschapsvoorlichting.’ 

Logan3 3 formuleerde dat als volgt: ‘While the interactive and the scientific literacy tradition are different, they are not mutually exclusive. Although the interactive tradition responds to conceptual binds within the scientific literacy model, the intent of the interactive tradition is to underline – rather than replace – the traditional view of the science communication process. The interactive tradition does not quarrel with the idea that citizens should be better informed about science, nor does it overlook the important roles scientists, journalists, public information officers, public interest groups corporations, governmental and nongovernmental agencies and other professionals play in providing high quality science information to the public.’
In hoofdstuk 8 proberen Lucien Hanssen en anderen dat zogenaamde tweesporenbeleid vorm te geven. In 2003 schreef hij daarover: ‘In het communicatieonderzoek rondom wetenschapsvoorlichting zijn twee theoretische (hoofd-) richtingen te onderscheiden: de klassieke en de alternatieve opvatting. De eerste visie kan worden omschreven als het klassieke model. In de klassieke opvatting wordt kennis gezien als een product van verifieerbaar wetenschappelijk onderzoek die zijn weg vindt van wetenschappers via media of andere intermediairs naar het publiek. Naast de klassieke visie is er het alternatieve model van wetenschapsvoorlichting. Binnen deze opvatting wordt kennis gezien als minder vaststaand of zeker: kennis als sociale constructie. Kennis vloeit ook niet vanzelfsprekend van experts via media naar leken. De alternatieve opvatting kiest voor een culturele benadering in het omgaan met kennis. Kennis krijgt vorm en betekenis in een sociale omgeving. Beide visies sluiten elkaar niet uit, ze zijn in zekere zin aanvullend. Ze kunnen ieder afzonderlijk en gezamenlijk waardevolle inzichten leveren voor de wetenschapsvoorlichting.’ 

Techniekcommunicatie.Zoals eerder gezegd: de wtc is sterk (bèta)wetenschapsgericht en heeft relatief weinig aandacht voor techniek. Zeker: in tijdschriften zoals Natuurwetenschap & Techniek en in de wetenschapskaternen van dagbladen komen technologie en techniek ook aan bod en in Science centers zijn die soms zelfs zeer aanwezig, maar wanneer je het wtc-landschap in zijn geheel probeert te overzien, vind je toch vooral bètawetenschap en relatief weinig techniek en technologie. En de bestaande aandacht voor technologie (bijvoorbeeld de biotechnologie en de geneeskunde) ligt vaak op het grensgebied van wetenschap en techniek en is daardoor zelden puur.
De beide wetenschappelijke tijdschriften voor wtc heten Public Understandig of Science (pus) en Science Communication; Technology en Technics worden in de titels niet genoemd en zijn er ook zelden in te vinden. In de pcst zit Technology wel in de naam, maar op de gelijknamige congressen wordt het onderwerp doorgaans stiefmoederlijk behandeld. Maar met de opkomst van het economische motief voor wtc lijkt ook de aandacht voor technologie en techniek gegroeid. Diverse recente overheidsinitiatieven (zoals de oprichting van Nemo en van het platform Bètatechniek) zijn dan ook vooral op techniekcommunicatie en vooral op de promotie van technologie en techniek gericht. In hoofdstuk 9 staat Michael Steehouder stil bij de opkomst van de techniekcommunicatie, die aanvankelijk vooral gestalte kreeg in de vorm van zogenaamd technisch schrijven ten behoeve van handleidingen en gebruiksaanwijzingen.
In hoofdstuk 10 beschrijven Maarten van der Sanden en Caroline Wehrmann een instrument om theorie en praktijk van communicatie over techniek dichter bij elkaar te brengen.
En er is nog een ander grensgebied: de medische wtc. Dat zou iets anders zijn dan patiëntenvoorlichting en gezondheidscommunicatie (gvo), maar het blijft moeilijk om de grenzen scherp aan te geven. Meijman[29] formuleerde deze diversiteit in zijn oratie als volgt: ‘De patient zoekt zekerheid, het publiek amusement, het beleid eenduidige conclusies, de beroepsgroep helderheid en de wetenschapper bekendheid en ook rust.’ Wat zijn de verschillen en overeenkomsten tussen wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) enerzijds en medische publiekscommunicatie anderzijds? In hoofdstuk 11 gaan Maarten van der Sanden en Frans Meijman in op hetgeen beide communicatiedomeinen bindt: systeemtheorie. Hoe ontstaat dynamiek? En wat is de kracht van chaos? Ze komen onder meer tot de slotsom dat het moeilijk is om de diverse terreinen van elkaar te onderscheiden: wat het ene moment patiëntenvoorlichting is, kan een volgend ogenblik wetenschapsvoorlichting zijn. Dit is op zich geen probleem, maar communicatie op verschillende niveau’s en op verschillende tijden maakt het proces niet eenvoudig.  

Nog meer wtc? Binnen de wtc groeit het inzicht dat de communicatie tussen onderzoekers onderling en tussen onderzoekers en relevante professionals ook een aandachtsgebied van wtc zou moeten zijn. De communicatie tussen enerzijds wetenschappers/experts en anderzijds beroepsgroepen zoals leraren, artsen, voorlichters, technici en andere praktijkmensen, zou je dus tot het wtc-domein kunnen rekenen. Zijn zij dan geen algemeen publiek? Ja en nee. Evenals het grote publiek staan de professionele gebruikers van innovaties vaak ver af van de bronnen van kennis; universiteiten en onderzoeksinstellingen hebben zelden hechte banden met beroepsgroepen buiten de wetenschap. Maar de voorkennis, interesse en relevante ervaring van deze beroepsgroepen is echter vaak groter dan die van het algemene publiek en hun belang bij een goede communicatie met onderzoekers gaat meestal verder dan nieuwsgierigheid. In adoptiecurve zou je hen terugvinden in categorie 2: early adopters. Kortom, de professionals lijken een categorie die speciale aandacht verdient.
Omdat professionals grote belangen kunnen hebben bij een goede communicatie met wetenschappelijke onderzoekers (denk aan de communicatie tussen wetenschappelijke onderzoekers aan universiteiten of tno enerzijds en artsen anderzijds) besteden we aan het slot van dit boek ook aandacht aan deze specifieke vorm van wtc. In hoofdstuk 12 proberen Peter Groenewegen en anderen dit wtc-domein te positioneren
 

Doelgroepen. De wtc richt zich op diverse doelgroepen, maar vanouds is het sterk gericht op het grote of algemene publiek, op de samenleving of in elk geval op grote groepen daaruit. De wtc richt zich tot groepen buiten het domein van wetenschap en techniek. In de doelstellingen van veel wtc-instellingen noem je het grote of brede publiek (of publieksgroepen zoals de jeugd) doorgaans ook als enige of in elk geval belangrijkste doelgroep en op de grote congressen van de pcst is het eveneens publiekscommunicatie wat de klok slaat. In de ocw-nota Boeiend, Betrouwbaar en Belangrijk15:15 staat het belang van het grote publiek als doelgroep als volgt omschreven: ‘In de wereldwijde kenniseconomie is een brede vertrouwdheid van de bevolking met nieuwe ontwikkelingen op het terrein van wetenschap en techniek een basisvoorwaarde voor economische groei en maatschappelijke ontwikkeling. Het hoofddoel van het overheidsbeleid voor wetenschaps- en techniekcommunicatie is dan ook het krachtig stimuleren van de belangstelling en het enthousiasme voor en de kennis van wetenschap en technologie onder de verschillende doelgroepen van de bevolking en het stimuleren van de kritisch maatschappelijke discussie hierover door een breed publiek.’
In de doelstellingen van het Platform Bèta-Techniek staat: ‘Belangrijkste doel is de missie en aanpak van het Platform bij onder andere het publiek helder en gewaardeerd over het voetlicht te brengen. De communicatie van het Platform Bèta-Techniek is georganiseerd langs drie niveaus. Een daarvan is de wetenschaps- en techniekcommunicatie en educatie: communicatie die zich richt op keuzeprocessen van jongeren.’ In hoofdstuk 13 proberen Barbara Regeer en ik greep te krijgen op deze doorgaans verwaarloosde groep in de wtc. Cees van Woerkum en Hedwig te Molder verdiepen die aandacht voor het publiek in hoofdstuk 14 met een beschouwing over de wijze waarop dit publiek in het alledaagse taalgebruik wetenschappelijke informatie benut.
In dit boek hebben we geprobeerd de professie wtc te onderbouwen vanuit het wetenschapsdomein wtc, hoewel dat nog nauwelijks vorm heeft gekregen. Zoals we al eerder zagen leunt de wetenschapscommunicatie op diverse en soms zeer verschillende wetenschappelijke disciplines: vaak op de communicatiewetenschap en soms ook op de vroegere voorlichtingskunde, op de pedagogiek en de onderwijskunde, de psychologie en politicologie, op diverse domeinen van de wetenschapsstudies (science and technology studies) en op de informatiekunde. In hoofdstuk 15 probeer ik een plaats te vinden voor het vakgebied wetenschapscommunicatie in het wetenschappelijke spectrum. Elroy Cocheret de la Morinière bespreekt ten slotte de tekortkomingen van het wtc-beleid. Hij betoogt, mede kijkend naar de (benodigde) ontwikkelingen in de praktijk, dat een gezamenlijke stem van het gehele wtc-landschap gewenst is. Hij werkt het idee voor een overkoepelende raad uit, met daarin vertegenwoordigers van alle partijen in de wtc. 



[1] Wynne, B. (1992).
[2] Willems & Woudstra (1993).
[3] Logan, R. (2001).
[4] Willems, J. (1991).
[5] Hagen, P. (1991).
[6] Donkers, H & J. Willems. (1999).
[7] Willems, J. (1976).
[8] Woerkum, C. van (1991).
[9] Bossche v.d. S & J de Greve (2000).
[10] Woerkum, C van & A van der Auweraert. (2004).
[11] Bauer, R. (1964).
[12] Stappers, J. et al.
[13] Durant, J. (1991).
[14] Willems, J (2002).
[15] OCW, EZ en LNV (2000).
[16] Grote, C von & M. Dierkes (2000). Trust (ed C von Grote & M Dierkes) Amsterdam: Harwood.
[17] knaw (1977).
[18] Platform Beta-Techniek (2006).
[19] Hanssen, L. et al. (2003).
[20] Gerbner, G (1979).
[21] Einsiedel, E. & B. Thorne (1999).
[22] Ruler, B. Van (2004).
[23] Nelkin, D. (1987).
[24] Wiedenhof, N. (1978).
[25] Dalderup, L. (2000).
[26] Wiedenhof, N. (1995).
[27] Willems, J. (2006).
[28] Eurobarometer 55.2 (2001).
[29] Meijman, F. (2000). 

wandeling langs de Havel

    

BOSWANDELING LANGS DE HAVEL     (15 km)

 

Duitsers zijn doorgaans Naturfreunde. Berlijners zijn anders dan de andere Duitsers, maar op dit punt stemmen ze toch overeen. Als de inwoners van de hoofdstad even genoeg hebben van de drukte, dan zoeken ook zij graag de natuur op. Die is royaal voorhanden want Berlijn heeft veel groen, erg veel. Een van de populaire buitengebieden is het Grunewald. Dat is een uitgestrekt bos langs de Wannsee en de Havel aan de zuidwestzijde van de stad. Als je er doorheen loopt kun je je niet voorstellen dat het onderdeel is van een stedelijk gebied; de slordig slingerende paden tussen omgevallen bomen verwacht je eerder in een veraf gelegen natuurgebied. Dit bosgebied kreeg grote bekendheid tijdens de zgn. blokkade van Berlijn toen het een van de weinig stukken stad was waar men zich kon onttrekken aan de spanning en onrust van de Koude Oorlog.

