Jaap Willems

een nieuwe kenniskloof

  Internet als groeiend risico voorde wetenschapscommunicatie 

De klassieke kenniskloof tussen groepen mensen met verschillende opleiding wordt steeds meer wordt gedicht. Dat hangt samen met de opkomst van nieuwe media, met name internet. In plaats van deze oude kenniskloof dreigt echter een nieuwe te ontstaan: tussen verschillende soorten kennis. Ook dankzij internet. 

De Amerikanen Tichenor c.s. lanceerden in 1970 de hypothese dat, als men informatie over bijvoorbeeld wetenschap, techniek of politiek verspreidt via massamedia, mensen met een hogere sociaal economische status (SES), daarvan meer profijt hebben dan mensen met een lagere SES. Daardoor neemt het verschil in kennis tussen beide groepen toe (Tichenor e.a., 1970). De auteurs leken daarmee aan te tonen dat het verspreiden van (moeilijke) informatie via de pers de ongelijkheid in samenleving vergroot. Dag- en weekbladen zouden de kenniskloof tussen groepen mensen in de maatschappij verbreden door onder meer het verschil in gebruik van de gedrukte media tussen die groepen. De auteurs lanceerden hun idee als hypothese en er is veel discussie geweest over de houdbaarheid daarvan. Rogers cs hebben de ideeën van Tichenor c.s. gerelativeerd in hun diffusie-onderzoek. (Rogers, 1962 en 2003) Maar het idee van een kenniskloof leek zo sterk, dat deze hypothese een eigen leven ging leiden; ze was niet meer weg te denken uit de discussies binnen en rond communicatiewetenschap.

De commotie rond de kenniskloofhypothese hangt waarschijnlijk samen met de veronderstelling dat zo’n kloof ernstige gevolgen kan hebben voor de samenleving. Als de verschillen in kennis over maatschappelijk relevante zaken groter worden, zullen steeds meer mensen immers worden buitengesloten bij het nemen van beslissingen op belangrijke terreinen, bijvoorbeeld rond genomics of in het klimaatdebat. Dat was niet de bedoeling. Populariseren van wetenschap en technologie motiveren of moeten we nu zeggen: motiveerden, we juist o.m. door de democratiserende kracht ervan.Vertaald naar de wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) betekent de hypothese van Tichenor c.s. ook dat populariseren van wetenschap de verschillen tussen mensen in science literacy vergroot. En ook dat is niet de bedoeling. We willen immers juist zoveel mogelijk mensen betrekken bij de ontwikkeling en inpassing van innovaties. Stappers meende dat men dat risico overdrijft. Hij sprak gekscherend over de mythen van de informatiekloven (Stappers, 1993). Niet iedereen hoeft volgens hem van alles te weten. Hij illustreerde dit met het voorbeeld van het beheersen van de Italiaanse taal. Het is volgens hem niet nodig dat iedereen Italiaans spreekt. Zo’n kenniskloof zou zelfs wenselijk zijn, of tenminste onvermijdelijk.We menen dat hij zijn publiek daarmee op het verkeerde been zette. Het is inderdaad doorgaans geen probleem als je geen Italiaans spreekt, maar zo’n kloof kan wel ernstig zijn als ze ontstaat op het terrein van bijvoorbeeld de behandeling van aids of ten aanzien van de stralingsrisico’s van gsm’s of over de islam d.w.z. op het terrein van maatschappelijk relevante vraagstukken. Onkunde kan dan gemakkelijk valse hoop of onterechte vrees oproepen. 

