Jaap Willems

waddentocht

 

Volgens admiraal Richard D was de waddentocht van 2010 zeer bijzonder: voor het eerst hebben de deelnemers drie Waddeneilanden bereikt (R zou zelfs gespeeld hebben met het idee om ook nog Ameland aan te doen. Dat werd tijdig verijdeld). Een record. Dat zal wel zo zijn, maar het bereiken daarvan was geen sinecure: de Waddenvaart 2010 was een pittige week. Voor alle deelnemers? Voor ons in elk geval wel. Het was de eerste keer en die was avontuurlijk en leerzaam, vaak erg gezellig, maar ook inspannend. Desondanks zeer de moeite waard. Iedereen: bedankt.

 Hoorn-Makkum

Het enthousiaste vertrek om 8.00 uit reünieplaats Hoorn verliep aanstekelijk chaotisch: de veertien deelnemende schippers hadden er duidelijk zin in en men kon dan ook nauwelijks op elkaar wachten. Begrijpelijk. Een stevige noordenwind blies de meeste schepen binnen twee uur naar de sluis van Enkhuizen. Daar kregen wij echter de eerste tegenslag: de grote Genua bleef ergens haken. Door nog steeds onduidelijke oorzaak rolde het bovenste deel niet volledig op waardoor onze Jara schadelijk tegen het remmingwerk voor de sluis werd gedrukt. Met hulp van Henk (Alegria) werd dit probleem verholpen, maar het zette ons wel op een onhandige achterstand. Op het IJsselmeer kregen we daarna te maken met een stevige en toen nog ongebruikelijke noordenwind (5 tot 6) en dat verleidde me tot het zetten van te weinig voorzeil. Pas nadat Paul (USO) had gemaand meer genua uit te rollen schoot het een beetje op. Intussen had admiraal Richard (Cascade) diverse keren geprobeerd ons te bereiken om te vragen waar we in godsnaam uithingen, maar omdat we niet op de hoogte waren van de afspraak om via kanaal 10 contact te houden, bleef men lang in het ongewisse over onze positie. Pas om 17.00 liepen wij binnen, na een lange, koude dag.

 Makkum-Terschelling

Om tijdig op zee te zijn moesten we om 5.45 uit Makkum vertrekken, bij een vriendelijke (maar koude) NW wind (4 tot 5). Zo’n onmenselijk tijdstip is kennelijk de prijs die je moet betalen om het wad op te kunnen. Om 6.15 gingen we gezamenlijk door de sluis bij Kornwerderzand en daarna was iedereen plotseling vertrokken. Deze Waddengroep leek uit ervaren wedstrijdzeilers te bestaan want terwijl wij nog bezig waren stootwillen en landvasten op te bergen, schoten aan bakboord en stuurboord de zeilen omhoog en stoven de diverse Etaps de Boontjes over alsof de zeeduivel hen op de hielen zat of er een Grote Prijs te verdienen viel. Of was dat nu het Etap-enthousiasme?

Binnen een uur was iedereen voor Harlingen en het voordeel van een positie in het achterveld is dan dat je kunt zien waar de Pollendam moet liggen: statig sloegen de fraaie Etaps een voor een de vaargeul naar Terschelling in. Wij volgden, ondanks de waarschuwing van admiraal Richard dat dit niet de bedoeling is. Iedereen diende zijn eigen vaarplan te volgen. Op de Blauwe Slenk en de Vliestroom kon royaal worden gezeild. Kees (Mistral) had ons aangeraden om daar de eerste keer zonder voorzeil te varen, maar dat bleek te voorzichtig. De wind zat goed, de stroom stond gunstig, het water was diep genoeg en de ruimte meer dan royaal. Het ging zo voorspoedig dat we al snel voorin zaten en dat was nou ook weer niet de bedoeling. Waar lag op de Vliestroom de kardinaal, die de afslag naar de West Meep aangaf? Plezierig dat er andere Etaps waren want op het brede water voor het zeegat waren we even de weg kwijt. Even wachten op die enorme veerboot, die ook door de smalle Slenk wilde, en daarna omstreeks 12.00 voor het eerst in de haven van Terschelling. Plezierige ontdekking: al onze berekeningen klopten met die van de admiraal. Dat is hoopgevend.

