Jaap Willems

inleiding basisboek

  Inleiding, het wtc-landschap 

In dit boek willen we begrippen, uitgangspunten, ontwikkelingen en dergelijke in de wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) beschrijven, analyseren en in hun onderlinge samenhang bezien. Wat is wtc? Wat is het doel ervan? En wat het rendement? En wat is de relatie tussen bijvoorbeeld wtc en de opkomende wetenschapseducatie (wte)? Wanneer we een en ander zo duidelijk mogelijk verwoorden, kan dat bijdragen aan het terugdringen van de spraakverwarring die de wtc nu soms kenmerkt.  Spraakverwarring? Wat de een wtc noemt is voor een ander wetenschapspropaganda; wat de een communicatie noemt, betitelt een ander als educatie, of voorlichting. En terwijl de ene groep alle wtc-heil verwacht van de tv of van internet, geloven anderen veel meer in interactieve communicatie zoals tijdens publieke debatten en in sciencecenters.[1] [2] [3].

In dit boek willen we proberen om vanuit het opkomende wetenschapsdomein wtc een bijdrage te leveren aan de verdere ontplooiing van de wtc-praktijk. Theorie als steun voor de alledaagse toepassing. Dat wetenschappelijke fundament zoeken we om zoveel mogelijk te ontkomen aan politieke hypes, modetrends en andere minder sterke uitgangspunten. Om de koppeling met de praktijk duidelijk te maken, zullen we dit boek beginnen met een min of meer historisch opgezette beschrijving van het wtc-landschap: wie houden zich in Nederland (en Vlaanderen) bezig met wtc? Wat doen ze en waarom doen ze dat? Hoe doen ze dat en sinds wanneer vindt dat plaats? 

Tabel 1            wtc-actoren 
Wetenschappers (als kennisbron)
Wetenschapsjournalisten
Educatoren in wetenschapsmusea en science centers
Gezondheidsvoorlichters/gvo-consulenten
nme-medewekers en actievoerders
Wetenschapsvoorlichters 
wtc-onderzoekers
wtc-beleidsmakers 
wtc-consumenten (wetenschappers, professionals en andere publiekssectoren

 Definities.  Wetenschaps- en techniekcommunicatie – wtc – lijkt een veelomvattend en daardoor soms ook vaag begrip. Wat is wtc en wat niet? Vanouds herkennen we het in wetenschapsjournalistiek (wetenschap in kranten en tijdschriften, op radio en tv) en in de publieksactiviteiten van musea zoals Naturalis, Archeon, het Utrechts Universiteitsmuseum en het Teylersmuseum in Haarlem. Maar die museale activiteiten heetten vroeger geen wtc en sommigen betitelen het nog altijd liever als educatie. Wetenschapsjournalistiek was lang de bekendste vorm omdat in kranten en tijdschriften de meeste aandacht werd besteed aan wetenschap en techniek, denk aan de wetenschapskaternen van onder andere nrc-Handelsblad en van de Volkskrant en aan periodieken zoals Natuurwetenschap & Techniek en Kijk[4] Ze waren gezichtsbepalend voor de wtc en waarschijnlijk spelen die massamedia nog altijd een hoofdrol bij het verspreiden van informatie over wetenschap en techniek naar een groot publiek.
Dat betekent niet dat de wetenschapsjournalistiek de afgelopen halve eeuw onveranderd is gebleven. Integendeel. Kort na de tweede wereldoorlog – toen de wetenschapsjournalistiek als zodanig voor het voetlicht trad – was het vooral een activiteit van ‘onderwijzers’ zoals Gerton van Wageningen, Arie Kool en Piet Heil. Zij legden enthousiast uit hoe je met een plasmastraal beton in plakjes kon snijden en waarom een kunstmaan niet naar beneden viel. Wetenschap was op de eerste plaats avontuur en werd meestal positief benaderd. Deze groep verdween van het toneel in de jaren 1960 toen – na het verschijnen van onder meer het boek Dode lente (van Rachel Carson) – de maatschappelijke gevolgen van wetenschap en techniek plotseling veel meer aandacht vroegen. Een nieuwe lichting wetenschapsjournalisten – waaronder Hans van Maanen, Simon Roozendaal en Rob van Hattum – legde toen vooral uit wat de risico’s waren van wetenschap en techniek: van kernenergie en straling, van chemische bestrijdingsmiddelen tot hormonen. Niet minder enthousiast, maar wel kritischer dan voorheen. Daarna leek ook dit specialisme gearriveerd: de huidige wetenschaps-journalisten zijn, net als hun collega’s in andere domeinen, vooral verslaggevers. Ze selecteren, vertalen, leggen uit, interpreteren en becommentariëren het werk van wetenschappers en technologen.
[5] [6] Is dat wetenschapscommunicatie? Vroeger heette het onder meer populariseren van wetenschap of science writing.[7] Het begrip wtc was in Nederland nog niet bedacht. Is de naamsverandering naar een gemeenschappelijke term zoals wtc reëel? Kun je journalistiek eigenlijk wel onder één noemer brengen met de publieksactiviteiten in musea, die vaak werden (en worden) aangeduid als voorlichting of educatie? Zijn populairwetenschappelijke artikelen en programma’s te vergelijken met de tekstbordjes, folders, videofilmpjes en rondleidingen?
De term wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) – vaak gaat het overigens vooral om wetenschapscommunicatie en niet om techniek – is een kernbegrip geworden dat voor allerlei en vaak heel verschillende vormen van publiekscommunicatie over wetenschap en techniek wordt gebruikt. Zowel wetenschapsjournalistiek, -pr, -voorlichting, -propaganda, -reclame als -educatie en scholing worden onder de noemer wtc gezet. Is dat terecht? In hoofdstuk 1 zal Ann van de Auweraert proberen een overzicht te geven van de diverse definities en andere omschrijvingen van wtc en op zoek gaan naar gemeenschappelijke bouwstenen. Dat vermindert mogelijk de ogenschijnlijke spraakverwarring.
[8] [9] [10] In hoofdstuk 2 besteedt Arend Jan Waarlo aandacht aan de relatie communicatie (C) en educatie (E), die een belangrijke rol speelt bij het definiëren van het begrip wtc.
 