Grunewald is ook een goed idee voor de reiziger, die na een aantal dagen slenteren langs monumenten, museumbezoek en winkelen even de rust en frisheid van de natuur nodig heeft om even bij te komen. Neem de S-bahn, stap uit op station Nikolassee en binnen de kortste tijd ben je op de zgn. Havelhöhenweg, onderdeel van het Brandenburger ‘Pieterpad.’

 

Verlaat Bahnhof Nikolassee in westelijk richting en steek de autosnelweg over via een voetgangersbrug. Er zijn er twee. Het is de bedoeling dat je de meest linker neemt, maar als je de andere treft is dat geen probleem. Volg in elk geval de borden richting Jugendherberg.

Voorbij die enorme jeugdherberg begint de bosweg. De drukte van de stad is dan snel vergeten en vergeven. De brede lindelaan loopt eerst langs een groot, klassiek Duits strandbad. Laat je niet verleiden tot een vroege pauze want de route is nog lang. Als je de weg langs het hek van dat strandbad blijft volgen, ontdek je al snel de route-markering: een rode stip met daaromheen een groene, blauwe en gele driehoekige straal. Het hek eindigt bij een oude eik op een fraai uitzichtpunt over het brede water van de Havel.

Blijf op het smaller wordende pad, dat min of meer parallel aan de oever loopt. Je kruist na enige tijd de straatweg naar het befaamde, maar onaantrekkelijke Insel Schwanenwerd. Dit eiland is vooral bekend door de vele beroemdheden die er een villa hebben. Door hun grote huizen en tuinen is de oever onbereikbaar geworden. Aan de overkant van de toegangsweg naar het eiland staat tussen de bomen een richtingaanwijzer van graniet naar de Havelhöhenweg, het mooiste stuk van deze wandeling.

Het goed onderhouden pad klimt en daalt hoog over de lichtbeboste heuvels; stenen treden en stoepen moeten fietsers ontmoedigen deze route ook te nemen. Jammer voor de mountain bikers, maar plezierig voor de wandelaar. Vanaf sommige punten – onder meer bij Das Groszes Fenster – heb je een wijds uitzicht over het brede water. Op mooie dagen wordt daar druk gezeild; in de verte kun je af en toe de Grunewaldtoren al zien staan. Beneden ontdek je hier en daar kleine jachthavens en strandjes, maar die zijn voorlopig onbereikbaar. In het open bos groeien vooral eiken, sparren en berken; omgevallen bomen laat men hier liggen. Dat oogt fraai verwaarloosd. Bijna romantisch.

Na een tijdje stuiten we op een geasfalteerde weg: de Havelchaussee. Die volg je over een parallelweg aan de linkerkant onder oude eiken, tot aan een bushalte; aan de overkant gaat dan het pad van de Höhenweg verder, nog steeds goed herkenbaar aan de rode stip met groene, blauwe en gele stralen. Het klimt omhoog en slingert daarna opnieuw langs heuvels en dalen en biedt weer fraaie uitzichten over de Havel. In de verre verte duikt soms de stad even op. Dat is de wijk Spandau. Hier en daar heeft men treden gemaakt om de helling beloopbaar te maken en dan is het even inspannend.

Wanneer je opnieuw de asfaltweg bereikt steek je weer over en volgt die weg ongeveer 300 meter via een fietspad aan de linkerkant. Wanneer je aan de overkant een dichtgegroeide toegang ontdekt (naar de hier kennelijk verwaarloosde Havelhöhenweg) daal je linksaf via een van de  paden af naar de oever. Je bent dan aan de Lieper Bucht, een populair recreatie- en watersportgebied met kleine stranden, oude wilgen en romantische baaien met hoge rietkragen. Het kan hier druk zijn, maar het is een plezieriger pauzeplek dan het doorgaans volle terras van de Grunewaldtoren

Verder langs de kust lopend bereik je na enkele honderden meters opnieuw de trappen van de Havelhöhenweg, weer goed voorzien van kleurige merktekens. Het pad klimt hierna 80 meter omhoog naar de Karlsberg waarop de Grunewaldtoren staat. Er lopen hier zoveel paden dat je de route gemakkelijk kwijtraakt, maar dat is opnieuw geen probleem: alle klimmende paden leiden naar de toren.

Je bent nu ruim halverwege de wandeling. Grunewald toren is een prima plek om te pauzeren als je het niet vervelend vindt om je koffie of fris te drinken tussen groepen toeristen die met bussen zijn aangevoerd. Het uitzicht over het grote water van de Havel is opnieuw ogenstrelend, vooral vanuit de hoge toren. Op de straat die erlangs loopt is een bushalte voor de wandelaar, die vindt dat het mooi is geweest. In beide richtingen bereik je snel een S-Bahnhof.

 

Het tweede deel van de wandeling is gemakkelijker: de wegen zijn breder en er zijn minder hoogteverschillen. Wanneer je ook dit tweede deel wilt lopen, steek je de weg over en ga je voorlangs de hoofdingang van het Gaststatte Waldhaus – met een rustiger terras dan de toren - opnieuw een breed bospad op. Dit bos is veel dichter dan het vorige. Na ruim een halve kilometer (volgens de Duitse wandelgids, het lijkt meer) bereik je een ingewikkeld kruispunt: vlak voor dat kruising komt van rechts een pad dat je moet negeren; op de kruising (met een granieten wegwijzer aan je rechterhand) sla je linksaf en dan na 20 meter weer rechtsaf. Dat pad leidt naar een groot boswachtershuis achter hoge hekken.

Voor het huis sla je linksaf. Aan het eind van het hek ga je tussen twee stenen paaltjes door een smal pad op, dat langs een omheind natuurgebied loopt. Het wordt snel weer breder en gaat even later het beschermde natuurgebied Saubucht binnen. Waarom dit terrein speciaal is afgeschermd is niet duidelijk. Je passeert enkele schuilhutten en na een tijdje een grote zwerfsteen, bij de splitsing erachter ga je als vanzelfsprekend rechtsaf.

Je blijft het brede bospad volgen, negeert enkele zijpaden. Het bos is hier opnieuw niet erg opwindend, maar wel aangenaam stil. Op dit deel van de route kom je overigens wel af en toe fietsers tegen, vaak Nederlanders. Na een tijdje ontdek je drie kleinere zwerfstenen en op dat punt zie je even verderop een wegkruising met een wegwijzerbord. Die kruising steek je recht over. Het pad leidt daarna naar Teufelsee, die je na enkele honderden meters links in de diepte ziet liggen. Ook dit meertje is een populair recreatiegebied (o.m. met een naaktstrand). Je loopt langs het water richting het natuurbeschermingscentrum Okowerk Teufelsee. Dat is goed herkenbaar aan een hoge witte toren. Loop verder langs het hek.

Vanaf de parkeerplaats achter dit educatieve centrum lopen diverse paden naar de ruim 500 meter hoge Teufelsberg, opgebouwd uit oorlogspuin uit de Tweede Wereldoorlog. Het beklimmen van die heuvel vergt enige inspanning, maar is de moeite waard. Vanaf de kale top heb je namelijk een groots uitzicht, nu over de stad. De diverse afdalingen gaan weer richting stad; ze komen uit op een parkeerplaats aan de Teufelseechaussee. Je kunt via deze rustige (lokale) verkeersweg je route vervolgen richting bebouwing, maar het is plezieriger om dat via een parkpad te doen dat 50 meter verder aan je linkerhand begint. De wandeling eindigt (voor ons na ongeveer vijf uur) bij het S Bahnstation Heerstrasze.


De Grunewaldtoren 

Dit is een van de historische torens van Berlijn. Ze werd in 1899 gebouwd naar een ontwerp van de architect Franz Schwechten. De gemeente Teltow - nu een Berlijnse wijk - gaf opdracht tot de bouw ervan bij de herdenking van de honderdste geboortedag van keizer Willem 1. De 55 meter hoge bakstenen, neogotische toren droeg aanvankelijk dan ook zijn naam. Pas na de tweede wereldoorlog kreeg het toen al populaire uitzichtpunt de naam Grunewaldturm, naar het gelijknamige bos.

Op oude prenten, zoals een houtsnede uit de werkplaats Otto Ebel, is goed te zien dat het druk versierde bouwwerk vroeger op een open plek lag waardoor de vele ornamenten, bijtorens, trappen en terrassen goed zichtbaar waren; nu sta je er plotseling voor en moet je enige moeite doen om het complex goed op de foto te krijgen. Het beste overzicht heb je vanaf de parkeerplaats; aan de andere kant belemmert een groot restaurant annex biertent de onbelemmerde blik op met name de monumentale onderkant van het bouwsel.

In de hoge hal van het basisgebouw staat een witmarmeren standbeeld van de keizer onder een neogotisch gewelf met mozaïekversieringen. Mooi? Een kwestie van smaak. De drukke versieringen zijn in elk geval wel kenmerkend voor een interessante periode uit de Duitse architectuur. Vergelijkbare bouwsels vind je op diverse plaatsen in Berlijn en in veel andere Duitse steden.

De Grunewaldturm is dus alles behalve uniek, maar desondanks de moeite waard omdat het een markante punt is op deze wandeling. En het uitzicht is misschien wel bijzonder. Via een lange trap kun je omhoogklimmen naar een platform, dat wijds uitzicht biedt over de diep gelegen Havel en de beboste heuvels, waar je eerder overheen bent gelopen en de bossen richting stad die nog op ontdekking wachten.

 

(met afbeelding van bouwtekening/ via internet)

 
 Keizertijd 

Grunewald was in de 19e eeuw een geliefd jachtgebied van de Pruisische adel. Op een plaquette aan de landzijde van de toren wordt Willem 1 weliswaar nog als koning betiteld, maar het vorstenhuis zelf was die fase al voorbij en noemde zichzelf keizerlijk. …..

.

  

      .

een nieuwe kenniskloof

  Internet als groeiend risico voorde wetenschapscommunicatie 

De klassieke kenniskloof tussen groepen mensen met verschillende opleiding wordt steeds meer wordt gedicht. Dat hangt samen met de opkomst van nieuwe media, met name internet. In plaats van deze oude kenniskloof dreigt echter een nieuwe te ontstaan: tussen verschillende soorten kennis. Ook dankzij internet. 

De Amerikanen Tichenor c.s. lanceerden in 1970 de hypothese dat, als men informatie over bijvoorbeeld wetenschap, techniek of politiek verspreidt via massamedia, mensen met een hogere sociaal economische status (SES), daarvan meer profijt hebben dan mensen met een lagere SES. Daardoor neemt het verschil in kennis tussen beide groepen toe (Tichenor e.a., 1970). De auteurs leken daarmee aan te tonen dat het verspreiden van (moeilijke) informatie via de pers de ongelijkheid in samenleving vergroot. Dag- en weekbladen zouden de kenniskloof tussen groepen mensen in de maatschappij verbreden door onder meer het verschil in gebruik van de gedrukte media tussen die groepen. De auteurs lanceerden hun idee als hypothese en er is veel discussie geweest over de houdbaarheid daarvan. Rogers cs hebben de ideeën van Tichenor c.s. gerelativeerd in hun diffusie-onderzoek. (Rogers, 1962 en 2003) Maar het idee van een kenniskloof leek zo sterk, dat deze hypothese een eigen leven ging leiden; ze was niet meer weg te denken uit de discussies binnen en rond communicatiewetenschap.