De soep wordt natuurlijk niet zo heet gegeten als ze wordt opgediend. De kenniskloofhypothese van Tichenor cs was gebaseerd op onderzoek naar dag- en weekbladen. Maar wanneer je de effecten van TV-kijken onderzoekt, ontstaat al een ander beeld: moeilijke informatie zoals DNA-onderzoek blijkt dan ook mensen met minder scholing te bereiken, bijvoorbeeld via het populaire programma CSI. Tichenor en ook anderen noemen TV daarom een knowledge leveler.  Beter opgeleiden hebben via dag- en weekbladen hun kennis opgevijzeld; lager opgeleiden lopen hun kennisachterstand in doordat zij meer TV kijken. De verschillen worden daardoor min of meer genivelleerd. Je kunt in dit kader ook spreken van een ceiling-effect: de hoger opgeleiden zitten op een terrein zoals DNA-onderzoek al aan hun kennisplafond. Lager opgeleiden kunnen daardoor hun achterstand inlopen. Wij denken dat er meer aan de hand is. De kenniskloof verdwijnt niet alleen doordat TV-kijkers met minder opleiding, hun feitenkennis bijspijkeren. Door de opkomst van TV wordt het verschijnsel wetenschap gepopulariseerd. Wetenschap wordt gewoon; wetenschap en techniek worden gemeengoed. De ivoren toren zakt in elkaar.Voor veel mensen was wetenschap iets op nauwelijks of onbereikbare hoogte. Doordat wetenschap en techniek alledaags worden, zijn steeds meer mensen in staat die kennis te begrijpen en te incorporeren in hun dagelijkse leven. Aansprekende voorbeelden daarvan vind je in de voedingsinformatie en de ict. Hamelink (1999) introduceerde in dit verband de term informatiekapitaal. Het gaat volgens hem niet alleen om feitenkennis, maar ook om het vermogen om daarmee om te gaan. In het voetspoor van de economische nivellering wordt ook dit vermogen eerlijker verdeeld. Meer mensen leren steeds beter om meer (wetenschappelijke en technologische) kennis te benutten. 

Maar hoe kun je TV als bron van kennis beschouwen? Er zijn in Nederland nauwelijks wetenschapsprogramma’s en ook in de rest van Europa zijn ze zeldzaam. Het gaat bij deze verspreidingsprocessen niet op de eerste plaats om programma’s over wetenschap en techniek. Op TV vind je wetenschap en techniek in allerlei omgevingen. Kijk naar Sesamstraat, naar Teleac, het Journaal, naar het pretprogramma Hoezo!, naar actualiteitenrubrieken, quizzen, OU programma’s en de ziekenhuisseries zoals ER.Ook ziekenhuisseries? Ja, we hanteren een brede definitie voor wtc. Die vindt u ook in het Basisboek wetenschapscommunicatie. (Willems, 2007) Het gaat bij deze definitie van wtc niet alleen om de resultaten van academisch onderzoek, maar om het populariseren van kennis in het algemeen. Ook gezondheidscommunicatie, milieueducatie en dergelijke rekenen we daarom tot de wtc omdat ook daarbij academische kennis wordt gepopulariseerd. 

Als de kenniskloof minder diep of minder breed is geworden door de opkomst van TV, dan moet de opkomst van digitale media zoals internet tot verdere opvulling c.q. versmalling van de kenniskloof leiden. Dankzij internet is informatie immers nog gemakkelijker toegankelijk geworden. Via Google en Wikipedia is alles, altijd beschikbaar. Dat betekent onder meer dat het algemene publiek nog gemakkelijker toegang heeft tot informatie over bijvoorbeeld klimaat, genomics, overgewicht en kernenergie. Van Dijk schrijft in het Jaarboek ICT & Samenleving dat internet waarschijnlijk een veel groter gewicht in de communicatieschaal legt dan enig ander medium daarvoor heeft kunnen doen (van Dijk, 2007; Steyaert & de Haan, 2007). Een en ander betekent dat digitale media zoals internet door hun lage drempel en brede bereik, veelbelovend kunnen zijn voor de wetenschaps- en techniekcommunicatie. Misschien worden ze in de toekomst zelfs gezichtsbepalend.  

Gebruik internet Om de nieuwe mogelijkheden van internet voor de wtc te verkennen moeten we even stil staan bij het gebruik van internet. Wat doen mensen op het web? Zoeken zij wel naar informatie, bijvoorbeeld over wetenschap en techniek? Of spelen ze vooral spelletjes? Of is e-mail of telebankieren de belangrijkste ict activiteit? Daarover is recent onderzoek gedaan door het CBS. Dat is samengevat in het al eerder genoemde jaarboek ICT & Samenleving (Steyaert, J en J de Haan, 2007). We hebben enige cijfers eruit gelicht. 