Motieven. Waarom houden mensen zich bezig met wtc? Het doel van zowel wetenschapsjournalisten als van veel voorlichters en educatiemedewerkers in musea en dergelijke was en is op de eerste plaats het bevredigen van de nieuwsgierigheid van lezers, kijkers en/of bezoekers. De journalist wil zijn lezers, luisteraars en/of kijkers amuseren of informeren; de voorlichter beoogt ongeveer hetzelfde maar heeft daarnaast ook de behoefte om mensen te helpen of om hen van iets te overtuigen. Veel museummedewerkers willen bezoekers iets leren. Kortom, de meeste mensen die zich met wtc bezig houden hebben een duidelijke bedoeling met wat ze doen; ze hebben vaak verschillende, maar doorgaans wel herkenbare motieven, die uiteraard moeten aansluiten bij de wensen van de consumenten.[11] [12]

Wat zijn die motieven? Wanneer we uitgaan van de klassieke verdeling van motieven voor wtc[13] [14] kunnen we die soms zeer diverse beweegredenen onderbrengen in de volgende drie categorieën: Culturele motieven: mensen leven in een wetenschappelijke en technologische cultuur en moeten daarover worden geïnformeerd om hen in staat te stellen op een zinnige manier mee te doen in deze samenleving.[15] 2)Democratische/ politieke motieven: mensen moeten ook de kans krijgen mee te denken, mee te praten en misschien zelfs mee te beslissen over nieuwe ontwikkelingen zoals genomics en kernenergie.[16] 3) en economische motieven: omdat de samenleving steeds wetenschappelijker en technologischer wordt, moeten mensen blijvend geïnformeerd worden om zowel in hun werk als privé mee te kunnen blijven doen. De kennissamenleving vereist levenslang leren van zoveel mogelijk mensen, jong en oud.In de vroege periode van de wtc was er vooral aandacht voor culturele en democratische argumenten; dat is nog duidelijk te lezen in de knaw nota uit 1977[17]:

Voor het leveren van algemene beschouwingen over nut en noodzaak van de wetenschapsvoorlichting, door welke instantie dan ook gegeven, moet als fundamenteel uitgangspunt gelden het recht van de burgers om te leren kennen, te weten (The public’s right to know).’ Vergelijk dat eens met de intenties van het Platform Bèta Techniek uit 2006.[18] Wat deze democratische en culturele argumenten nu nog betekenen en hoe dat is gekomen, proberen we duidelijk te maken in de hoofdstukken 3 en 4. Anne Dijkstra en Astrid Souren schetsen de ontwikkelingen binnen de motieven van deze beide groepen. Het verschil in omvang van deze beide hoofdstukken heeft geen relatie met het belang dat we hechten aan het ene of het andere motief. Dat verschil hangt alleen samen met de verschillen in benadering door de beide auteurs.             

Effecten. We hebben diverse redenen van organisaties en personen om zich bezig te houden met wtc en wte aangestipt, maar wat is het resultaat, het effect van al die inspanningen? Wat is het nut? De duizenden voorlichters en andere wtc-actoren hebben vaak een duidelijk doel voor ogen: zij willen het publiek meer betrekken bij de ontwikkelingen in wetenschap en techniek, zij willen jongeren enthousiast maken zodat ze een loopbaan zoeken in die richting. Lukt dat? Je mag aannemen dat de wtc-actoren dat zullen willen en moeten weten. Hoe meten ze dat? Hanssen en anderen[19] relativeren overigens die behoefte aan evaluaties: ‘Massacommunicatie gaat over openbaar maken. Het gaat niet om direct werkbare effecten. Het gaat om de gevolgen op langere termijn. Door Gerbner cultivatie genoemd.[20] Hij ziet de massamedia, en vooral televisie, als de cultivators van de hedendaagse samenleving. Waarden, opinies, kennis en attituden van individuen worden immers opgebouwd, onderhouden, bijgesteld en veranderd door uitwisseling van symbolen (taal, beelden enzovoort) en die taak is in onze samenleving toebedeeld aan de massamedia.’ 