De commotie rond de kenniskloofhypothese hangt waarschijnlijk samen met de veronderstelling dat zo’n kloof ernstige gevolgen kan hebben voor de samenleving. Als de verschillen in kennis over maatschappelijk relevante zaken groter worden, zullen steeds meer mensen immers worden buitengesloten bij het nemen van beslissingen op belangrijke terreinen, bijvoorbeeld rond genomics of in het klimaatdebat. Dat was niet de bedoeling. Populariseren van wetenschap en technologie motiveren of moeten we nu zeggen: motiveerden, we juist o.m. door de democratiserende kracht ervan.Vertaald naar de wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) betekent de hypothese van Tichenor c.s. ook dat populariseren van wetenschap de verschillen tussen mensen in science literacy vergroot. En ook dat is niet de bedoeling. We willen immers juist zoveel mogelijk mensen betrekken bij de ontwikkeling en inpassing van innovaties. Stappers meende dat men dat risico overdrijft. Hij sprak gekscherend over de mythen van de informatiekloven (Stappers, 1993). Niet iedereen hoeft volgens hem van alles te weten. Hij illustreerde dit met het voorbeeld van het beheersen van de Italiaanse taal. Het is volgens hem niet nodig dat iedereen Italiaans spreekt. Zo’n kenniskloof zou zelfs wenselijk zijn, of tenminste onvermijdelijk.We menen dat hij zijn publiek daarmee op het verkeerde been zette. Het is inderdaad doorgaans geen probleem als je geen Italiaans spreekt, maar zo’n kloof kan wel ernstig zijn als ze ontstaat op het terrein van bijvoorbeeld de behandeling van aids of ten aanzien van de stralingsrisico’s van gsm’s of over de islam d.w.z. op het terrein van maatschappelijk relevante vraagstukken. Onkunde kan dan gemakkelijk valse hoop of onterechte vrees oproepen. 

De soep wordt natuurlijk niet zo heet gegeten als ze wordt opgediend. De kenniskloofhypothese van Tichenor cs was gebaseerd op onderzoek naar dag- en weekbladen. Maar wanneer je de effecten van TV-kijken onderzoekt, ontstaat al een ander beeld: moeilijke informatie zoals DNA-onderzoek blijkt dan ook mensen met minder scholing te bereiken, bijvoorbeeld via het populaire programma CSI. Tichenor en ook anderen noemen TV daarom een knowledge leveler.  Beter opgeleiden hebben via dag- en weekbladen hun kennis opgevijzeld; lager opgeleiden lopen hun kennisachterstand in doordat zij meer TV kijken. De verschillen worden daardoor min of meer genivelleerd. Je kunt in dit kader ook spreken van een ceiling-effect: de hoger opgeleiden zitten op een terrein zoals DNA-onderzoek al aan hun kennisplafond. Lager opgeleiden kunnen daardoor hun achterstand inlopen. Wij denken dat er meer aan de hand is. De kenniskloof verdwijnt niet alleen doordat TV-kijkers met minder opleiding, hun feitenkennis bijspijkeren. Door de opkomst van TV wordt het verschijnsel wetenschap gepopulariseerd. Wetenschap wordt gewoon; wetenschap en techniek worden gemeengoed. De ivoren toren zakt in elkaar.Voor veel mensen was wetenschap iets op nauwelijks of onbereikbare hoogte. Doordat wetenschap en techniek alledaags worden, zijn steeds meer mensen in staat die kennis te begrijpen en te incorporeren in hun dagelijkse leven. Aansprekende voorbeelden daarvan vind je in de voedingsinformatie en de ict. Hamelink (1999) introduceerde in dit verband de term informatiekapitaal. Het gaat volgens hem niet alleen om feitenkennis, maar ook om het vermogen om daarmee om te gaan. In het voetspoor van de economische nivellering wordt ook dit vermogen eerlijker verdeeld. Meer mensen leren steeds beter om meer (wetenschappelijke en technologische) kennis te benutten. 

Maar hoe kun je TV als bron van kennis beschouwen? Er zijn in Nederland nauwelijks wetenschapsprogramma’s en ook in de rest van Europa zijn ze zeldzaam. Het gaat bij deze verspreidingsprocessen niet op de eerste plaats om programma’s over wetenschap en techniek. Op TV vind je wetenschap en techniek in allerlei omgevingen. Kijk naar Sesamstraat, naar Teleac, het Journaal, naar het pretprogramma Hoezo!, naar actualiteitenrubrieken, quizzen, OU programma’s en de ziekenhuisseries zoals ER.Ook ziekenhuisseries? Ja, we hanteren een brede definitie voor wtc. Die vindt u ook in het Basisboek wetenschapscommunicatie. (Willems, 2007) Het gaat bij deze definitie van wtc niet alleen om de resultaten van academisch onderzoek, maar om het populariseren van kennis in het algemeen. Ook gezondheidscommunicatie, milieueducatie en dergelijke rekenen we daarom tot de wtc omdat ook daarbij academische kennis wordt gepopulariseerd. 

Als de kenniskloof minder diep of minder breed is geworden door de opkomst van TV, dan moet de opkomst van digitale media zoals internet tot verdere opvulling c.q. versmalling van de kenniskloof leiden. Dankzij internet is informatie immers nog gemakkelijker toegankelijk geworden. Via Google en Wikipedia is alles, altijd beschikbaar. Dat betekent onder meer dat het algemene publiek nog gemakkelijker toegang heeft tot informatie over bijvoorbeeld klimaat, genomics, overgewicht en kernenergie. Van Dijk schrijft in het Jaarboek ICT & Samenleving dat internet waarschijnlijk een veel groter gewicht in de communicatieschaal legt dan enig ander medium daarvoor heeft kunnen doen (van Dijk, 2007; Steyaert & de Haan, 2007). Een en ander betekent dat digitale media zoals internet door hun lage drempel en brede bereik, veelbelovend kunnen zijn voor de wetenschaps- en techniekcommunicatie. Misschien worden ze in de toekomst zelfs gezichtsbepalend.  

Gebruik internet Om de nieuwe mogelijkheden van internet voor de wtc te verkennen moeten we even stil staan bij het gebruik van internet. Wat doen mensen op het web? Zoeken zij wel naar informatie, bijvoorbeeld over wetenschap en techniek? Of spelen ze vooral spelletjes? Of is e-mail of telebankieren de belangrijkste ict activiteit? Daarover is recent onderzoek gedaan door het CBS. Dat is samengevat in het al eerder genoemde jaarboek ICT & Samenleving (Steyaert, J en J de Haan, 2007). We hebben enige cijfers eruit gelicht. 

Internetgebruik (een selectie)Spreiding over drie opleidingsniveaus Wat doen mensen op internet?                           Hoog opgeleid                        midden                        laag opgeleid 

Informatie vergaren               96%                            92                    82
Spelletjes spelen                     39                               48                    61
mailen/chatten                       24                               38                    55 
bron: ICT & Samenleving 

 Volgens eerder onderzoek zou men het internet vooral benutten voor communicatie: mailen en gamen. Maar volgens het recente CBS ondersoek gebruiken veel mensen internet vooral om informatie te zoeken. Het gaat hen dus net op de eerste plaats om de communicatie, maar om de zgn. content. Dat zal niet altijd wetenschap of techniek zijn (maar bijvoorbeeld ook vertrektijden van de trein of telebankieren), maar het eerder genoemde jaarboek laat ook zien, dat veel gebruikers niet terugschrikken voor steviger kost. Op Google wordt veel naar serieuze informatie gezocht; Wikipedia biedt niet veel anders. En wat voor het algemene publiek lijkt te gelden, geldt ook voor journalisten. Recent Nijmeegs onderzoek laat zien dat zij in toenemende mate internet benutten voor het zoeken naar informatie: bijna de helft doet dat dagelijks, slechts vijf procent doet dat nooit. Volgens het Nijmeegs onderzoeksrapport is internet ‘een niet meer weg te denken hulpmiddel voor de hedendaagse nieuwsproductie’ (Pleijter, 2007). 

Als internet een hoofdrol gaat spelen in de wtc, biedt dat ook mogelijkheden de oude wtc-idealen opnieuw voor het voetlicht te halen. Wetenschaps- en techniekcommunicatie lijkt verworden tot een louter marketing instrument. Men benut het steeds vaker alleen om fondsen te werven, studenten te trekken en voor andere economische doelen. Kijk naar het programma van het Deltaplan Beta-techniek, naar de doelstellingen van het science center Nemo. Economische valorisatie lijkt het enige of tenminste, het belangrijkste bestaansrecht (geworden). Democratische en culturele motieven zijn naar de marge verbannen. Dat vinden we een achteruitgang, een verschraling van de doelstellingen. Wetenschap is meer dan economisch nuttig. Het is een deel van onze cultuur.We verwachten bovendien dat via internetsites zoals Kennislink de eigen interesse van mensen een nieuwe kans krijgt. Je zoekt idealiter iets op internet omdat jij dat wilt weten, niet omdat een voorlichter vindt dat je het zou moeten weten omdat er bijvoorbeeld meer interesse moet ontstaan van bèta en techniek. 

Nieuwe kenniskloof Een hoofdrol voor internet in de wtc is echter niet zonder risico’s: er staat namelijk zeer veel onbetrouwbare informatie op het net. Als mensen informatie van internet gaan halen, wat vinden ze er dan? Als ze meer willen weten over bijvoorbeeld de klimaatverandering of over de relatie leefwijze en overgewicht of over HIV. Wat biedt het internet dan?We hebben de sterke indruk dat er op het internet erg veel semikennis en regelrechte onzin staat. Of het nu over klimaatverandering gaat of over het ontstaan van obesitas of over de beste behandeling van een erfelijke aandoening. Je vindt op internet de meest vreemde theorieën, adviezen, verklaringen en waarnemingen. Ook kwakzalvers en dubieuze reclamemakers kennen de weg op internet. Hamelink gaf zijn VU-oratie over internet de titel: de leugen regeert. Internet leent zich volgens hem uitstekend voor frauduleuze informatie. Vooral op het gebied van gezondheid is er volgens hem vaak sprake van bedrog. Mensen doen zich voor als deskundigen terwijl ze dat niet zijn. Op internet wemelt het van de kwakzalvers, die namaakmedicijnen en gevaarlijke diëten voorschrijven (Hamelink, 2002). Dat kan volgens hem bijzonder vervelende gevolgen hebben want veel mensen zien het internet als een soort medische bibliotheek, waarin men betrouwbare informatie vindt. 

Willems heeft een groot aantal sites en blogs bekeken over klimaatverandering. Uit die verkenning is de indruk ontstaan dat er ook over klimaat erg veel ongefundeerde informatie op het internet staat. Doordat de toegang doorgaans vrij is, kan iedereen alles verspreiden, ook onzinnige verklaringen en andere niet-geverifieerde informatie over bijvoorbeeld het gat in de ozonlaag, de rol van CO2 in de opwarming van de aarde, het nut van energiebesparing. Doordat er veel meer niet-deskundigen op internet actief zijn dan deskundigen, zal de toename van onbetrouwbare informatie ook veel groter zijn, dan die van betrouwbare informatie.  