Internetgebruik (een selectie)Spreiding over drie opleidingsniveaus Wat doen mensen op internet?                           Hoog opgeleid                        midden                        laag opgeleid 

Informatie vergaren               96%                            92                    82
Spelletjes spelen                     39                               48                    61
mailen/chatten                       24                               38                    55 
bron: ICT & Samenleving 

 Volgens eerder onderzoek zou men het internet vooral benutten voor communicatie: mailen en gamen. Maar volgens het recente CBS ondersoek gebruiken veel mensen internet vooral om informatie te zoeken. Het gaat hen dus net op de eerste plaats om de communicatie, maar om de zgn. content. Dat zal niet altijd wetenschap of techniek zijn (maar bijvoorbeeld ook vertrektijden van de trein of telebankieren), maar het eerder genoemde jaarboek laat ook zien, dat veel gebruikers niet terugschrikken voor steviger kost. Op Google wordt veel naar serieuze informatie gezocht; Wikipedia biedt niet veel anders. En wat voor het algemene publiek lijkt te gelden, geldt ook voor journalisten. Recent Nijmeegs onderzoek laat zien dat zij in toenemende mate internet benutten voor het zoeken naar informatie: bijna de helft doet dat dagelijks, slechts vijf procent doet dat nooit. Volgens het Nijmeegs onderzoeksrapport is internet ‘een niet meer weg te denken hulpmiddel voor de hedendaagse nieuwsproductie’ (Pleijter, 2007). 

Als internet een hoofdrol gaat spelen in de wtc, biedt dat ook mogelijkheden de oude wtc-idealen opnieuw voor het voetlicht te halen. Wetenschaps- en techniekcommunicatie lijkt verworden tot een louter marketing instrument. Men benut het steeds vaker alleen om fondsen te werven, studenten te trekken en voor andere economische doelen. Kijk naar het programma van het Deltaplan Beta-techniek, naar de doelstellingen van het science center Nemo. Economische valorisatie lijkt het enige of tenminste, het belangrijkste bestaansrecht (geworden). Democratische en culturele motieven zijn naar de marge verbannen. Dat vinden we een achteruitgang, een verschraling van de doelstellingen. Wetenschap is meer dan economisch nuttig. Het is een deel van onze cultuur.We verwachten bovendien dat via internetsites zoals Kennislink de eigen interesse van mensen een nieuwe kans krijgt. Je zoekt idealiter iets op internet omdat jij dat wilt weten, niet omdat een voorlichter vindt dat je het zou moeten weten omdat er bijvoorbeeld meer interesse moet ontstaan van bèta en techniek. 

Nieuwe kenniskloof Een hoofdrol voor internet in de wtc is echter niet zonder risico’s: er staat namelijk zeer veel onbetrouwbare informatie op het net. Als mensen informatie van internet gaan halen, wat vinden ze er dan? Als ze meer willen weten over bijvoorbeeld de klimaatverandering of over de relatie leefwijze en overgewicht of over HIV. Wat biedt het internet dan?We hebben de sterke indruk dat er op het internet erg veel semikennis en regelrechte onzin staat. Of het nu over klimaatverandering gaat of over het ontstaan van obesitas of over de beste behandeling van een erfelijke aandoening. Je vindt op internet de meest vreemde theorieën, adviezen, verklaringen en waarnemingen. Ook kwakzalvers en dubieuze reclamemakers kennen de weg op internet. Hamelink gaf zijn VU-oratie over internet de titel: de leugen regeert. Internet leent zich volgens hem uitstekend voor frauduleuze informatie. Vooral op het gebied van gezondheid is er volgens hem vaak sprake van bedrog. Mensen doen zich voor als deskundigen terwijl ze dat niet zijn. Op internet wemelt het van de kwakzalvers, die namaakmedicijnen en gevaarlijke diëten voorschrijven (Hamelink, 2002). Dat kan volgens hem bijzonder vervelende gevolgen hebben want veel mensen zien het internet als een soort medische bibliotheek, waarin men betrouwbare informatie vindt. 