Educatie. Naast de wetenschapsjournalistiek en de educatie/voorlichting in diverse musea, ontstonden in andere segmenten van de samenleving de gezondheidsvoorlichting en -opvoeding (gvo) en de natuur- en milieueducatie (nme). Hoewel dit waarschijnlijk ook  vormen van wetenschapscommunicatie zijn, vonden deze domeinen hun wetenschappelijke basis aanvankelijk niet in de communicatiewetenschap, zoals die met name aan de UvA, vu en de kun/ru wordt bedreven. Evenals de landbouwvoorlichting leunden de gvo en nme lange tijd sterk op de Wageningse voorlichtingskunde (tegenwoordig overigens ook communicatiewetenschap genoemd) en op de agogiek, didactiek en onderwijskunde.
De klassieke communicatiewetenschap was vooral geïnteresseerd in de werking van massamedia en soms krijg je de indruk dat dit nog altijd het geval is; de voorlichtingskunde vond zijn basis in de interactieve communicatie (over landbouw) en ook in de huidige Wageningse communicatiewetenschap speelt deze vorm nog altijd een hoofdrol, maar naast landbouw zijn ook voeding, natuur en milieu belangrijke aandachtsgebieden. Dit domein kijkt vooral naar het proces.
De gezondheidsvoorlichting (inclusief de voedingsvoorlichting) vind je vaak terug in de media, zoals in vrouwenbladen, maar daarnaast wordt gvo ook vaak interpersoonlijk beoefend. Je ziet dat in organisaties zoals de Kruisverenigingen en Jellinekklinieken, bij voorlichtingsbureaus zoals het Voedingscentrum en de produktschappen zoals het Nederlands Zuivelbureau. Die instellingen werken natuurlijk ook met journalistieke kanalen zoals tijdschriften, maar daarnaast zijn ze dus actief in de interactieve communicatie. Hun consulenten zoeken vaak eveneens het persoonlijke contact met cliënten.
De natuur- en milieueducatie is volwassen geworden dankzij de activiteiten van organisaties zoals het Instituut voor Natuurbeschermingseducatie (ivn), de jeugdbonden voor natuurstudie (nvj), Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en Milieudefensie. Bij veel activiteiten in deze sector – bijvoorbeeld de excursies en acties – speelt persoonlijk contact een belangrijke rol.
Veel van deze organisaties brengen hun activiteiten niet onder de noemer communicatie (en dus ook niet met wtc), maar betitelen dat bij voorbeeld als educatie. Wat ze in de praktijk doen – onder meer het verspreiden van posters, folders en tijdschriften, het houden van lezingen en het organiseren van acties en excursies – lijkt vaak echter sterk op wat (andere) wtc-organisaties zoals musea doen. Waar liggen de grenzen en verschillen? Wanneer is iets communicatie en wanneer noem je het educatie? Nadat Arend Jan Waarlo in hoofdstuk 2 de relatie tussen C en E tegen het licht heeft gehouden en daarbij communicatie vooral vanuit agogisch perspectief heeft belicht, proberen Johan Hoorn en Juliette Walma van der Molen in hoofdstuk 6 de specifieke relatie tussen wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) en wetenschaps- en techniekeducatie (wte) te verhelderen vanuit een communicatiewetenschappelijke gezichtshoek. Dat is actueel want het ocw-beleid lijkt zich te ontwikkelen van wtc naar meer of vooral wte.
 

Interactief. Een van de opmerkelijke aspecten bij de vergelijking van wtc en wte, is de verschuiving van het top-down-denken (sterk vertegenwoordigd in de massamediale wtc), naar een bottom-up-benadering (die in de wte lijkt te overheersen). Top-down-benaderingen, van de deskundige naar de leek, zijn vanzelfsprekend in de wetenschapsjournalistiek, zoals bij kranten, tijdschriften en op tv; ze zijn inherent aan de werkwijze van de journalistiek. De bottom-up-benadering is duidelijker aanwezig in de interpersoonlijke benadering van het gvo en de nme; ze is daar onderdeel van de beoogde interactiviteit waarin de ervaringsdeskundigheid van patiënten, cliënten en andere leken ook een rol speelt.
Interactiviteit lijkt een nieuw wtc-verschijnsel. Bij interactie is er dus geen sprake meer van deskundigen die proberen de leek iets uit te leggen, maar van interactie tussen wetenschappers en de rest van de samenleving.
[21] Volgens Wynne is dat nodig omdat de klassieke massamediale opvatting te weinig rekening houdt met de politieke cultuur van wetenschap en haar sociale relaties. Binnen het traditionele communicatieonderzoek naar wtc is er volgens hem geen aandacht voor de maatschappelijke inbedding van wetenschap, de sociale omgeving en de organisatie van wetenschappelijk onderzoek. En dat zou wel noodzakelijk zijn. Maar wat is interactiviteit? Het lijkt net als communicatie een term die voor veel spraakverwarring kan zorgen. Voor veel mensen is het bijna een synoniem voor internet. Anderen koppelen het vooral aan interpersoonlijke communicatie en eisen een minimaal aantal reacties voordat iets interactief mag heten. In hoofdstuk 7 geeft Cees Koolstra een kritisch literatuuroverzicht.
 