 Kwalitatief onderzoek naar de betrouwbaarheid van ’klimaat sites’ 
Kwaliteit sites:                                              Betrouwbaar  onbetrouwbaar     onzin           
Oorzaken en gevolgen klimaatverandering              +               +++         ++     
Idem van het gat in de ozonlaag                               ++            ++            +
Idem van de zeespiegelstijging                                  +               +++         ++
Idem van de rol van CO2                                          +               ++            ++
Idem van de Veranderingen in gletsjers                   +               +++          + 

Omdat de hoeveelheid onbetrouwbare kennis op internet sneller groeit dan de hoeveelheid betrouwbare, neemt de kloof tussen beide soorten kennis snel toe. De onbetrouwbare kennis overspoelt de rest; betrouwbare informatie verdrinkt in de onzin, reclame en ongeverifieerde ideeën.Kortom: er ontstaat een snel breder wordende kenniskloof, tussen twee soorten kennis: gefundeerde en ongefundeerde kennis, betrouwbare en onbetrouwbare informatie.   De toenemende onbetrouwbaarheid van internet komt ook naar boven in het eerder genoemde Nijmeegse onderzoek. Ruim een derde van de journalisten noemt de informatie van internet onbetrouwbaar; in 2002 was dat nog geen 20 procent. De groeiende onbetrouwbaarheid van kennis op internet is ernstig omdat het zeer schadelijke gevolgen kan hebben, met name als het om maatschappelijk relevante informatie gaat. Herinnert u zich de uitspraken van de Zuidafrikaanse president Mbeki over aids? Hij betoogde dat HIV niet de oorzaak kon zijn. Hij had dat gelezen op internet. Mbeki heeft daarmee ongetwijfeld de verspreiding van aids in Zuid Afrika in de hand gewerkt (van Strien, 2007).Onjuiste informatie kan ook valse hoop bieden, bijvoorbeeld op nieuwe kankertherapieën (de affaire Buck); het kan riskante zelfmedicatie bevorderen (de interferon affaire), het kan onredelijke verwachtingen oproepen ten aanzien van het probleemoplossende vermogen van de techniek, enzovoort. Onjuiste informatie kan onterechte vrees creëren, bijvoorbeeld voor de straling door gsm-masten, voor additieven in voedingsmiddelen, voor de islam. 

Betrouwbaarheid Wanneer is informatie betrouwbaar? Wanneer is kennis juist? Het lijkt zinvol om informatie over wetenschap en techniek te onderscheiden in vier categorieën

- Wetenschappelijke informatie (bijv op site van Kennislink, het Erfocentrum of het Voedingscentrum)

- Onderling gecontroleerde ervaringsinformatie (zoals op de sites van zgn. gezondheidscommunities zoals HIVnet)

- Onvoldoende gecontroleerde informatie/ halve waarheden (zoals soms bij Greenpeace)

- onzin. 

We beschouwen informatie dus als betrouwbaar als zij volgens academische normen is verkregen of door onderling gecontroleerde ervaring van relevante leken/patiënten is verworven. Bij wetenschappelijke informatie wordt de juistheid min of meer gewaarborgd door de zgn. peerreview. Bij de ervaringskennis die je op internet communities van o.a. patiëntenverenigingen tegenkomt, lijkt het zelfreinigende vermogen door onderlinge controle voldoende om de kwaliteit van de informatie te garanderen. Informatie over bijvoorbeeld bijverschijnselen van een behandeling wordt er gecombineerd met communicatie daarover. Sites zoals HIV-net en Hypomaarniethappy zijn daarvan fraaie voorbeelden (de Bruin en Ventevogel, 2007).Dat betekent dat wij niet alleen de pure onzin van kwakzalvers en sommige reclamemakers als onbetrouwbaar karakteriseren maar ook de categorie halve waarheden (zoals bijvoorbeeld in het klimaatdebat soms aan de orde komen) als zodanig typeren. 

Bescherming? Er is dus een probleem. Als internet zo belangrijk kan worden voor de wtc als menigeen denkt, en als er zo veel onbetrouwbare kennis via internet wordt verspreid als wij veronderstellen, dan loop de wtc een fors risico met dit nieuwe medium: misinformatie en de daaruit voortkomende valse hoop en onterechte vrees.Hoe kun je dat risico verkleinen? We zien (tenminste) vier mogelijkheden

:-een keurmerk voor betrouwbare informatie

- selectie van het aanbod dwz een redactie zoals in sommige internetcommunities;

- begeleiding bij het zoeken naar informatie.

-Een vooral: meer wetenschappers op internet; 

We zullen deze mogelijkheden kort de revue laten passeren.Over het nut van een keurmerk voor betrouwbare informatie lopen de meningen sterk uiteen. Je hebt believers en non-believers. Keurmerken zoals QMIC voor medische websites zouden volgens de een, mensen beschermen tegen non-informatie (Vedder, 2006). Maar volgens anderen hebben alle pogingen om via een keurmerk de kwaliteit te bewaken, tot nu toe niet gewerkt (de Bruin en Ventevogel, 2007). Providers moeten dan meewerken en dat lijkt een probleem. We laten die discussie hier met rust. 

Het risico van de verspreiding van onjuiste informatie kun je waarschijnlijk wel goed beperken door de vrije toegang te bewaken, bijvoorbeeld door het instellen van een redactie of moderator.Het Amerikaanse edu-net wordt al op deze manier beschermd tegen mensen met wilde informatie en ook Wikipedia probeert dat. Als (ervarings-)deskundigen aangeboden informatie systematisch controleren, is het mogelijk om onbetrouwbare informatie min of meer te weren. Redacteuren doen idealiter niet anders. En ook internet-communities kunnen als filter fungeren. Volgens het onderzoek van De Bruin & Ventevogel treedt er in die communities een zekere controle op door de leden van de community: de lotgenoten Ongefundeerde informatie wordt vaak door de medepatiënten of lotgenoten gecorrigeerd. Als dan niet of onvoldoende gebeurt, degradeert zo’n community doorgaans en sterft dan af (De Bruin & Ventevogel, 2007). 

Het risico van misleiding kun je (daarnaast) ook beperken door mensen te begeleiden bij het zoeken op internet. Door mensen te helpen op hun zwerftocht over het web kun je het risico inperken dat zij onjuiste, onbetrouwbare informatie als betrouwbaar aannemen en bijvoorbeeld meenemen naar hun huisarts of medisch specialist. Dat gebeurt in het onderwijs. Bos (VU, Amsterdam) onderzocht in zijn promotie-onderzoek op welke manier je vwo-leerlingen kunt coachen bij hun zoektochten nop het web, in zijn geval bij het zoeken naar informatie over ecogenomics. Dat lijkt kansrijk. Het coachen van informatiezoekers kan een nieuwe functie worden van de wetenschapscommunicatie. Hoorn (2007) heeft daarover tijdens het congres Sharing Knowledge 2007 een idee gelanceerd.

Een vierde mogelijkheid om de risico’s van een nieuwe kenniskloof in te dammen, is dat wetenschappers worden gestimuleerd om zèlf meer het internet op te gaan. Als zij meer informatie op internet zetten, groeit de hoeveelheid geverifieerde informatie immers sneller dan nu het geval is en daardoor versmalt de kenniskloof. Dit gebeurt al op het zgn. Darenet, een open access database, waarop onderzoekers hun publicaties kunnen achterlaten. Maar die informatie is niet gepopulariseerd en daardoor slecht toegankelijk. Populariseren van wetenschap en techniek gebeurt ook al. Op Wikipedia, op de site van Alpha Galileo, Kennislink en op vergelijkbare sites. Dat gebeurt nog te weinig.Wanneer je meer wetenschappers wilt overhalen om te populariseren op internet, dan vraagt dat ook om het vergroten van hun communicatievaardigheden. Veel onderzoekers kunnen niet communiceren met leken of kunnen dat niet meer. Ze moeten diverse communicatiebarrières overwinnen in hun contact met de rest van de samenleving en daartoe moeten ze onder meer opnieuw leren communiceren (Willems, 2003). Wetenschappers beter trainen in communicatie is in het universitair onderwijs niets nieuws. Nederland kent sinds het zgn. bètaconvenant een Communicatie/ Educatie onderwijsprogramma voor bèta’s. Aan de zes algemene universiteiten en de drie TU’s bestaan min of meer stevige CE-programma’s voor wetenschapscommunicatie en –educatie.

Maar trainen alleen lijkt niet voldoende. Wetenschappers moeten ook de kans krijgen om zelf te populariseren op internet. Het is in ons land nog niet vanzelfsprekend dat zij dat doen, zoals in de UK en de VS. Naast vaardigheid is dus ook mentaliteitsomslag nodig, met name bij superieuren. Populariseren van wetenschap wordt namelijk doorgaans niet gewaardeerd door hoogleraren, afdelingshoofden en andere leidinggevenden. Colleges van Bestuur van universiteiten bepleiten het publiek maken van wetenschap weliswaar regelmatig; de meeste universiteitsbestuurders bepleiten dus naast de populaire economische valorisatie ook de zgn. maatschappelijke. Maar de subtop handelt er niet naar. Nog steeds worden onderzoekers berispt door bijvoorbeeld hun hoogleraar, omdat ze (te) veel tijd hebben gestoken in het schrijven van bijvoorbeeld een populairwetenschappelijk artikel of voor het deelnamen aan een Open Dag. Daartoe zijn zij niet aangesteld, zegt men dan, dat levert geen geld en geen publicaties op. Kortom, internet biedt nieuwe kansen aan de wtc, maar vergroot ook het risico van valse hoop en onterechte vrees. Dat risico wordt vergroot door het ontstaan van een nieuwe kenniskloof d.w.z. door de groeiende hoeveelheid onzin op het internet die de betrouwbare kennis dreigt onder te sneeuwen. Er zijn diverse manieren om daartegen iets te doen, onder meer het stimuleren van onderzoekers om zelf meer op internet te populariseren. De universiteiten kunnen daarbij een toonaangevende rol spelen, onder meer door betere scholing. Maar dat zal waarschijnlijk niet spontaan gebeuren. Daartoe ontbreekt in Nederland de traditie. Daarvoor is regie nodig. Wie neemt die handschoen op? OCW houdt zich stil als het om wtc beleid gaat. Ook NWO en de KNAW schijnen geen regie te willen voeren op dit terrein. Dan moeten de universiteiten het zelf doen. Economisch niet interessant? De financiële ruimte is er. De vorige OCW-minister zei ooit dat vijf procent van het universitaire budget aan wetenschapscommunicatie besteed zou moeten worden. Misschien moeten we dat idee weer eens oprakelen.  

Bonfadelli, H. (2002).  The internet and the knowledge Gaps.Journ Journal of Communication 17-1: 65-84.

De Bruin, J. en A.Ventevogel  (2007).  Patiëntencommunities op het web. Amsterdam: VU University Press.

Dijk,  J. van (2005). The Deepening Devide. Inequality in the Information Society. Londen: Sage

Garrison, B. (2003). How newspaper reporters use the web to gather news. Newspaper Research Journal 24-3: 62-75.

Hamelink, C. (1999). Digitaal fatsoen. Amsterdam: Boom.