Willems heeft een groot aantal sites en blogs bekeken over klimaatverandering. Uit die verkenning is de indruk ontstaan dat er ook over klimaat erg veel ongefundeerde informatie op het internet staat. Doordat de toegang doorgaans vrij is, kan iedereen alles verspreiden, ook onzinnige verklaringen en andere niet-geverifieerde informatie over bijvoorbeeld het gat in de ozonlaag, de rol van CO2 in de opwarming van de aarde, het nut van energiebesparing. Doordat er veel meer niet-deskundigen op internet actief zijn dan deskundigen, zal de toename van onbetrouwbare informatie ook veel groter zijn, dan die van betrouwbare informatie.  

 Kwalitatief onderzoek naar de betrouwbaarheid van ’klimaat sites’ 
Kwaliteit sites:                                              Betrouwbaar  onbetrouwbaar     onzin           
Oorzaken en gevolgen klimaatverandering              +               +++         ++     
Idem van het gat in de ozonlaag                               ++            ++            +
Idem van de zeespiegelstijging                                  +               +++         ++
Idem van de rol van CO2                                          +               ++            ++
Idem van de Veranderingen in gletsjers                   +               +++          + 

Omdat de hoeveelheid onbetrouwbare kennis op internet sneller groeit dan de hoeveelheid betrouwbare, neemt de kloof tussen beide soorten kennis snel toe. De onbetrouwbare kennis overspoelt de rest; betrouwbare informatie verdrinkt in de onzin, reclame en ongeverifieerde ideeën.Kortom: er ontstaat een snel breder wordende kenniskloof, tussen twee soorten kennis: gefundeerde en ongefundeerde kennis, betrouwbare en onbetrouwbare informatie.   De toenemende onbetrouwbaarheid van internet komt ook naar boven in het eerder genoemde Nijmeegse onderzoek. Ruim een derde van de journalisten noemt de informatie van internet onbetrouwbaar; in 2002 was dat nog geen 20 procent. De groeiende onbetrouwbaarheid van kennis op internet is ernstig omdat het zeer schadelijke gevolgen kan hebben, met name als het om maatschappelijk relevante informatie gaat. Herinnert u zich de uitspraken van de Zuidafrikaanse president Mbeki over aids? Hij betoogde dat HIV niet de oorzaak kon zijn. Hij had dat gelezen op internet. Mbeki heeft daarmee ongetwijfeld de verspreiding van aids in Zuid Afrika in de hand gewerkt (van Strien, 2007).Onjuiste informatie kan ook valse hoop bieden, bijvoorbeeld op nieuwe kankertherapieën (de affaire Buck); het kan riskante zelfmedicatie bevorderen (de interferon affaire), het kan onredelijke verwachtingen oproepen ten aanzien van het probleemoplossende vermogen van de techniek, enzovoort. Onjuiste informatie kan onterechte vrees creëren, bijvoorbeeld voor de straling door gsm-masten, voor additieven in voedingsmiddelen, voor de islam. 

Betrouwbaarheid Wanneer is informatie betrouwbaar? Wanneer is kennis juist? Het lijkt zinvol om informatie over wetenschap en techniek te onderscheiden in vier categorieën

- Wetenschappelijke informatie (bijv op site van Kennislink, het Erfocentrum of het Voedingscentrum)

- Onderling gecontroleerde ervaringsinformatie (zoals op de sites van zgn. gezondheidscommunities zoals HIVnet)

- Onvoldoende gecontroleerde informatie/ halve waarheden (zoals soms bij Greenpeace)

- onzin. 

We beschouwen informatie dus als betrouwbaar als zij volgens academische normen is verkregen of door onderling gecontroleerde ervaring van relevante leken/patiënten is verworven. Bij wetenschappelijke informatie wordt de juistheid min of meer gewaarborgd door de zgn. peerreview. Bij de ervaringskennis die je op internet communities van o.a. patiëntenverenigingen tegenkomt, lijkt het zelfreinigende vermogen door onderlinge controle voldoende om de kwaliteit van de informatie te garanderen. Informatie over bijvoorbeeld bijverschijnselen van een behandeling wordt er gecombineerd met communicatie daarover. Sites zoals HIV-net en Hypomaarniethappy zijn daarvan fraaie voorbeelden (de Bruin en Ventevogel, 2007).Dat betekent dat wij niet alleen de pure onzin van kwakzalvers en sommige reclamemakers als onbetrouwbaar karakteriseren maar ook de categorie halve waarheden (zoals bijvoorbeeld in het klimaatdebat soms aan de orde komen) als zodanig typeren. 