Economisch motief. De term wetenschapsvoorlichting is in de jaren 1980 sterk opgekomen, vooral bij universiteiten en andere kennisinstellingen en in het bedrijfsleven (voornamelijk bij multinationals zoals Philips en Shell). Schoolvoorbeelden van de industriële wetenschapsvoorlichting uit die periode waren de exposities in het Evoluon van Philips en de persexcursies van Shell. Grote aantallen wetenschapsvoorlichters traden in deze periode aan en kregen de taak de activiteiten van de betrokken organisaties uit te leggen aan de samenleving. Deze tak van de wtc is uitgeroeid door een omvangrijke sector: het aantal (wtc-)voorlichters wordt geschat op enkele tienduizenden.[22]
Hoewel het woord voorlichting voortkomt uit het begrip verlichting, is het doel ervan vaak niet op de eerste plaats het verheffen van ‘het volk’ in het belang van die mensen, maar gaat het vooral om het positioneren van de organisatie in de samenleving: be good and tell it. Universiteiten willen vooral studenten en fondsen werven, bedrijven hopen op deze manier hun imago en marktpositie te verbeteren. Dat lijkt dus meer op pr of reclame en pessimisten betitelen het dan ook als ‘het verkopen van de wetenschap’. Een toonaangevend boek van Nelkin op dit terrein heet Selling Science.
[23] In de Angelsaksische literatuur spreekt we in dit verband over een verschuiving van Public Understanding of Science naar Public Relations of Science. Het een is niet beter dan het ander, maar het zijn wel erg verschillende bezigheden.[24]

Ook bij de moderne wetenschapsvoorlichting is er nog steeds sprake van de democratisch en culureel georiënteerde argumenten, maar economische motieven zijn eveneens prominent aanwezig. Universiteiten en andere onderzoeksinstituten worden in toenemende mate (financieel) afhankelijk van de rest van de samenleving. In de ocw-nota Boeiend, Betrouwbaar en Belangrijk uit 2000 wordt het economische argument als eerste genoemd. ‘Voor economisch succes is het essentieel om een beroepsbevolking te hebben die zich snel nieuwe kennis eigen kan maken en die erop gericht is dat ook te doen. Het gaat om de ontwikkeling van de vaardigheid om uit de bijna onbeperkte hoeveelheid informatie te selecteren wat belangrijk is, verbanden te leggen, ontwikkelingen te herkennen en op hun waarde te schatten, en aan die informatie waarde toe te voegen. Daarom is het economische belang van een activerende en initiërende wetenschaps- en techniekcommunicatie sterk toegenomen.’ Volgens Dalderup[25] (2000) zet het economische motief voor wtc tegenwoordig de toon. Wiedenhof[26] meende in 1995 nog dat er een redelijke balans was tussen de diverse argumenten voor wtc, maar Dalderup signaleert dat het evenwicht gedurende het afgelopen decennium sterk is verstoord: het economisch motief voor wtc zou de democratische en culturele overwegingen hebben overvleugeld. ‘Het heeft er alle schijn van dat de overheid, sturend met de geldbuidel, op wat minder afstand is gaan meedenken dan Wiedenhof nog meende. Voor het beleid geldt wetenschaps- en techniekcommunicatie meer en meer als instrument om imperfecties in het onderwijs en fricties op de arbeidsmarkt te repareren.’

Science centers. Het toenemend economisch belang van wetenschap en techniek voor de samenleving is waarschijnlijk ook een belangrijke verklaring voor de opkomst van de science centers en wetenschapsmusea zoals Nemo in Amsterdam en Technopolis in Mechelen. Het is niet voor niets dat in Nederland de minister voor ez een belangrijke rol speelde bij het moeizaam tot stand komen van het eerste Nederlandse science center. Ook in de vele tientallen buitenlandse science centers speelt het belang van een goed geschoolde bevolking voor de kennissamenleving een aanwijsbaar grote rol in de motivering van het ontstaan ervan; vaak is het bedrijfsleven direct betrokken bij het oprichten en in stand houden van die centra. Science centers moeten vooral jongeren enthousiast maken voor bètawetenschap en techniek om op die manier te voorzien in de groeiende behoefte aan studenten en werknemers in deze sector. Maar houden science centers zich dan wel met wetenschapscommunicatie bezig? Zijn het niet veel meer propaganda-organisaties? Het is en blijft een kwestie van definitie (zie hoofdstuk 1), maar gezien de vele raakvlakken en overgangszones tussen educatie/voorlichting en propaganda/reclame, de glijdende schaal van journalistiek, voorlichting en pr naar reclame, propaganda en marketing voor wetenschap en technologie, en de overeenkomsten in motieven en werkwijzen, lijkt het verdedigbaar ook veel activiteiten van science centers tot de wtc te rekenen. De Nederlandse overheid rekent science centers niet alleen expliciet tot wtc, maar lijkt zelfs geneigd de activiteiten van organisaties zoals Nemo als wtc bij uitstek te beschouwen.
De manier waarop science centers proberen hun publiek te bereiken verschilt ook niet zo veel van de manier waarop algemeen erkende wtc-organisaties zoals Naturalis en het Voedingsbureau werken. Ook in science centers benut je teksten, plaatjes, computers en dergelijke. Een bijzonder facet van de science centers is het gebruik van interactieve (...) hands-on: doorgaans computergekoppelde apparaten om jongeren iets te laten ervaren en leren door zelf te manipuleren. Wat gebeurt er met het vloeistofoppervlak als ik stof A aan het water toevoeg? Interactieve wtc wordt gezien als een belangrijke nieuwe ontwikkeling op dit terrein (zie ook hoofdstuk 7).
Het feit dat de science centers zich niet hebben aangesloten bij de internationale wtc-organisatie pcst (Public Communication about Science and Technology), maar een eigen vereniging: ecsite (European Collaborative for Science, Industry and technology) hebben opgericht, lijkt in dit verband niet erg relevant.
Dat zowel de overheid als de instellingen zelf voor de science centers een grote toekomst zien, blijkt wel uit het verschijnsel dat het niet alleen nieuwe instellingen zijn die zich science center noemen (zoals Nemo en Technopolis), maar dat ook sommige oudere musea (zoals Naturalis en het Utrechts universiteitsmuseum) hun organisatie hebben omgebouwd tot iets dat op een science center lijkt. Dat doen de laatstgenoemde vooral door de introductie van interactieve opstellingen en jeugdlabs. Een belangrijk verschil tussen de ene en de andere groep blijft dat science centers geen eigen collectie hebben en de wetenschapsmusea of science centers zoals Naturalis wel.
 