Idem (2002). De leugen regeert. Over leugen en bedrog in de informatiesamenleving (oratie). Amsterdam: VU Uitgeverij.

Metzer, M c.s. (2003). College student web use, perceptions of information credibility and verification. Computers & Education 41: 271-290.

Pleijter, A. c.s. (2007).De opmars van online nieuwsgaring. Nijmegen: Radboud Universiteit.

Rogers, E. c.s. (1962 en 2003).Diffusion of innovations.  New York: Free Press.

Stappers, J. (1993). De mythen van communicatie.In: handboek wetenschaps- en technologievoorlichting(ed. Willems, J. en E. Woudstra)Groningen: Martinus Nijhoff.

Steyaert, J en J. de Haan (ed.) (2007). Jaarboek ICT en samenleving. Amsterdam: Boom.

Strien. W. van (2007). Slechte medische informatie is moeilijk van internet te weren. Ethiek & Beleid 7-1: 28-31

Tichenor, Ph., G. Donohue and C. Olien (1970). Mass media flow and differential Growth of knowledge. Public Opinion Quarterly 34-2: 159-170.

Vedder, A. (2006). Relying on the quality of information on the Internet: ethical and legal aspects. Journal of Information, Communication & Ethics in Society 4-1.

Weigold, M. en D. Treise (2004). Attracting teen surfers to science web sites. PUS 13-3: 229-248.

Willems, J. (2003). Bringing down the barriers. Nature 422: 470.

Willems, J. (2007). Het wtc landschap.In: Basisboek Wetenschapscommunicatie.(ed. Jaap Willems) Amsterdam: Boom Onderwijs.              

 

waddentocht

 

Volgens admiraal Richard D was de waddentocht van 2010 zeer bijzonder: voor het eerst hebben de deelnemers drie Waddeneilanden bereikt (R zou zelfs gespeeld hebben met het idee om ook nog Ameland aan te doen. Dat werd tijdig verijdeld). Een record. Dat zal wel zo zijn, maar het bereiken daarvan was geen sinecure: de Waddenvaart 2010 was een pittige week. Voor alle deelnemers? Voor ons in elk geval wel. Het was de eerste keer en die was avontuurlijk en leerzaam, vaak erg gezellig, maar ook inspannend. Desondanks zeer de moeite waard. Iedereen: bedankt.

 Hoorn-Makkum

Het enthousiaste vertrek om 8.00 uit reünieplaats Hoorn verliep aanstekelijk chaotisch: de veertien deelnemende schippers hadden er duidelijk zin in en men kon dan ook nauwelijks op elkaar wachten. Begrijpelijk. Een stevige noordenwind blies de meeste schepen binnen twee uur naar de sluis van Enkhuizen. Daar kregen wij echter de eerste tegenslag: de grote Genua bleef ergens haken. Door nog steeds onduidelijke oorzaak rolde het bovenste deel niet volledig op waardoor onze Jara schadelijk tegen het remmingwerk voor de sluis werd gedrukt. Met hulp van Henk (Alegria) werd dit probleem verholpen, maar het zette ons wel op een onhandige achterstand. Op het IJsselmeer kregen we daarna te maken met een stevige en toen nog ongebruikelijke noordenwind (5 tot 6) en dat verleidde me tot het zetten van te weinig voorzeil. Pas nadat Paul (USO) had gemaand meer genua uit te rollen schoot het een beetje op. Intussen had admiraal Richard (Cascade) diverse keren geprobeerd ons te bereiken om te vragen waar we in godsnaam uithingen, maar omdat we niet op de hoogte waren van de afspraak om via kanaal 10 contact te houden, bleef men lang in het ongewisse over onze positie. Pas om 17.00 liepen wij binnen, na een lange, koude dag.

 Makkum-Terschelling

Om tijdig op zee te zijn moesten we om 5.45 uit Makkum vertrekken, bij een vriendelijke (maar koude) NW wind (4 tot 5). Zo’n onmenselijk tijdstip is kennelijk de prijs die je moet betalen om het wad op te kunnen. Om 6.15 gingen we gezamenlijk door de sluis bij Kornwerderzand en daarna was iedereen plotseling vertrokken. Deze Waddengroep leek uit ervaren wedstrijdzeilers te bestaan want terwijl wij nog bezig waren stootwillen en landvasten op te bergen, schoten aan bakboord en stuurboord de zeilen omhoog en stoven de diverse Etaps de Boontjes over alsof de zeeduivel hen op de hielen zat of er een Grote Prijs te verdienen viel. Of was dat nu het Etap-enthousiasme?

Binnen een uur was iedereen voor Harlingen en het voordeel van een positie in het achterveld is dan dat je kunt zien waar de Pollendam moet liggen: statig sloegen de fraaie Etaps een voor een de vaargeul naar Terschelling in. Wij volgden, ondanks de waarschuwing van admiraal Richard dat dit niet de bedoeling is. Iedereen diende zijn eigen vaarplan te volgen. Op de Blauwe Slenk en de Vliestroom kon royaal worden gezeild. Kees (Mistral) had ons aangeraden om daar de eerste keer zonder voorzeil te varen, maar dat bleek te voorzichtig. De wind zat goed, de stroom stond gunstig, het water was diep genoeg en de ruimte meer dan royaal. Het ging zo voorspoedig dat we al snel voorin zaten en dat was nou ook weer niet de bedoeling. Waar lag op de Vliestroom de kardinaal, die de afslag naar de West Meep aangaf? Plezierig dat er andere Etaps waren want op het brede water voor het zeegat waren we even de weg kwijt. Even wachten op die enorme veerboot, die ook door de smalle Slenk wilde, en daarna omstreeks 12.00 voor het eerst in de haven van Terschelling. Plezierige ontdekking: al onze berekeningen klopten met die van de admiraal. Dat is hoopgevend.

 Terschelling-Vlieland

Na de gezamenlijke koffie met (hier en daar) gebak om 13.00 ( twee uur voor laag water) vertrokken voor de korte tocht naar het volgende eiland: 12 mijl verder. NO wind d.w.z. een te bezeilen route. Advies van Kees: het eerste stuk zorgvuldig de rode tonnen aan stuurboord houden. Een dergelijk advies sla je niet in te wind, totdat je ziet dat niemand dat doet. Iedereen sneed de bocht royaal af, ook Kees. Omdat we de aansluiting bij de armada niet wilden verliezen, moest er daarna even worden gesmokkeld d.w.z. de motor erbij. Terugkerende vraag: waarom maken wij vaak minder vaart terwijl we met eenzelfde type boot varen? Komt dat door het ontbreken van de grootschoot-overloop of gewoon door minder zeilervaring? Voor het eerst op het Stortemelk over een klein stukje Noordzee. Waren de golven echt anders? Opnieuw was er zo’n enorme veerboot die onverstoord naar de haven voer en daardoor iedereen dwong even in te houden.

In de nieuwe, ruime haven van Vlieland stonden diverse schippers te wachten om onder leiding van Peter en Jolanda (Bornia) iedereen naar de juiste plek te loodsen. Dat ging door de lastige wind niet vlekkeloos, maar met vereende krachten kwamen we toch nog fraai langs de steiger. De diverse kuipborrels lijken binnen de Etapclub uit vaste groepjes te bestaan, maar dat doet weinig afbreuk van het gemeenschapsgevoel want toen ik maar even aarzelende over het toereikend zijn van mijn brandstof bood Frank (Windstar) gelijk zijn reserve aan (als ik die daarna weer bijtankte, uiteraard).

 Vlieland-Texel

Weer vroeg weg (7.00) om tijdig over de Oude Vlie te kunnen varen. Admiraal Richard had omstandig gewaarschuwd voor de sterke vloedstroom tussen de haven van Vlieland en het Stortemelk en daardoor viel die niet tegen. Iedereen deed dat ogenschijnlijk moeiteloos. Fotogeniek gezeild op de Vliestroom en het Inschot, met in de verte steeds de gasinstallatie ter oriëntatie. De afslag naar de ondiepe Oude Vlie was niet te missen, het leek wel alsof je op een autoweg reed. De admiraal waarschuwde via zijn marifoon alle deelnemers om de tijd in de gaten te houden en dat leek niet tot dovemansoren gericht.

In het Scheurrak na de Oude Vlie bleken diverse mensen zeehonden te hebben gespot, maar zo’n eerste keer op het wad ben je vooral aan het varen en bovendien wisten we niet dat daar befaamde zeehondenbanken liggen. Volgende keer beter. Volgende keer? Wat voegt de Waddenzee toe aan het vaargenot als je niet droogvalt c.q. droog kunt/wilt vallen? Het is net zoals het IJsselmeer: groot water. Is het de stille dreiging van de droogvallende banken, het rekenen met tij en stroom, het zoeken van de weg dat de Waddenzee zo aantrekkelijk maakt voor veel zeilers? We moesten het nog ontdekken. In elk geval zijn diverse eilanden zeer aantrekkelijk en daar zelf naartoe varen is natuurlijk bijzonder.

Na het Scheurrak viel de groep snel uit elkaar op het brede water van de Texelstroom, waar de tonnen soms moeilijk te zien zijn. OudeSchild liet zich gelukkig gemakkelijk vinden door de diverse molens er omheen. Die staan keurig op de kaart. We realiseerden ons dat zoiets alleen de eerste keer een probleem is; daarna ken je de weg. Om 12.30 aankomst. Bij de borrel bleek gelukkig dat veel mensen moe waren, zelfs Richard. Morgen was er een rustdag ingepland, maar enkele mensen moesten desondanks afhaken omdat diverse plichten riepen.

 Texel- Enkhuizen

Twee uur voor HW (om 8.15) vertrokken voor een tocht over de Bollen. Wind (bf 4) uit het ZW en dus min of meer op de kop. In een stampende rij over het ondiepe en onrustige water op de banken voor Den Helder; bij de kleinere boten sloeg het buiswater soms over het schip. Kanaal 10 bewees nu zijn dienst want een van de kleinere Etaps had last van een haperende motor en kon via de marifoon door Richard worden begeleid. Wat doe je als op een dergelijke plek de motor uitvalt? Omkeren, zeil hijsen en terug naar diep water, naar Texel? Aan de havenmeester eventueel assistentie vragen om weer binnen te lopen? Of eerst hulp vragen aan de anderen? Die zouden je een sleep kunnen geven.

Via het VissersGaatje naar de sluis bij Den Oever; Richard bleef buiten wachten op de achterblijvers, de rest ging snel door de sluis en daarna waren we weer terug op vertrouwd water. De Waddenzee is uitdagend, avontuurlijk, boeiend, spannend, maar het IJsselmeer en het Markermeer hebben toch ook veel aantrekkelijks: vertrouwd en bekend, bijna overal voldoende diep en zonder vreemde stromingen, verplaatsende ondieptes en lastig getij. Niets ten nadele van de Waddenzee en de eilanden, maar terugkeren op het IJsselmeer gaf ontegenzeggelijk een goed gevoel.

Het slotdiner in de Mastenbar van Enkhuizen was zoals een slotdiner behoort te zijn: oergezellig en samenbindend. Admiraal Richard maakte het gezelschap trots deelgenoot van het gevestigde record, deelde de herinneringsschildjes uit en roemde de saamhorigheid

 Enkhuizen-Amsterdam

Sombere weersvoorspelling: veel wind uit het zuiden en grote kans op regen. Op het Markermeer waren nauwelijks andere zeilboten. Wij motorzeilden, ver voor ons voer/zeilde een ander schip dezelfde koers. De hele tocht naar Amsterdam bleven ze ons voor. Tijdens een regenbui op het IJmeer bleek dat we waarschijnlijk het hele traject achter de Bornia hebben gevaren. Die hebben gezeild, althans zo leek het. Er valt nog veel te leren!