Bescherming? Er is dus een probleem. Als internet zo belangrijk kan worden voor de wtc als menigeen denkt, en als er zo veel onbetrouwbare kennis via internet wordt verspreid als wij veronderstellen, dan loop de wtc een fors risico met dit nieuwe medium: misinformatie en de daaruit voortkomende valse hoop en onterechte vrees.Hoe kun je dat risico verkleinen? We zien (tenminste) vier mogelijkheden

:-een keurmerk voor betrouwbare informatie

- selectie van het aanbod dwz een redactie zoals in sommige internetcommunities;

- begeleiding bij het zoeken naar informatie.

-Een vooral: meer wetenschappers op internet; 

We zullen deze mogelijkheden kort de revue laten passeren.Over het nut van een keurmerk voor betrouwbare informatie lopen de meningen sterk uiteen. Je hebt believers en non-believers. Keurmerken zoals QMIC voor medische websites zouden volgens de een, mensen beschermen tegen non-informatie (Vedder, 2006). Maar volgens anderen hebben alle pogingen om via een keurmerk de kwaliteit te bewaken, tot nu toe niet gewerkt (de Bruin en Ventevogel, 2007). Providers moeten dan meewerken en dat lijkt een probleem. We laten die discussie hier met rust. 

Het risico van de verspreiding van onjuiste informatie kun je waarschijnlijk wel goed beperken door de vrije toegang te bewaken, bijvoorbeeld door het instellen van een redactie of moderator.Het Amerikaanse edu-net wordt al op deze manier beschermd tegen mensen met wilde informatie en ook Wikipedia probeert dat. Als (ervarings-)deskundigen aangeboden informatie systematisch controleren, is het mogelijk om onbetrouwbare informatie min of meer te weren. Redacteuren doen idealiter niet anders. En ook internet-communities kunnen als filter fungeren. Volgens het onderzoek van De Bruin & Ventevogel treedt er in die communities een zekere controle op door de leden van de community: de lotgenoten Ongefundeerde informatie wordt vaak door de medepatiënten of lotgenoten gecorrigeerd. Als dan niet of onvoldoende gebeurt, degradeert zo’n community doorgaans en sterft dan af (De Bruin & Ventevogel, 2007). 

Het risico van misleiding kun je (daarnaast) ook beperken door mensen te begeleiden bij het zoeken op internet. Door mensen te helpen op hun zwerftocht over het web kun je het risico inperken dat zij onjuiste, onbetrouwbare informatie als betrouwbaar aannemen en bijvoorbeeld meenemen naar hun huisarts of medisch specialist. Dat gebeurt in het onderwijs. Bos (VU, Amsterdam) onderzocht in zijn promotie-onderzoek op welke manier je vwo-leerlingen kunt coachen bij hun zoektochten nop het web, in zijn geval bij het zoeken naar informatie over ecogenomics. Dat lijkt kansrijk. Het coachen van informatiezoekers kan een nieuwe functie worden van de wetenschapscommunicatie. Hoorn (2007) heeft daarover tijdens het congres Sharing Knowledge 2007 een idee gelanceerd.

Een vierde mogelijkheid om de risico’s van een nieuwe kenniskloof in te dammen, is dat wetenschappers worden gestimuleerd om zèlf meer het internet op te gaan. Als zij meer informatie op internet zetten, groeit de hoeveelheid geverifieerde informatie immers sneller dan nu het geval is en daardoor versmalt de kenniskloof. Dit gebeurt al op het zgn. Darenet, een open access database, waarop onderzoekers hun publicaties kunnen achterlaten. Maar die informatie is niet gepopulariseerd en daardoor slecht toegankelijk. Populariseren van wetenschap en techniek gebeurt ook al. Op Wikipedia, op de site van Alpha Galileo, Kennislink en op vergelijkbare sites. Dat gebeurt nog te weinig.Wanneer je meer wetenschappers wilt overhalen om te populariseren op internet, dan vraagt dat ook om het vergroten van hun communicatievaardigheden. Veel onderzoekers kunnen niet communiceren met leken of kunnen dat niet meer. Ze moeten diverse communicatiebarrières overwinnen in hun contact met de rest van de samenleving en daartoe moeten ze onder meer opnieuw leren communiceren (Willems, 2003). Wetenschappers beter trainen in communicatie is in het universitair onderwijs niets nieuws. Nederland kent sinds het zgn. bètaconvenant een Communicatie/ Educatie onderwijsprogramma voor bèta’s. Aan de zes algemene universiteiten en de drie TU’s bestaan min of meer stevige CE-programma’s voor wetenschapscommunicatie en –educatie.