Overheidsbeleid. De overheid heeft zich lang afzijdig gehouden van wtc en dat is volgens Dalderup een reactie op de nazipropaganda uit de Tweede Wereldoorlog: als de overheid al een mening had, diende zij die in elk geval niet aan de samenleving op te dringen. Dat standpunt is in Den Haag intussen verlaten. De overheid is onder meer een subsidiërende en dus belangrijke actor geworden in wtc-land, vanwege het eerder genoemde economische belang van wtc. De nieuwe rol van de overheid in wtc-land werd duidelijk met de entree van de eerste minister voor wetenschapsbeleid: Trip. Hij gaf de wetenschapsvoorlichting een sterke stimulans en organisaties zoals de wetenschapswinkels, techniekclubs en volkssterrenwachten konden op zijn hartelijke en financiële steun rekenen. Om de wtc in Nederland te stimuleren werd op zijn aansporing de Dienst Wetenschapsvoorlichting bij de knaw ingesteld, die later uitgroeide tot de stichting pwt (Publieksvoorlichting over Wetenschap en Techniek), die na een fusie met de Wetenschapsweek werd omgebouwd tot de stichting WeTeN (Wetenschap en Techniek Nederland). Deze nationale organisatie moest het centrum worden van de wtc in Nederland, maar mede door mismanagement is dat helaas niet gelukt. In 2003 constateerde de commissie Esmeijer bij een evaluatie dat de stichting WeTeN er niet in was geslaagd een centrale plaats te verwerven in de Nederlandse wtc-wereld.
Met het opheffen van de stichting WeTeN lijkt de overheid zich weer enigszins terug te trekken uit wtc-land en in Vlaanderen zie je door het recent opheffen van Wecom iets vergelijkbaars gebeuren. Het weinige dat in Nederland van overheidswege nu nog wordt bijgedragen aan de wtc zijn incidentele acties (zoals publieke debatten) en financiële steun aan organisaties zoals het Platform Bèta Techniek, Nemo/de Wetenschapsweek en Kennislink. Ook de financiële steun aan Rathenau wordt door ocw als bijdrage aan de wtc beschouwd, maar het Rathenau Instituut zelf meent dat het zich niet met dit onderwerp bezighoudt.
 

Organisaties. Wie houden zich met wtc bezig en wie niet? nipo Consult deed in 1999 een onderzoek voor de stichting WeTeN om het wtc-landschap in kaart te brengen (Dat heette: Een inventarisatie van het aanbod van communicatie over wetenschap en techniek voor een breed publiek in Nederland) en kwam daarbij tot onderstaand overzicht. 

 Tabel 2            wtc instellingen in Nederland                                                                      
                                                                   Aantal              Percentage
Musea/ kastelen                                              404                  26
Belangrijke (?) musea                                      114                  7
Bibliotheken                                                    299                  19
Volkssterrenwachten e.d.                                74                    5
Universiteiten/ onderzoeksinstellingen               78                    5
Volksuniversiteiten                                          3                      0
Dierentuinen, hortussen e.d.                             25                    2
Bezoekerscentra nme e.d.                               54                    3
Techniekclubs                                                 117                  7
Science centers                                               12                    1
Media (kranten, tijdschriften, tv)                      192                  12
Archieven                                                       13                    1
Transferpunten                                                10                    1
Wetenschapswinkels                                       35                    2
Studia Generale                                               12                    1
Intermediaire organisaties zoals WeTeN          23                    2
Overige                                                           103                  6 
Bron: nipo Consult 1999 