 

diemerpark


Natuurbouw in het Diemerpark                                                                                  

redt de ringslang

 Wie de afgelopen tijd over de Diemerzeedijk fietste en/of de Nesciobrug over het Amsterdam Rijn Kanaal beklom, zal met enige verbazing naar de ravage tussen dijk en kanaal hebben gekeken. Wat werd daar gedaan? Waarom werd de natuurlijke begroeiing er weggehaald? Waarom de oude bramenstruiken gerooid? Wat een kale boel. Met grote machines was men kennelijk bezig er een parkje aan te leggen of moest dat nieuwe natuur worden? De werkmannen wisten niet wat ze aan het doen waren. Daarom maar eens gebeld met de stadsdeel ecoloog Els Corporaal.

 

Vraagje vooraf: wat doet een stadsdeel ecoloog in de winter als er in de natuur weinig te doen is? Domme vraag, hoor ik Els Corporaal denken. Ze zegt: ‘Er is swinters in het Diemerpark van alles te zien. Ik was er vanochtend: overal sporen in de sneeuw, van vossen, konijnen, wezels en hermelijnen. Veel vogels ook: winterkoninkjes, kraaien, roodborstjes en een roerdomp.' De stadsdeel ecologe komt dagelijks in haar Diemerpark en komt zelden op kantoor terug zonder iets bijzonders te hebben gezien. En wat doet zij op kantoor? Ambtenaren moeten veel vergaderen. Praten over nieuwe projecten zoals de uitbouw van de Ecologische Hoofd Structuur, overleggen over het vleermuizenonderzoek dat in het Diemerpark is uitgevoerd, vergaderen over het herprofileren van stads groen zoals bij de Douaneloodsen.

 

Wat gebeurt er met de strook natuur tussen de Diemerzeedijk en het kanaal?

Els Corporaal legt uit dat deze reep natuur onderdeel is van de landelijke Ecologische Hoofdstructuur, een aangesloten reeks grotere en kleinere natuurgebieden. Door een groot aantal natuurterreinen en terreintjes te verbinden kunnen planten en vooral dieren zich verplaatsen en dat is een voorwaarde voor hun gezondheid. Door heel Nederland probeert men natuurgebieden onderling te verbinden; het Diemerpark is daarvan een onderdeel.

Maar waarom moet het stuk onder de Nesciobrug dan op de schop?

Zij legt geduldig uit dat de lange strook tussen dijk en kanaal vooral interessant is vanwege de ringslangen, waterspitsmuizen en vleermuizen. Die hebben natte plekken nodig om bijvoorbeeld te foerageren. In het gebied rond de Nesciobrug was onvoldoende water en daarom is men doende dat daar aan te leggen. Logisch toch? Om de sloten en vijvers te kunnen graven moest een groot deel van de vegetatie, waaronder de bramen, worden verwijderd. Dat ziet er nu niet leuk uit, erkent ze, maar Els Corporaal verzekert dat je er over een jaar niets meer van ziet; dan heeft de natuur het nu kale terrein weer in bezig genomen.

 

Het nieuwe stukje natuur wordt overigens niet alleen gebouwd voor de ringslagen, spitsmuizen en vleermuizen legt Els Corporaal uit. Ze verwacht dat het ook veel vogels zal aantrekken. Langs het nieuwe water zal ongetwijfeld riet opkomen en daarin zal bijvoorbeeld de roerdomp zich kunnen thuis voelen, en ook de karekiet, de snor en het baardmannetje. Op het open water zul je de dodaars en de bergeend kunnen zien. Kortom, het kan een rijk gebiedje worden.

Toch merkwaardig om een dergelijk nieuw natuurgebied aan te leggen onder een brug en dicht bij een drukke wandel- en fietsroute.

Els Corporaal is niet bang voor verstoring want de ervaring heeft geleerd dat de meeste mensen zich niet in dergelijke natte gebieden wagen, ook honden lijken er niet van te houden. Een enkele natuurliefhebber dringt wel eens door de struiken heen, maar de meeste wandelaars, hardlopers, fietsers en andere Diemerparkrecreanten blijven op de verharde weg, weet zij. Ze vertelt dat men even heeft overwogen om hekken te plaatsen, maar dat idee is snel verlaten; de sloten, natte plekken en verwachte struwelen zullen het natuurgebied naar verwachting voldoende afschermen. Nee, hoe er het precies gaat uitzien, weet de stadsdeel ecologe ook nog niet want dat wordt aan de natuur overgelaten. Wordt er dan niets aangeplant? In eerste instantie zegt ze ferm nee, maar bij nader inzien herinnert ze zich toch dat er wel een aantal bomen zal worden geplant, vanwege zogenaamde zichtlijnen. Dat heeft de landschapsarchit

la palma

 

Twaalf dagen regen op La Palma

 

Je kent dat wel: slechte zomer achter de rug en nog vakantiedagen over. Nog even naar de zon. De Canarische eilanden lijken zonzeker, maar La Palma is dat alles behalve.

  Het begin is al weinig bemoedigend: vlak voor aankomst meldt de pilote dat het niet zeker is of we wel op La Palma kunnen landen. Het kleine vliegveld ligt onder een laaghangend  dik wolkendek en ze heeft een waarschuwing gekregen voor sterke grondturbulentie. En inderdaad, vlak voor de landing maakt ze een doorstart. We gaan naar Tenerife, om bij te tanken. Daarna zal ze het nog twee keer opnieuw proberen, meldt ze laconiek. Twee uur laten staan we alsnog op La Palma aan de grond. Het regent.

De hostess die ons geduldig heeft opgewacht legt glimlachend uit dat de vooruitzichten niet gunstig zijn want het is zuidenwind. Die houdt vaak een tijdje aan. Ze krijgt helaas gelijk en het natte weer is kennelijk niet uitzonderlijk want tot de vaste inventaris van ons fraaie appartement behoort een grote paraplu! Die hebben we diverse keren nodig: 12 van de 14 dagen regent het of is er grote kans op een bui. En het kan op La Palma ook erg hard waaien. Als we naar een van de jonge vulkanen in het zuiden gaan - waar het minder regent - wordt de wandeling over de kraterrand dringend ontraden omdat dit te gevaarlijk zou zijn. Het waait windkracht zeven. Later in de week doen we een geslaagde tweede poging; de wind is dan naar het oosten gedraaid en dat is minder heftig.

Toch komen er het hele jaar door tienduizenden toeristen naar La Palma, vooral wandelaars. Nederlanders en Duitsers zijn sterk oververtegenwoordigd. Wat vinden zij van dit sombere weer? Regen of wind: dagelijks trekken grote groepen lopers over een van de vele tientallen wandelroutes. La Palma meet slechts 28 bij 47 kilometer, maar heeft ruim 3000 km wandelpad in diverse moeilijkheidscategorieën. Veel wandelaars trekken er individueel op uit, anderen gaan mee met een van de vele excursies van de Nederlandse wandelorganisatie ter plekke: Natour.

Natuurlijk regende het niet continu. Twee dagen scheen de zon echt en vaak regende het niet voortdurend en was het alleen zwaar bewolkt. Door die bewolking zat de top van de fameuze Caldera vulkaan (2500 meter) meestal in de mist, behalve die ene dag, dat wij met een Natourgroepje over de hoge rand liepen!

De gids vertelde onder meer dat de weersomstandigheden op La Palma erg snel kunnen wisselen: ‘Je beleeft hier soms vier seizoenen op een dag.' De weergoden illustreerden zijn uitspraak onmiddellijk met een radicale weersomslag: van het ene moment op het andere stak er een harde wind op die ijskoude wolken over de rand joeg. De temperatuur daalde in rap tempo tot ruim onder de tien graden. Gelukkig waren we hiervoor gewaarschuwd, maar het was toch dusdanig onaangenaam dat de gids per gsm de bus opriep om eerder naar een afgesproken punt te komen.

Spannende ervaring. Dat wel.

            Een kritische vraag aan de hostess over het sombere weer wordt glimlachend gepareerd. ‘We adverteren met het zonovergoten Tenerife en met het groene La Palma. Hoe wordt zo'n eiland groen?'

storm


 Storm

Het zware weer verscheen onverwacht: plotseling was er die donkere lucht. Storm? Nu? Hier? De lauwe wind bouwde snel op. De zee werd onrustig. Zou het niet beter zijn om terug te gaan? Misschien was het niet te laat: de hoge hotels op het Norderney waren nog zichtbaar. Wanda zat als bevroren naar de donkere hemel te staren. Omkeren? When in doubt, keep out. Bij zwaar weer altijd uit de kust blijven. Dat is een tegennatuurlijk advies, want een normaal mens zoekt bij gevaar juist vaste grond onder de voeten.

Ik zag de opbollende wolken woedend op ons toe komen. Alsof wij iets hadden misdaan dat bestraft moest worden. In de verte was de lucht al zwart van de regen; tegen die achtergrond lichtte even een wit zeil op. Het water werd grauwer en de golven kwamen hoger en ze werden steiler. De eerste golftoppen braken. Wat is de overtreffende trap van angst? Wanda zat nog altijd als verdoofd. Ik riep haar en maakte de schoten los, startte de motor en draaide de boot met de kop in de wind. De zeilen klapperden vervaarlijk. Zij ontwaakte, sprong op en trok vanuit de kuip met sterke slagen de grote rolfok naar binnen. Omdat ik niet wist wat er zou gaan gebeuren, niet wist of de oprollijn van de fok het zou houden, zette ik het roer vast en ging voorzichtig naar voren om het opgerolde voorzeil vast te binden met een zeilband, twee zeilbanden. De boot rolde op haar zijkant door een extra hoge golf. Ik bleef hangen in de zeereling.

Wanda had onze reddingvesten te voorschijn gehaald. Dit werd menens. Toen ik het grootzeil liet zakken, rukten de eerste felle vlagen aan de mast. De wolken rolden nu over elkaar heen als vechtende beesten. Het kostte grote moeite het zeil beneden te krijgen en het bleek niet meer mogelijk om het veilig op de bergen. Alle resterende zeilbanden werden rond het rukkende zeil gesjord; meer konden we niet doen, het werd tijd om naar binnen te gaan. Grote golven beukten als mokerslagen op onze boot. Verwaaid water sloeg over. Ik had het roer vastgezet, maar dat functioneerde niet meer: de boot was een speelbal van de zwarte golven. We werden heen en weer geslingerd als een stuk wrakhout. Het water siste boos. Ik vond nog net tijd om een rubberen emmer te pakken en er een lange lijn aan te binden. Twee lange lijnen. Die zette ik overboord als sleepanker. Herinnerde me dat een dergelijke emmer de boot in een gunstiger positie zou kunnen houden: daardoor bleef die met de achterkant naar de golven liggen en dat voorkwam dat brekers tegen de zijkant zouden slaan. Als dat gebeurde zou de boot kunnen plat slaan, had ik ooit gelezen.

