Jaap Willems

storm


 Storm

Het zware weer verscheen onverwacht: plotseling was er die donkere lucht. Storm? Nu? Hier? De lauwe wind bouwde snel op. De zee werd onrustig. Zou het niet beter zijn om terug te gaan? Misschien was het niet te laat: de hoge hotels op het Norderney waren nog zichtbaar. Wanda zat als bevroren naar de donkere hemel te staren. Omkeren? When in doubt, keep out. Bij zwaar weer altijd uit de kust blijven. Dat is een tegennatuurlijk advies, want een normaal mens zoekt bij gevaar juist vaste grond onder de voeten.

Ik zag de opbollende wolken woedend op ons toe komen. Alsof wij iets hadden misdaan dat bestraft moest worden. In de verte was de lucht al zwart van de regen; tegen die achtergrond lichtte even een wit zeil op. Het water werd grauwer en de golven kwamen hoger en ze werden steiler. De eerste golftoppen braken. Wat is de overtreffende trap van angst? Wanda zat nog altijd als verdoofd. Ik riep haar en maakte de schoten los, startte de motor en draaide de boot met de kop in de wind. De zeilen klapperden vervaarlijk. Zij ontwaakte, sprong op en trok vanuit de kuip met sterke slagen de grote rolfok naar binnen. Omdat ik niet wist wat er zou gaan gebeuren, niet wist of de oprollijn van de fok het zou houden, zette ik het roer vast en ging voorzichtig naar voren om het opgerolde voorzeil vast te binden met een zeilband, twee zeilbanden. De boot rolde op haar zijkant door een extra hoge golf. Ik bleef hangen in de zeereling.

Wanda had onze reddingvesten te voorschijn gehaald. Dit werd menens. Toen ik het grootzeil liet zakken, rukten de eerste felle vlagen aan de mast. De wolken rolden nu over elkaar heen als vechtende beesten. Het kostte grote moeite het zeil beneden te krijgen en het bleek niet meer mogelijk om het veilig op de bergen. Alle resterende zeilbanden werden rond het rukkende zeil gesjord; meer konden we niet doen, het werd tijd om naar binnen te gaan. Grote golven beukten als mokerslagen op onze boot. Verwaaid water sloeg over. Ik had het roer vastgezet, maar dat functioneerde niet meer: de boot was een speelbal van de zwarte golven. We werden heen en weer geslingerd als een stuk wrakhout. Het water siste boos. Ik vond nog net tijd om een rubberen emmer te pakken en er een lange lijn aan te binden. Twee lange lijnen. Die zette ik overboord als sleepanker. Herinnerde me dat een dergelijke emmer de boot in een gunstiger positie zou kunnen houden: daardoor bleef die met de achterkant naar de golven liggen en dat voorkwam dat brekers tegen de zijkant zouden slaan. Als dat gebeurde zou de boot kunnen plat slaan, had ik ooit gelezen.

We hadden geen ervaring met zwaar weer, maar toch deden we een aantal noodzakelijke handelingen min of meer als vanzelfsprekend. Was waarschijnlijk te danken aan een boek over Zwaar Weer Zeilen. Ik had me na het lezen ervan voorgenomen dat ik tegen elke prijs zou voorkomen ooit zoiets te moeten meemaken. Nu was het zo ver. De storm was vlakbij: je hoort haar aankomen. Ik kroop ook naar binnen terwijl de boot opnieuw zwaar overhelde. Het schoot door mijn hoofd dat ze onzinkbaar is en dat stelde me even gerust, heel even. We moesten vooral aan boord blijven: dat bood de beste kans op overleven. Van binnenuit barricadeerde Wanda het toegangsluik. Zij had alle ramen gecontroleerd, zei ze, en alle afsluiters. Ze had ook opgeruimd zodat er zo min mogelijk door de kajuit zou slingeren als het erg heftig werd. Het voelde een beetje trots dat we dit zo efficiënt en harmonieus samen deden. Teamwork. En toen was ze er: de storm.