De inventarisatie is uiteraard gedateerd: het aantal intermediaire organisaties is waarschijnlijk kleiner geworden, de transferpunten zijn grotendeels verdwenen en het aantal wetenschapswinkels is eveneens sterk gedaald. De keuze over wie wel en wie niet in het rapport werd opgenomen, is bovendien aanvechtbaar. De gevolgde werkwijze heeft geleid tot het meenemen van organisaties (zoals de grote groep bibliotheken), die niet door iedereen tot de wtc worden gerekend, terwijl de voedings- en gezondheidscommunicatie en de natuur- en milieueducatie geheel lijken te ontbreken. Aan de Universiteit Utrecht zijn beide domeinen expliciet onderdeel van de wtc. Ook het bedrijfsleven lijkt vergeten. De samenstellers van het nipo-rapport hebben daarvoor dus ongetwijfeld goede redenen gehad, maar het is moeilijk vol te houden om de wtc zoals die door het Voedingscentrum, het ivn en door Philips of tno wordt gepraktiseerd, uit te sluiten. Of zitten zij in de grote groep Overigen?
Er lijken veel wtc-organisaties te bestaan. Op diverse plaatsen wordt op zeer diverse manieren geprobeerd informatie over aspecten van wetenschap en techniek te populariseren. Het nipo-rapport zegt het als volgt: ‘Het wtc-landschap heeft een divers karakter, zowel wat betreft de aard van de spelers als de aard van hun activiteiten. Hierdoor is het niet eenvoudig om een eenduidig beeld van het veld te schetsen. Het aantal partijen dat op deze markt opereert is omvangrijk. Veel van de wtc-organisaties weten niet van elkaar wat de ander nastreeft en wat voor activiteiten zij ontplooien. De wtc-markt is, in de ogen van de spelers, versnipperd en ondoorzichtig.’
nipo Consult schat op basis van haar (omstreden) inventarisatie dat er ruim 1500 wtc-instellingen zijn en naast die instellingen zouden er nog 3300 wtc-personen actief zijn; 1100 daarvan noemt nipo autonoom, de rest is verbonden aan een instelling. Van Ruler komt tot hogere schattingen.
 

Paradigmashift. Op basis van de toch enigszins teleurstellende resultaten van de acties van de diverse wtc-organisaties hebben wtc-voormannen zoals Durant en Wynne in de jaren negentig het idee van een paradigma shift gelanceerd. De wtc zou in de toekomst niet langer alleen moeten leunen op de klassieke massamedia, maar ook gebruik moeten maken van de mogelijkheid van interpersoonlijke en andere vormen van interactieve wtc. Dat zou vooral het vertrouwen in wetenschap en techniek kunnen vergroten.
Nieuwe mogelijkheden en werkwijzen hebben nogal eens de neiging om het bestaande te verdringen: zoals de televisie de radio op diverse terreinen heeft overstemd en zoals internet dat zou kunnen doen met de kranten. Bijna iedereen is immers graag bij de tijd. Dat zou ook kunnen gebeuren in de wtc waar de moderne interactieve wtc zich zou kunnen ontwikkelen ten koste van de klassieke massamediale. Maar als het al mogelijk zou zijn om de massamediale wtc (zoals de wetenschapsjournalistiek) terug te dringen, zou dat toch in elk geval zeer onwenselijk zijn. Met het badwater zou ook het kind worden weggegooid. Wetenschapscommunicatie via dagbladen, tijdschriften en tv is van groot belang omdat het doorgaans goed wordt gedaan, veel mensen erop vertrouwen en het bereik van bijvoorbeeld tv (nog) niet te evenaren is.
[27] We hebben massamedia nodig vanwege hun ervaring en verworven status, die er onder meer toe heeft geleid dat veel mensen[28] televisie noemen als meest gewenste medium voor wtc.


De nieuwe wegen in de wtc – zoals in de interactieve communicatie in science centers en via internetcommunities – dienen te worden gestimuleerd, maar moeten kunnen floreren naast de massamediale wtc. Logan3 3 formuleerde dat als volgt: ‘While the interactive and the scientific literacy tradition are different, they are not mutually exclusive. Although the interactive tradition responds to conceptual binds within the scientific literacy model, the intent of the interactive tradition is to underline – rather than replace – the traditional view of the science communication process. The interactive tradition does not quarrel with the idea that citizens should be better informed about science, nor does it overlook the important roles scientists, journalists, public information officers, public interest groups corporations, governmental and nongovernmental agencies and other professionals play in providing high quality science information to the public.’
In hoofdstuk 8 proberen Lucien Hanssen en anderen dat zogenaamde tweesporenbeleid vorm te geven. In 2003 schreef hij daarover: ‘In het communicatieonderzoek rondom wetenschapsvoorlichting zijn twee theoretische (hoofd-) richtingen te onderscheiden: de klassieke en de alternatieve opvatting. De eerste visie kan worden omschreven als het klassieke model. In de klassieke opvatting wordt kennis gezien als een product van verifieerbaar wetenschappelijk onderzoek die zijn weg vindt van wetenschappers via media of andere intermediairs naar het publiek. Naast de klassieke visie is er het alternatieve model van wetenschapsvoorlichting. Binnen deze opvatting wordt kennis gezien als minder vaststaand of zeker: kennis als sociale constructie. Kennis vloeit ook niet vanzelfsprekend van experts via media naar leken. De alternatieve opvatting kiest voor een culturele benadering in het omgaan met kennis. Kennis krijgt vorm en betekenis in een sociale omgeving. Beide visies sluiten elkaar niet uit, ze zijn in zekere zin aanvullend. Ze kunnen ieder afzonderlijk en gezamenlijk waardevolle inzichten leveren voor de wetenschapsvoorlichting.’ 