 Terschelling-Vlieland

Na de gezamenlijke koffie met (hier en daar) gebak om 13.00 ( twee uur voor laag water) vertrokken voor de korte tocht naar het volgende eiland: 12 mijl verder. NO wind d.w.z. een te bezeilen route. Advies van Kees: het eerste stuk zorgvuldig de rode tonnen aan stuurboord houden. Een dergelijk advies sla je niet in te wind, totdat je ziet dat niemand dat doet. Iedereen sneed de bocht royaal af, ook Kees. Omdat we de aansluiting bij de armada niet wilden verliezen, moest er daarna even worden gesmokkeld d.w.z. de motor erbij. Terugkerende vraag: waarom maken wij vaak minder vaart terwijl we met eenzelfde type boot varen? Komt dat door het ontbreken van de grootschoot-overloop of gewoon door minder zeilervaring? Voor het eerst op het Stortemelk over een klein stukje Noordzee. Waren de golven echt anders? Opnieuw was er zo’n enorme veerboot die onverstoord naar de haven voer en daardoor iedereen dwong even in te houden.

In de nieuwe, ruime haven van Vlieland stonden diverse schippers te wachten om onder leiding van Peter en Jolanda (Bornia) iedereen naar de juiste plek te loodsen. Dat ging door de lastige wind niet vlekkeloos, maar met vereende krachten kwamen we toch nog fraai langs de steiger. De diverse kuipborrels lijken binnen de Etapclub uit vaste groepjes te bestaan, maar dat doet weinig afbreuk van het gemeenschapsgevoel want toen ik maar even aarzelende over het toereikend zijn van mijn brandstof bood Frank (Windstar) gelijk zijn reserve aan (als ik die daarna weer bijtankte, uiteraard).

 Vlieland-Texel

Weer vroeg weg (7.00) om tijdig over de Oude Vlie te kunnen varen. Admiraal Richard had omstandig gewaarschuwd voor de sterke vloedstroom tussen de haven van Vlieland en het Stortemelk en daardoor viel die niet tegen. Iedereen deed dat ogenschijnlijk moeiteloos. Fotogeniek gezeild op de Vliestroom en het Inschot, met in de verte steeds de gasinstallatie ter oriëntatie. De afslag naar de ondiepe Oude Vlie was niet te missen, het leek wel alsof je op een autoweg reed. De admiraal waarschuwde via zijn marifoon alle deelnemers om de tijd in de gaten te houden en dat leek niet tot dovemansoren gericht.

In het Scheurrak na de Oude Vlie bleken diverse mensen zeehonden te hebben gespot, maar zo’n eerste keer op het wad ben je vooral aan het varen en bovendien wisten we niet dat daar befaamde zeehondenbanken liggen. Volgende keer beter. Volgende keer? Wat voegt de Waddenzee toe aan het vaargenot als je niet droogvalt c.q. droog kunt/wilt vallen? Het is net zoals het IJsselmeer: groot water. Is het de stille dreiging van de droogvallende banken, het rekenen met tij en stroom, het zoeken van de weg dat de Waddenzee zo aantrekkelijk maakt voor veel zeilers? We moesten het nog ontdekken. In elk geval zijn diverse eilanden zeer aantrekkelijk en daar zelf naartoe varen is natuurlijk bijzonder.

Na het Scheurrak viel de groep snel uit elkaar op het brede water van de Texelstroom, waar de tonnen soms moeilijk te zien zijn. OudeSchild liet zich gelukkig gemakkelijk vinden door de diverse molens er omheen. Die staan keurig op de kaart. We realiseerden ons dat zoiets alleen de eerste keer een probleem is; daarna ken je de weg. Om 12.30 aankomst. Bij de borrel bleek gelukkig dat veel mensen moe waren, zelfs Richard. Morgen was er een rustdag ingepland, maar enkele mensen moesten desondanks afhaken omdat diverse plichten riepen.

 Texel- Enkhuizen

Twee uur voor HW (om 8.15) vertrokken voor een tocht over de Bollen. Wind (bf 4) uit het ZW en dus min of meer op de kop. In een stampende rij over het ondiepe en onrustige water op de banken voor Den Helder; bij de kleinere boten sloeg het buiswater soms over het schip. Kanaal 10 bewees nu zijn dienst want een van de kleinere Etaps had last van een haperende motor en kon via de marifoon door Richard worden begeleid. Wat doe je als op een dergelijke plek de motor uitvalt? Omkeren, zeil hijsen en terug naar diep water, naar Texel? Aan de havenmeester eventueel assistentie vragen om weer binnen te lopen? Of eerst hulp vragen aan de anderen? Die zouden je een sleep kunnen geven.