We hadden geen ervaring met zwaar weer, maar toch deden we een aantal noodzakelijke handelingen min of meer als vanzelfsprekend. Was waarschijnlijk te danken aan een boek over Zwaar Weer Zeilen. Ik had me na het lezen ervan voorgenomen dat ik tegen elke prijs zou voorkomen ooit zoiets te moeten meemaken. Nu was het zo ver. De storm was vlakbij: je hoort haar aankomen. Ik kroop ook naar binnen terwijl de boot opnieuw zwaar overhelde. Het schoot door mijn hoofd dat ze onzinkbaar is en dat stelde me even gerust, heel even. We moesten vooral aan boord blijven: dat bood de beste kans op overleven. Van binnenuit barricadeerde Wanda het toegangsluik. Zij had alle ramen gecontroleerd, zei ze, en alle afsluiters. Ze had ook opgeruimd zodat er zo min mogelijk door de kajuit zou slingeren als het erg heftig werd. Het voelde een beetje trots dat we dit zo efficiënt en harmonieus samen deden. Teamwork. En toen was ze er: de storm.

Van die storm herinnerde ik mij later vooral het lawaai. Wat is meer dan oorverdovend? De zee bonkte op de polyester scheepswanden alsof die kapot moesten, de romp kreunde en kraakte. De golven sloegen brullend wit tegen de raampjes. Overal om ons heen was water. Het want bromde als een bas. Het zeewater dat in de kuip sloeg, verdween gulpend door de loosgoten. De meeste andere geluiden waren vreemd.

Hoe lang had het geduurd? Achteraf bekeken was het hoogstens een uur geweest, maar tijdens het noodweer leek het eindeloos. Ik telde soms de klappen van de zee, soms de krakende marifoonberichten, soms de tellen tussen de neerslaande golven. Bij elke klaptegen de boot zette ik me schrap; Wanda lag opgerold in een hoek op de bank. Ze huilde geluidloos. De dreiging van schipbreuk werd niet genoemd; het risico van stranden op Norderney evenmin. Zullen we een noodsignaal uitzenden, vroeg ik retorisch?  Ik realiseerde me dat wij geen reddingvlot hadden. Stom? Ik hoorde een onbekend gekraak.

Wanda vroeg zich af waarom ik niet naar het weerbericht had geluisterd. Ik reageerde woedend dat we hadden afgesproken dat zij dat zou doen. Zij gilde dat ik de leiding had: ik moest daarom alles in de gaten houden. Ook het weerbericht. Juist dat. Ze riep nog meer, maar we konden elkaar niet meer verstaan doordat een van de kastjes openviel en blikjes en pakjes door de kajuit rolden. Dichttapen van de kastjes was ook een van de aanbevelingen uit het handboek over zwaar weer. Maar wij hadden ons niet kunnen voorbereiden. We hadden geen weersverwachting gehoord. Als we die wel had gehoord, waren we niet vertrokken. Een zware golf sloeg als een moker op het dak van de boot.

Over de marifoon kwamen berichten van schepen die in moeilijkheden waren. Er werd meer assistentie gevraagd dan er waarschijnlijk voorhanden was. In een melding was sprake van een mob: man over boord. Hoeveel kans maakte je als je dat overkwam? Het zou bij deze golfhoogte onmogelijk zijn om een drenkeling terug te vinden. Binnen blijven. In elk geval binnenblijven. De reddingboot van Norderney was op zee, meldde de marifoon herhaaldelijk. Ik rook Wanda's angst.

Onze boot beschikte over een binnenplotter, een gps waarop je kon zien waar we waren. Dat was een van de weinig geruststellingen: een van mijn angsten was dat we door de storm terug zouden worden gespoeld naar het eiland en daar zouden stranden. Schipbreuk. Op het schermpje was min of meer te zien dat onze positie weinig veranderde: de sleepzak deed zijn werk, zolang de lijn hield. Als dat zo bleef, konden we de storm rustig uitzitten. Nou ja, rustig? Het was nergens rustig. Ook in mijn kop stormde het. Ik had in mijn broek geplast.

Even plotseling als de storm was opgestoken, verdween ze weer. Het lawaai verminderde en het bonken van de golven nam af. Het nadeinen deed de boot rollen; dat was vervelend, maar niet angstig. Maar pas na een tijdje durfde ik het luik te openen en zag ik dat tussen de donkere wolken lichte plekken. Ik riep het zachtjes naar Wanda. Die wrong zich toen ook door het luik; ze zag zo grauw zoals eerder de lucht was geweest. We zeiden niets, keken een hele tijd naar boven, naar de zee. Ongelovig? Dit was een heuse storm geweest. We hadden die doorstaan, glimlachten aarzelend naar elkaar. Gezamenlijk overleven bindt ook. De vlag op de achtersteven en de oranje reddingboei aan de reling waren verdwenen. De mast stond nog. In de verte zag ik een ander zeiljacht, de fok aan flarden.

 

 

 

 

 

staar

 

Iedereen boven

de 50 heeft staar

 

"Ga maar eens vragen in de winkels voor verlichting: vijftigers kopen massaal nieuwe, sterkere lampen. En vijftigplussers klagen allemaal over te kleine letters. Staar hoort bij het ouder worden. Maar het is gemakkelijk te verhelpen: plaatsen van een nieuwe lens is een routine-operatie. We doen dat duizenden malen per jaar."

Dat zei de oogarts.

Maar de praktijk was minder gewoon.

 Vijftigplussers kennen het (alhoewel niet iedereen het zal toegeven): de teksten van richtingaanwijzers op stations en langs de weg worden moeilijk leesbaar, onderschriften op televisie verdwijnen te snel, krant lezen vraagt om steeds meer licht, je moet turen op het computerscherm om een e-mail te kunnen ontcijferen of de code van de bankoverschrijving in te invullen. Op naar de optometrist voor weer een nieuwe bril.

 Een opticien wil uiteraard graag verkopen, maar die van mij verzuchtte na enkele meetpogingen dat hij er "niets meer van kon maken." Weinig empatisch voegde hij er aan toe dat ik in het beste (...) geval staar had. Het adviseerde indringend om op korte termijn een oogarts te consulteren en omdat de ziekenhuizen lange wachtlijsten hebben, kreeg ik alvast het adres van een prive-kliniek in de buurt. De brillenverkoper verzekerde me geen enkel persoonlijk belang te hebben bij dat bedrijf.

Wachtlijsten? Zoiets controleer je natuurlijk. De afdeling oogheelkunde van het Academisch ziekenhuis bleek inderdaad een wachttijd van ruim een jaar te hanteren en ook enkele perifere ziekenhuizen lieten weten mij niet op korte termijn te kunnen helpen. Bij de prive-kliniek Oogheelkunde Rijswijk kon ik binnen 14 dagen terecht.

 De dependance ligt op een bedrijventerrein buiten Warmond en heeft weinig allure; het maakte duidelijk dat je in een ander domein van de gezondheidszorg terecht komt. Geen trots complex met een royale entree, maar een zakelijke bedrijfsgebouw dat ook een showroom van keukens zou kunnen huisvesten.

De bedrijfsmatige aanpak manifesteerde zich ook in de effcientie: binnen tien minuten werd ik binnengeroepen bij een assistente die lenssterkte en oogdruk mat en voordat ik de kans kreeg iets te lezen, riep een tweede me op om mijn algemene conditie door te nemen. Vergelijk dat eens met een gewoon ziekenhuis.

De vrouwelijke oogarts nam ruim de tijd voor haar consult, waardoor je op haar iets langer moest wachten. Ze informeerde instemmend naar mijn klachten, onderzocht daarna beide ogen grondig met onder meer een fel lampje en mompelde daarbij onverstaanbare bevindingen. Daarna zei ze professioneel aarzelend dat mijn beide ogen niet optimaal waren.

"Ik heb staar?" vroeg ik naar de bekende weg.

Ze reageerde opgelucht: het woord was gevallen. Maar de rest van het oog ziet er prima uit vulde ze haastig aan. Ze keek nog een keer en herhaalde dat het netvlies en hoornvlies in uitstekende conditie waren en dat leek haar oprecht genoegen te doen: "Daar ben ik erg blij mee."

"Alle mensen boven de vijftig krijgen staar" legde ze uit, "maar bij bijna iedereen zit dat voorin de lens. Dan ontwikkelt het zich heel geleidelijk. U hebt helaas een bijzonder vorm, die zit achterin en die ontwikkelt zich snel."

Dat kostte in korte tijd inderdaad twee optimetristbezoeken. Een van de assistentes had zojuist vastgesteld dat mijn gezichtsvemogen rechts nog maar 20 procent was. En het andere ook was ook niet best.

"Maar het is gelukkig gemakkelijk te verhelpen" vertelde de oogarts monter. "We geven u een nieuwe lens en dan ziet u weer als een  jongeling. Dat is een routine-operatie. Doen we duizenden malen per jaar."
Ik mopperde dat ik met zo'n kunstlens wel mijn accomodatievermogen verloor en daarop  schoot zij in de lach. Legde verontschuldigend uit dat mensen boven de veertig niet meer accomoderen; "maar bijna niemand weet dat."

Ze vertelde vervolgens hoe simpel zo'n operatie is: de oogchirurg maakt onder een microscoop een klein sneedje in het kapsel waarin de lens zit; de vertroebelde lens wordt daarna ultrasoon gefragmenteerd en eruit gezogen. Vervolgens duwt hij de nieuwe lens opgerold door dat sneedje in de dan lege lensruimte; daar ontvouwt die kunstlens zich en dan is de operatie klaar. De hele ingreep duurt ongeveer een kwartier en wordt uitgevoerd onder plaatselijke verdoving. Het kan ook onder volledige anesthesie, maar daarvan is zij geen voorstander.

"We doen dat in Rijswijk in vier operatiekamers, de een na de ander" legde ze trots uit. "Per jaar zijn dat er dus vele duizenden. De kans op complicaties is verwaarloosbaar, maar we kunnen uiteraard geen garantie geven. U moet een verklaring tekenen waarin staat dat u daarmee bekend bent."

Mijn waardering voor de techniek hoorde ze welwillend aan en voegde er aan toe dat zij dit werk zelf niet meer deed. Te oud. Het is zulk fijntechnisch geworden dat je dit aan de jongelui moet overlaten, verduidelijkte ze.

Ze had overigens liever dat ik nog even wachtte met de ingreep totdat het andere oog er ook aan toe zou zijn; dan zouden beide ogen in een keer vernieuwd kunnen worden. Legde uit dat elke operatie en elke narcose, ook een plaatselijke, toch een zeker risico inhield en dat wilde ze graag minimaliseren. Ik realiseerde me gelijk dat ik daarvoor niets voelde: als het fout gaat zou ik dan beide ogen kwijt zijn. Maar dat zei ik niet.

"Als u in het verkeer narrow escapes krijgt, is het tijd voor die operatie. Dan kunt u zich weer melden," zei ze daarna opgewekt.

 Winegums

 Eerder dan verwacht was het zo ver en er was geen narrow escape op de weg voor nodig geweest. Door de snelle vertroebeling van het rechteroog bleken  mijn hersenen niet meer in staat een bruikbaar beeld te componeren uit hetgeen de beide ogen doorgaven. Het lezen van mijn computerscherm werd onmogelijk en daarmee het maatschappelijk functioneren. Wat is een moderne mens nog zonder computer?