Logan3 3 formuleerde dat als volgt: ‘While the interactive and the scientific literacy tradition are different, they are not mutually exclusive. Although the interactive tradition responds to conceptual binds within the scientific literacy model, the intent of the interactive tradition is to underline – rather than replace – the traditional view of the science communication process. The interactive tradition does not quarrel with the idea that citizens should be better informed about science, nor does it overlook the important roles scientists, journalists, public information officers, public interest groups corporations, governmental and nongovernmental agencies and other professionals play in providing high quality science information to the public.’
In hoofdstuk 8 proberen Lucien Hanssen en anderen dat zogenaamde tweesporenbeleid vorm te geven. In 2003 schreef hij daarover: ‘In het communicatieonderzoek rondom wetenschapsvoorlichting zijn twee theoretische (hoofd-) richtingen te onderscheiden: de klassieke en de alternatieve opvatting. De eerste visie kan worden omschreven als het klassieke model. In de klassieke opvatting wordt kennis gezien als een product van verifieerbaar wetenschappelijk onderzoek die zijn weg vindt van wetenschappers via media of andere intermediairs naar het publiek. Naast de klassieke visie is er het alternatieve model van wetenschapsvoorlichting. Binnen deze opvatting wordt kennis gezien als minder vaststaand of zeker: kennis als sociale constructie. Kennis vloeit ook niet vanzelfsprekend van experts via media naar leken. De alternatieve opvatting kiest voor een culturele benadering in het omgaan met kennis. Kennis krijgt vorm en betekenis in een sociale omgeving. Beide visies sluiten elkaar niet uit, ze zijn in zekere zin aanvullend. Ze kunnen ieder afzonderlijk en gezamenlijk waardevolle inzichten leveren voor de wetenschapsvoorlichting.’ 

Techniekcommunicatie.Zoals eerder gezegd: de wtc is sterk (bèta)wetenschapsgericht en heeft relatief weinig aandacht voor techniek. Zeker: in tijdschriften zoals Natuurwetenschap & Techniek en in de wetenschapskaternen van dagbladen komen technologie en techniek ook aan bod en in Science centers zijn die soms zelfs zeer aanwezig, maar wanneer je het wtc-landschap in zijn geheel probeert te overzien, vind je toch vooral bètawetenschap en relatief weinig techniek en technologie. En de bestaande aandacht voor technologie (bijvoorbeeld de biotechnologie en de geneeskunde) ligt vaak op het grensgebied van wetenschap en techniek en is daardoor zelden puur.
De beide wetenschappelijke tijdschriften voor wtc heten Public Understandig of Science (pus) en Science Communication; Technology en Technics worden in de titels niet genoemd en zijn er ook zelden in te vinden. In de pcst zit Technology wel in de naam, maar op de gelijknamige congressen wordt het onderwerp doorgaans stiefmoederlijk behandeld. Maar met de opkomst van het economische motief voor wtc lijkt ook de aandacht voor technologie en techniek gegroeid. Diverse recente overheidsinitiatieven (zoals de oprichting van Nemo en van het platform Bètatechniek) zijn dan ook vooral op techniekcommunicatie en vooral op de promotie van technologie en techniek gericht. In hoofdstuk 9 staat Michael Steehouder stil bij de opkomst van de techniekcommunicatie, die aanvankelijk vooral gestalte kreeg in de vorm van zogenaamd technisch schrijven ten behoeve van handleidingen en gebruiksaanwijzingen.
In hoofdstuk 10 beschrijven Maarten van der Sanden en Caroline Wehrmann een instrument om theorie en praktijk van communicatie over techniek dichter bij elkaar te brengen.
En er is nog een ander grensgebied: de medische wtc. Dat zou iets anders zijn dan patiëntenvoorlichting en gezondheidscommunicatie (gvo), maar het blijft moeilijk om de grenzen scherp aan te geven. Meijman[29] formuleerde deze diversiteit in zijn oratie als volgt: ‘De patient zoekt zekerheid, het publiek amusement, het beleid eenduidige conclusies, de beroepsgroep helderheid en de wetenschapper bekendheid en ook rust.’ Wat zijn de verschillen en overeenkomsten tussen wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) enerzijds en medische publiekscommunicatie anderzijds? In hoofdstuk 11 gaan Maarten van der Sanden en Frans Meijman in op hetgeen beide communicatiedomeinen bindt: systeemtheorie. Hoe ontstaat dynamiek? En wat is de kracht van chaos? Ze komen onder meer tot de slotsom dat het moeilijk is om de diverse terreinen van elkaar te onderscheiden: wat het ene moment patiëntenvoorlichting is, kan een volgend ogenblik wetenschapsvoorlichting zijn. Dit is op zich geen probleem, maar communicatie op verschillende niveau’s en op verschillende tijden maakt het proces niet eenvoudig.  

Nog meer wtc? Binnen de wtc groeit het inzicht dat de communicatie tussen onderzoekers onderling en tussen onderzoekers en relevante professionals ook een aandachtsgebied van wtc zou moeten zijn. De communicatie tussen enerzijds wetenschappers/experts en anderzijds beroepsgroepen zoals leraren, artsen, voorlichters, technici en andere praktijkmensen, zou je dus tot het wtc-domein kunnen rekenen. Zijn zij dan geen algemeen publiek? Ja en nee. Evenals het grote publiek staan de professionele gebruikers van innovaties vaak ver af van de bronnen van kennis; universiteiten en onderzoeksinstellingen hebben zelden hechte banden met beroepsgroepen buiten de wetenschap. Maar de voorkennis, interesse en relevante ervaring van deze beroepsgroepen is echter vaak groter dan die van het algemene publiek en hun belang bij een goede communicatie met onderzoekers gaat meestal verder dan nieuwsgierigheid. In adoptiecurve zou je hen terugvinden in categorie 2: early adopters. Kortom, de professionals lijken een categorie die speciale aandacht verdient.
Omdat professionals grote belangen kunnen hebben bij een goede communicatie met wetenschappelijke onderzoekers (denk aan de communicatie tussen wetenschappelijke onderzoekers aan universiteiten of tno enerzijds en artsen anderzijds) besteden we aan het slot van dit boek ook aandacht aan deze specifieke vorm van wtc. In hoofdstuk 12 proberen Peter Groenewegen en anderen dit wtc-domein te positioneren
 