Via het VissersGaatje naar de sluis bij Den Oever; Richard bleef buiten wachten op de achterblijvers, de rest ging snel door de sluis en daarna waren we weer terug op vertrouwd water. De Waddenzee is uitdagend, avontuurlijk, boeiend, spannend, maar het IJsselmeer en het Markermeer hebben toch ook veel aantrekkelijks: vertrouwd en bekend, bijna overal voldoende diep en zonder vreemde stromingen, verplaatsende ondieptes en lastig getij. Niets ten nadele van de Waddenzee en de eilanden, maar terugkeren op het IJsselmeer gaf ontegenzeggelijk een goed gevoel.

Het slotdiner in de Mastenbar van Enkhuizen was zoals een slotdiner behoort te zijn: oergezellig en samenbindend. Admiraal Richard maakte het gezelschap trots deelgenoot van het gevestigde record, deelde de herinneringsschildjes uit en roemde de saamhorigheid

 Enkhuizen-Amsterdam

Sombere weersvoorspelling: veel wind uit het zuiden en grote kans op regen. Op het Markermeer waren nauwelijks andere zeilboten. Wij motorzeilden, ver voor ons voer/zeilde een ander schip dezelfde koers. De hele tocht naar Amsterdam bleven ze ons voor. Tijdens een regenbui op het IJmeer bleek dat we waarschijnlijk het hele traject achter de Bornia hebben gevaren. Die hebben gezeild, althans zo leek het. Er valt nog veel te leren!

 

storm


 Storm

Het zware weer verscheen onverwacht: plotseling was er die donkere lucht. Storm? Nu? Hier? De lauwe wind bouwde snel op. De zee werd onrustig. Zou het niet beter zijn om terug te gaan? Misschien was het niet te laat: de hoge hotels op het Norderney waren nog zichtbaar. Wanda zat als bevroren naar de donkere hemel te staren. Omkeren? When in doubt, keep out. Bij zwaar weer altijd uit de kust blijven. Dat is een tegennatuurlijk advies, want een normaal mens zoekt bij gevaar juist vaste grond onder de voeten.

Ik zag de opbollende wolken woedend op ons toe komen. Alsof wij iets hadden misdaan dat bestraft moest worden. In de verte was de lucht al zwart van de regen; tegen die achtergrond lichtte even een wit zeil op. Het water werd grauwer en de golven kwamen hoger en ze werden steiler. De eerste golftoppen braken. Wat is de overtreffende trap van angst? Wanda zat nog altijd als verdoofd. Ik riep haar en maakte de schoten los, startte de motor en draaide de boot met de kop in de wind. De zeilen klapperden vervaarlijk. Zij ontwaakte, sprong op en trok vanuit de kuip met sterke slagen de grote rolfok naar binnen. Omdat ik niet wist wat er zou gaan gebeuren, niet wist of de oprollijn van de fok het zou houden, zette ik het roer vast en ging voorzichtig naar voren om het opgerolde voorzeil vast te binden met een zeilband, twee zeilbanden. De boot rolde op haar zijkant door een extra hoge golf. Ik bleef hangen in de zeereling.

Wanda had onze reddingvesten te voorschijn gehaald. Dit werd menens. Toen ik het grootzeil liet zakken, rukten de eerste felle vlagen aan de mast. De wolken rolden nu over elkaar heen als vechtende beesten. Het kostte grote moeite het zeil beneden te krijgen en het bleek niet meer mogelijk om het veilig op de bergen. Alle resterende zeilbanden werden rond het rukkende zeil gesjord; meer konden we niet doen, het werd tijd om naar binnen te gaan. Grote golven beukten als mokerslagen op onze boot. Verwaaid water sloeg over. Ik had het roer vastgezet, maar dat functioneerde niet meer: de boot was een speelbal van de zwarte golven. We werden heen en weer geslingerd als een stuk wrakhout. Het water siste boos. Ik vond nog net tijd om een rubberen emmer te pakken en er een lange lijn aan te binden. Twee lange lijnen. Die zette ik overboord als sleepanker. Herinnerde me dat een dergelijke emmer de boot in een gunstiger positie zou kunnen houden: daardoor bleef die met de achterkant naar de golven liggen en dat voorkwam dat brekers tegen de zijkant zouden slaan. Als dat gebeurde zou de boot kunnen plat slaan, had ik ooit gelezen.

We hadden geen ervaring met zwaar weer, maar toch deden we een aantal noodzakelijke handelingen min of meer als vanzelfsprekend. Was waarschijnlijk te danken aan een boek over Zwaar Weer Zeilen. Ik had me na het lezen ervan voorgenomen dat ik tegen elke prijs zou voorkomen ooit zoiets te moeten meemaken. Nu was het zo ver. De storm was vlakbij: je hoort haar aankomen. Ik kroop ook naar binnen terwijl de boot opnieuw zwaar overhelde. Het schoot door mijn hoofd dat ze onzinkbaar is en dat stelde me even gerust, heel even. We moesten vooral aan boord blijven: dat bood de beste kans op overleven. Van binnenuit barricadeerde Wanda het toegangsluik. Zij had alle ramen gecontroleerd, zei ze, en alle afsluiters. Ze had ook opgeruimd zodat er zo min mogelijk door de kajuit zou slingeren als het erg heftig werd. Het voelde een beetje trots dat we dit zo efficiënt en harmonieus samen deden. Teamwork. En toen was ze er: de storm.