De vrouwelijke oogarts verwees me naar Rijswijk waar het medisch vooronderzoek en de operatie zouden plaatsvinden. Vooraf moest ik dus wel even een verklaring tekenen waarin ik aangaf bekend te zijn met het feit dat de operatie kon mislukken. De kans daarop is volgens haar verwaarloosbaar, maar de particuliere kliniek nam desondanks geen enkele zakelijk risico.

 Op weg naar dat vooronderzoek kon ik de verleiding niet weerstaan en at een puntzak winegums leeg. Heerlijk, maar de gevolgen waren minder plezierig.

Onderdeel van dat onderzoek is een bloedanalyse en door die zak winegums had ik een bloedsuikerspiegel van 16. Bij normale mensen ligt die tussen de vier en de zes en dat betekende dat mijn huisarts eerst moest vaststellen of ik toch geen diabeet was. In dat geval was de operatie onzeker?

Tijdens zo'n vooronderzoek wordt verder een hartfilmpje gemaakt en meet men de lens op. Ieder mens heeft zijn eigen lensvorm en die probeert men zo goed mogelijk te benaderen. Bovendien is het mogelijk te kiezen voor ver- of bijziend. Bijna iedereen kiest voor verziend (en heeft dus nog wel een leesbril nodig), maar het kan ook anders. Mensen die erg veel lezen kunnen een lens krijgen waarmee ze dat zonder bril kunnen doen (en zij hebben dus een bril nodig in bij voorbeeld de auto). De vanzelfsprekendheid van die keuze is kennelijk zo groot dat het mij niet werd gevraagd. Wel legde deze assistente uit dat het vaststellen van lensvorm en lenssterkte zo pijnlijk is dat je zonder plaatselijke verdoving tegen het plafond zou gaan.

Waarom dat bloedonderzoek? En dat hartfilmpje? De oogarts legde geduldig uit dat een particuliere kliniek geen ziekenhuis is en dat er bij complicaties eerst een ambulance moet komen. En waarschijnlijk is zo'n privekliniek ook kwetsbaarder; althans dat denkt men.

Na het vooronderzoek kreeg ik een recept voor diverse soorten oogdruppels (voor en na de operatie te gebruiken). Waarom gaven ze in de oogkliniek niet gewoon die druppels mee? Nu moet iedereen naar zijn of haar eigen apotheek, met alle daaraan gekoppelde administraties. Een afspraak met de landelijke organisatie van apothekers?

Nu de operatie in het nabije verschiet ligt, dringt zich enige nervositeit op. Het is een routineoperatie, maar toch. Je tekent zo'n verklaring niet voor niets. Het kan fout gaan. En iedereen zegt wel dat het een pijnloze operatie is, maar de pijngrenzen van mensen zijn erg verschillend. En zo'n oogarts doet dat dan wel dagelijks, maar voor jou is het de eerste keer. 

 Snel

 De staaroperaties in de kliniek van Oogheelkunde Rijswijk worden uitgevoerd in een kantoorgebouw waarin ook een afdeling van Defensie is gehuisvest. In de wachtkamer zat die ochtend een fiks aantal oudere koppels te wachten, doorgaans mannen en vrouwen, maar ook moeders en dochters, buurvrouwen, vriendinnen. Het was druk: patienten werden opgeroepen en keerden na korte tijd terug, opgelucht of aangeslagen en steeds met een afgeplakt oog. Steevast reactie: het viel enorm mee.

Het toilet werd druk gebruikt (de folder waarschuwt tegen het risico van toiletbehoefte tijdens de ingreep) en er waren niet veel mensen die de koffieautomaat dorsten te benutten, ondanks het aandringen van de secretaresse.

 Mijn beurt. Ondanks de bescheidenheid van de ingreep bleken de voorbereidingen omvangrijk. In een soort voorkamertje werd ik eerst in een grote operatieschort gewikkeld en ik kreeg een operatiemuts op en overschoenen aan.

In de volgende kamer wachtte de anesthesioloog. Hij kondigde aan dat we geen vrienden zouden worden, maar dat de verdovingsprik desondanks zou meevallen. Niet bemoedigend. Afgezien van het feit dat het aangaan van vriendschappen bij de meeste mensen toch enige tijd vergt, deed zijn opmerking het ergste vrezen. Maar het viel inderdaad mee: de naald die in je wang wordt gestoken, op weg naar je oog, is of erg dun of wordt erg vakkundig gehanteerd of alletwee. Dat deed in elk geval geen pijn. De anesthesioloog had gevraagd onmiddellijk te reageren als ik iets voelde; dan zou hij vaart minderen. De prik in de oogbol was niet helemaal pijnloos, maar niets in vergelijking met menige tandartseningreep. En toen was het ergste achter de rug, zei hij.

Ik had om een roesje, een dormicum gevraagd om een en ander niet al te wakker mee te hoeven maken. Dat kon ik krijgen als ik er op stond, maar hij gaf het liever niet: om in contact te kunnen blijven. Waarom? Ik mijn arm zal inmiddels een infuusnaald. Wat moest daar eventueel op worden aangesloten? Extra verdoving of iets anders dat ik mogelijk nodig zou hebben, antwoordde hij nogal crypisch.

De omgeving van het te opereren oog werd daarna grondig gereinigd ("gepoetst") en met een rubber kussentje oefende hij extra druk uit om het anestheticum goed te verspreiden en toen was het koffietijd.

 Mijn rechteroog was inmiddels gevoelloos en verlamd. Vooral dat laatste is een vreemde ervaring: je oog niet meer kunnen bewegen. Heb ik wel kunnen kijken? Toch een beetje angstig.

De secretaresse kwam nog even controleren of ik de juiste persoon was voor de geplande operatie en of men het juiste oog op het oog had. Alles klopte.

En toen was ik alleen. Om de tijd te doden bladerde ik door mijn papieren en daar stond onderstreept: dochter van patient is arts! En: alleen te opereren door chef de clinique.

Later zou mijn dochter uitleggen dat dit algemene ziekenhuispraktijk is omdat patienten die arts zijn of een arts in de nabije familie hebben, doorgaans lastig zijn. Ook patienten die wetenschapper zijn, krijgen zo'n waarschuwing mee in hun status.

Ik had de anesthesioloog uitgelegd dat ik enigszins claustrofobisch ben en daarom niet met verlangen uitzag naar de geplande groene operatiedoek over mijn gezicht. Hij had alle begrip, maar dat was onvermijdelijk. Hij zegde echter toe dat ze een tentje zouden maken zodat ik aan een kant zou kunnen wegkijken.

De koffie was op en de chirurg kwam even kijken wie de volgende was. Twee assistenten hielpen me daarna op een soort tandartsenstoel en bedekten me met een groen operatielaken. Mijn hoofd werd met dikke tape gefixeerd. Niet hinderlijk? Alsof ik enige keus had! Om me heen stond erg veel apparatuur (van de anesthesioloog?), boven me hing een grote microscoop voor de chirurg en en een enorme operatielamp die zoveel licht gaf, dat me het zicht op de rest van het plafond werd ontnomen. Op de achtergrond speelde radio drie.

De voorbereidingen leken eindeloos, maar eindelijk voelde ik de handen van de chirurg op mijn voorhoofd steunen: de operatie begon. De anesthesioloog informeerde naar mijn welbevinden en ging in een ademteug door met een onbegrijpelijk gesprek met een van de assistenties. Ging het over squash? Merkwaardige indruk: een van de twee OK-assistentes leek de regie te voeren. Zij gaf aanwijzingen, stelde vragen en somde allerlei getallen op.

 Ik voelde dat de chirug een sneetje maakt aan de onderkant van mijn oog (aan de onderkant van het zakje waarin de eigen, troebele lens nog zat), maar dat deed inderdaad geen pijn. En als ik al iets had kunnen zien door het rechter oog, was dat door de korte afstand waarop de chirurg werkte waarschijnlijk toch onmogelijk geweest.

Met mijn andere oog kon ik vanuit mijn operatietentje wel van alles zien: veel blinkend apparatuur en de anesthesioloog die regelmatig vroeg hoe het met me ging, de beide assistentes en een schaal glimmende instrumenten..

Ik voelde hoe de chirurg iets in mijn oog deed (de oude lens fragmenteren en vervolgens wegzuigen). Dat was vooral vreemd: iemand deed iets in mijn gezicht, maar ik kon dat niet goed lokaliseren. Mijn oog was niet meer van mij. Alleen de steunende handen van de operateur op mijn voorhoofd waren duidelijk waarneembaar.

En toen verschenen plotseling ringen in het overbelichte beeld en ik realiseerde me dat de nieuwe lens er nu waarschijnlijk in zat. De anesthesioloog kondige inderdaad aan dat ze klaar waren. Was het niet meegevallen?

Een van de assistentes haalde de hoofddoek weg, maakte de tape los en plakte het geopereerde oog af. Dat moest 24 uur blijven zitten om het operatiewondje te beschermen. Daarna zou ik een week lang snachts een plastic kapje moeten dragen om te voorkomen dat ik mijn oog zou wrijven. ("Dat doet iedereen."). Als dat onverhoopt toch zou gebeuren, in die eerste week, moest ik onmiddellijk met de kliniek bellen, ook snachts.

De anesthesioloog en een van de assistentes ondersteunden me op de terugweg naar het voorkamertje, waar ik weer uitgepeld zou worden. De volgende patient zat in operatiekleding te wachten en kreeg nu alle aandacht: "Dag meisje, hoe gaat het?" Ze was zeker zeventig.

 De assistente had het verband scheef aangebracht zodat ik er langs kon kijken: wat een licht! Wat een kleuren! Wat een schept beeld: en wat heeft mijn partner leuke rimpeltjes.

Je went kennelijk aan het langzaam vergrijzen van je wereldbeeld want ik had me nooit gerealiseerd dat ik zoveel kleur, zoveel details was kwijt geraakt. Nu overviel me de kleurenpracht van de boekenkast, van enkele schilderijen van Jacques Tange, van een bos bloemen. En wat was de zon fel en waarom hadden we zulk scherp licht in huis?

Waarom had ik dit niet veel eerder laten doen?

 Toen ik de volgende dag (...) op controle kwam, kon de oogarts vaststellen dat de operatie prima was geslaagd. Het miniscule wondje oogde gaaf. De eerste test leerde dat ik nu met het geopereerde oog 80 procent zag en dat betekende dat ik er binnenkort weer 100 mee zou kunnen zien. Maar dat zou waarschijnlijk problemen opleveren, waarschuwde zij. Waarom?

Mijn hersenen moesten zich aanpassen aan een totaal nieuwe situatie en dat zou enige tijd vergen. Ze hadden jarenlang het beeld van een matigziend linkeroog moeten combineren met dat van een slechtziend rechteroog en daarvan een bruikbaar beeld gemaakt; nu was dat slechtziende rechteroog plotseling erg goed en moesten diezelfde hersenen een totale nieuwe combinatie gaan maken. Dat veroorzaakte nogal eens hoofdpijn, wist ze, en soms ook vervormde beelden. In elk geval zou dat voorlopig een onrustig beeld opleveren.
Maar dat was tijdelijk.

Oogarts: "En nu zult u ontdekken hoe slecht u ziet met het linkeroog waarop u vroeger bijna volledig moest vertrouwen. Over enkele maanden zien we elkaar weer."

 

 

Boeken bestellen

Met Pensioen

o.a. bij BOL en bij Mets en Mets

en als e-book bij Mets&Mets

 

 

Late Liefde en De Erfenis:

bij Nieuw Amsterdam

noimage