Doelgroepen. De wtc richt zich op diverse doelgroepen, maar vanouds is het sterk gericht op het grote of algemene publiek, op de samenleving of in elk geval op grote groepen daaruit. De wtc richt zich tot groepen buiten het domein van wetenschap en techniek. In de doelstellingen van veel wtc-instellingen noem je het grote of brede publiek (of publieksgroepen zoals de jeugd) doorgaans ook als enige of in elk geval belangrijkste doelgroep en op de grote congressen van de pcst is het eveneens publiekscommunicatie wat de klok slaat. In de ocw-nota Boeiend, Betrouwbaar en Belangrijk15:15 staat het belang van het grote publiek als doelgroep als volgt omschreven: ‘In de wereldwijde kenniseconomie is een brede vertrouwdheid van de bevolking met nieuwe ontwikkelingen op het terrein van wetenschap en techniek een basisvoorwaarde voor economische groei en maatschappelijke ontwikkeling. Het hoofddoel van het overheidsbeleid voor wetenschaps- en techniekcommunicatie is dan ook het krachtig stimuleren van de belangstelling en het enthousiasme voor en de kennis van wetenschap en technologie onder de verschillende doelgroepen van de bevolking en het stimuleren van de kritisch maatschappelijke discussie hierover door een breed publiek.’
In de doelstellingen van het Platform Bèta-Techniek staat: ‘Belangrijkste doel is de missie en aanpak van het Platform bij onder andere het publiek helder en gewaardeerd over het voetlicht te brengen. De communicatie van het Platform Bèta-Techniek is georganiseerd langs drie niveaus. Een daarvan is de wetenschaps- en techniekcommunicatie en educatie: communicatie die zich richt op keuzeprocessen van jongeren.’ In hoofdstuk 13 proberen Barbara Regeer en ik greep te krijgen op deze doorgaans verwaarloosde groep in de wtc. Cees van Woerkum en Hedwig te Molder verdiepen die aandacht voor het publiek in hoofdstuk 14 met een beschouwing over de wijze waarop dit publiek in het alledaagse taalgebruik wetenschappelijke informatie benut.
In dit boek hebben we geprobeerd de professie wtc te onderbouwen vanuit het wetenschapsdomein wtc, hoewel dat nog nauwelijks vorm heeft gekregen. Zoals we al eerder zagen leunt de wetenschapscommunicatie op diverse en soms zeer verschillende wetenschappelijke disciplines: vaak op de communicatiewetenschap en soms ook op de vroegere voorlichtingskunde, op de pedagogiek en de onderwijskunde, de psychologie en politicologie, op diverse domeinen van de wetenschapsstudies (science and technology studies) en op de informatiekunde. In hoofdstuk 15 probeer ik een plaats te vinden voor het vakgebied wetenschapscommunicatie in het wetenschappelijke spectrum. Elroy Cocheret de la Morinière bespreekt ten slotte de tekortkomingen van het wtc-beleid. Hij betoogt, mede kijkend naar de (benodigde) ontwikkelingen in de praktijk, dat een gezamenlijke stem van het gehele wtc-landschap gewenst is. Hij werkt het idee voor een overkoepelende raad uit, met daarin vertegenwoordigers van alle partijen in de wtc. 



[1] Wynne, B. (1992).
[2] Willems & Woudstra (1993).
[3] Logan, R. (2001).
[4] Willems, J. (1991).
[5] Hagen, P. (1991).
[6] Donkers, H & J. Willems. (1999).
[7] Willems, J. (1976).
[8] Woerkum, C. van (1991).
[9] Bossche v.d. S & J de Greve (2000).
[10] Woerkum, C van & A van der Auweraert. (2004).
[11] Bauer, R. (1964).
[12] Stappers, J. et al.
[13] Durant, J. (1991).
[14] Willems, J (2002).
[15] OCW, EZ en LNV (2000).
[16] Grote, C von & M. Dierkes (2000). Trust (ed C von Grote & M Dierkes) Amsterdam: Harwood.
[17] knaw (1977).
[18] Platform Beta-Techniek (2006).
[19] Hanssen, L. et al. (2003).
[20] Gerbner, G (1979).
[21] Einsiedel, E. & B. Thorne (1999).
[22] Ruler, B. Van (2004).
[23] Nelkin, D. (1987).
[24] Wiedenhof, N. (1978).
[25] Dalderup, L. (2000).
[26] Wiedenhof, N. (1995).
[27] Willems, J. (2006).
[28] Eurobarometer 55.2 (2001).
[29] Meijman, F. (2000). 

Boeken bestellen

Met Pensioen

o.a. bij BOL en bij Mets en Mets

en als e-book bij Mets&Mets

 

 

Late Liefde en De Erfenis:

bij Nieuw Amsterdam

noimage