Van die storm herinnerde ik mij later vooral het lawaai. Wat is meer dan oorverdovend? De zee bonkte op de polyester scheepswanden alsof die kapot moesten, de romp kreunde en kraakte. De golven sloegen brullend wit tegen de raampjes. Overal om ons heen was water. Het want bromde als een bas. Het zeewater dat in de kuip sloeg, verdween gulpend door de loosgoten. De meeste andere geluiden waren vreemd.

Hoe lang had het geduurd? Achteraf bekeken was het hoogstens een uur geweest, maar tijdens het noodweer leek het eindeloos. Ik telde soms de klappen van de zee, soms de krakende marifoonberichten, soms de tellen tussen de neerslaande golven. Bij elke klaptegen de boot zette ik me schrap; Wanda lag opgerold in een hoek op de bank. Ze huilde geluidloos. De dreiging van schipbreuk werd niet genoemd; het risico van stranden op Norderney evenmin. Zullen we een noodsignaal uitzenden, vroeg ik retorisch?  Ik realiseerde me dat wij geen reddingvlot hadden. Stom? Ik hoorde een onbekend gekraak.

Wanda vroeg zich af waarom ik niet naar het weerbericht had geluisterd. Ik reageerde woedend dat we hadden afgesproken dat zij dat zou doen. Zij gilde dat ik de leiding had: ik moest daarom alles in de gaten houden. Ook het weerbericht. Juist dat. Ze riep nog meer, maar we konden elkaar niet meer verstaan doordat een van de kastjes openviel en blikjes en pakjes door de kajuit rolden. Dichttapen van de kastjes was ook een van de aanbevelingen uit het handboek over zwaar weer. Maar wij hadden ons niet kunnen voorbereiden. We hadden geen weersverwachting gehoord. Als we die wel had gehoord, waren we niet vertrokken. Een zware golf sloeg als een moker op het dak van de boot.

Over de marifoon kwamen berichten van schepen die in moeilijkheden waren. Er werd meer assistentie gevraagd dan er waarschijnlijk voorhanden was. In een melding was sprake van een mob: man over boord. Hoeveel kans maakte je als je dat overkwam? Het zou bij deze golfhoogte onmogelijk zijn om een drenkeling terug te vinden. Binnen blijven. In elk geval binnenblijven. De reddingboot van Norderney was op zee, meldde de marifoon herhaaldelijk. Ik rook Wanda's angst.

Onze boot beschikte over een binnenplotter, een gps waarop je kon zien waar we waren. Dat was een van de weinig geruststellingen: een van mijn angsten was dat we door de storm terug zouden worden gespoeld naar het eiland en daar zouden stranden. Schipbreuk. Op het schermpje was min of meer te zien dat onze positie weinig veranderde: de sleepzak deed zijn werk, zolang de lijn hield. Als dat zo bleef, konden we de storm rustig uitzitten. Nou ja, rustig? Het was nergens rustig. Ook in mijn kop stormde het. Ik had in mijn broek geplast.

Even plotseling als de storm was opgestoken, verdween ze weer. Het lawaai verminderde en het bonken van de golven nam af. Het nadeinen deed de boot rollen; dat was vervelend, maar niet angstig. Maar pas na een tijdje durfde ik het luik te openen en zag ik dat tussen de donkere wolken lichte plekken. Ik riep het zachtjes naar Wanda. Die wrong zich toen ook door het luik; ze zag zo grauw zoals eerder de lucht was geweest. We zeiden niets, keken een hele tijd naar boven, naar de zee. Ongelovig? Dit was een heuse storm geweest. We hadden die doorstaan, glimlachten aarzelend naar elkaar. Gezamenlijk overleven bindt ook. De vlag op de achtersteven en de oranje reddingboei aan de reling waren verdwenen. De mast stond nog. In de verte zag ik een ander zeiljacht, de fok aan flarden.

 

 

 

 

 

Boeken bestellen

Met Pensioen

o.a. bij BOL en bij Mets en Mets

en als e-book bij Mets&Mets

 

 

Late Liefde en De Erfenis:

bij Nieuw Amsterdam

noimage