Van die storm herinnerde ik mij later vooral het lawaai. Wat is meer dan oorverdovend? De zee bonkte op de polyester scheepswanden alsof die kapot moesten, de romp kreunde en kraakte. De golven sloegen brullend wit tegen de raampjes. Overal om ons heen was water. Het want bromde als een bas. Het zeewater dat in de kuip sloeg, verdween gulpend door de loosgoten. De meeste andere geluiden waren vreemd.

Hoe lang had het geduurd? Achteraf bekeken was het hoogstens een uur geweest, maar tijdens het noodweer leek het eindeloos. Ik telde soms de klappen van de zee, soms de krakende marifoonberichten, soms de tellen tussen de neerslaande golven. Bij elke klaptegen de boot zette ik me schrap; Wanda lag opgerold in een hoek op de bank. Ze huilde geluidloos. De dreiging van schipbreuk werd niet genoemd; het risico van stranden op Norderney evenmin. Zullen we een noodsignaal uitzenden, vroeg ik retorisch?  Ik realiseerde me dat wij geen reddingvlot hadden. Stom? Ik hoorde een onbekend gekraak.

Wanda vroeg zich af waarom ik niet naar het weerbericht had geluisterd. Ik reageerde woedend dat we hadden afgesproken dat zij dat zou doen. Zij gilde dat ik de leiding had: ik moest daarom alles in de gaten houden. Ook het weerbericht. Juist dat. Ze riep nog meer, maar we konden elkaar niet meer verstaan doordat een van de kastjes openviel en blikjes en pakjes door de kajuit rolden. Dichttapen van de kastjes was ook een van de aanbevelingen uit het handboek over zwaar weer. Maar wij hadden ons niet kunnen voorbereiden. We hadden geen weersverwachting gehoord. Als we die wel had gehoord, waren we niet vertrokken. Een zware golf sloeg als een moker op het dak van de boot.

Over de marifoon kwamen berichten van schepen die in moeilijkheden waren. Er werd meer assistentie gevraagd dan er waarschijnlijk voorhanden was. In een melding was sprake van een mob: man over boord. Hoeveel kans maakte je als je dat overkwam? Het zou bij deze golfhoogte onmogelijk zijn om een drenkeling terug te vinden. Binnen blijven. In elk geval binnenblijven. De reddingboot van Norderney was op zee, meldde de marifoon herhaaldelijk. Ik rook Wanda's angst.

Onze boot beschikte over een binnenplotter, een gps waarop je kon zien waar we waren. Dat was een van de weinig geruststellingen: een van mijn angsten was dat we door de storm terug zouden worden gespoeld naar het eiland en daar zouden stranden. Schipbreuk. Op het schermpje was min of meer te zien dat onze positie weinig veranderde: de sleepzak deed zijn werk, zolang de lijn hield. Als dat zo bleef, konden we de storm rustig uitzitten. Nou ja, rustig? Het was nergens rustig. Ook in mijn kop stormde het. Ik had in mijn broek geplast.

Even plotseling als de storm was opgestoken, verdween ze weer. Het lawaai verminderde en het bonken van de golven nam af. Het nadeinen deed de boot rollen; dat was vervelend, maar niet angstig. Maar pas na een tijdje durfde ik het luik te openen en zag ik dat tussen de donkere wolken lichte plekken. Ik riep het zachtjes naar Wanda. Die wrong zich toen ook door het luik; ze zag zo grauw zoals eerder de lucht was geweest. We zeiden niets, keken een hele tijd naar boven, naar de zee. Ongelovig? Dit was een heuse storm geweest. We hadden die doorstaan, glimlachten aarzelend naar elkaar. Gezamenlijk overleven bindt ook. De vlag op de achtersteven en de oranje reddingboei aan de reling waren verdwenen. De mast stond nog. In de verte zag ik een ander zeiljacht, de fok aan flarden.

 

 

 

 

 

Boeken bestellen

Met Pensioen

o.a. bij BOL en bij Mets en Mets

en als e-book bij Mets&Mets

 

 

Late Liefde en De Erfenis:

bij Nieuw Amsterdam

noimage