Maar trainen alleen lijkt niet voldoende. Wetenschappers moeten ook de kans krijgen om zelf te populariseren op internet. Het is in ons land nog niet vanzelfsprekend dat zij dat doen, zoals in de UK en de VS. Naast vaardigheid is dus ook mentaliteitsomslag nodig, met name bij superieuren. Populariseren van wetenschap wordt namelijk doorgaans niet gewaardeerd door hoogleraren, afdelingshoofden en andere leidinggevenden. Colleges van Bestuur van universiteiten bepleiten het publiek maken van wetenschap weliswaar regelmatig; de meeste universiteitsbestuurders bepleiten dus naast de populaire economische valorisatie ook de zgn. maatschappelijke. Maar de subtop handelt er niet naar. Nog steeds worden onderzoekers berispt door bijvoorbeeld hun hoogleraar, omdat ze (te) veel tijd hebben gestoken in het schrijven van bijvoorbeeld een populairwetenschappelijk artikel of voor het deelnamen aan een Open Dag. Daartoe zijn zij niet aangesteld, zegt men dan, dat levert geen geld en geen publicaties op. Kortom, internet biedt nieuwe kansen aan de wtc, maar vergroot ook het risico van valse hoop en onterechte vrees. Dat risico wordt vergroot door het ontstaan van een nieuwe kenniskloof d.w.z. door de groeiende hoeveelheid onzin op het internet die de betrouwbare kennis dreigt onder te sneeuwen. Er zijn diverse manieren om daartegen iets te doen, onder meer het stimuleren van onderzoekers om zelf meer op internet te populariseren. De universiteiten kunnen daarbij een toonaangevende rol spelen, onder meer door betere scholing. Maar dat zal waarschijnlijk niet spontaan gebeuren. Daartoe ontbreekt in Nederland de traditie. Daarvoor is regie nodig. Wie neemt die handschoen op? OCW houdt zich stil als het om wtc beleid gaat. Ook NWO en de KNAW schijnen geen regie te willen voeren op dit terrein. Dan moeten de universiteiten het zelf doen. Economisch niet interessant? De financiële ruimte is er. De vorige OCW-minister zei ooit dat vijf procent van het universitaire budget aan wetenschapscommunicatie besteed zou moeten worden. Misschien moeten we dat idee weer eens oprakelen.  

Bonfadelli, H. (2002).  The internet and the knowledge Gaps.Journ Journal of Communication 17-1: 65-84.

De Bruin, J. en A.Ventevogel  (2007).  Patiëntencommunities op het web. Amsterdam: VU University Press.

Dijk,  J. van (2005). The Deepening Devide. Inequality in the Information Society. Londen: Sage

Garrison, B. (2003). How newspaper reporters use the web to gather news. Newspaper Research Journal 24-3: 62-75.

Hamelink, C. (1999). Digitaal fatsoen. Amsterdam: Boom.

Idem (2002). De leugen regeert. Over leugen en bedrog in de informatiesamenleving (oratie). Amsterdam: VU Uitgeverij.

Metzer, M c.s. (2003). College student web use, perceptions of information credibility and verification. Computers & Education 41: 271-290.

Pleijter, A. c.s. (2007).De opmars van online nieuwsgaring. Nijmegen: Radboud Universiteit.

Rogers, E. c.s. (1962 en 2003).Diffusion of innovations.  New York: Free Press.

Stappers, J. (1993). De mythen van communicatie.In: handboek wetenschaps- en technologievoorlichting(ed. Willems, J. en E. Woudstra)Groningen: Martinus Nijhoff.

Steyaert, J en J. de Haan (ed.) (2007). Jaarboek ICT en samenleving. Amsterdam: Boom.

Strien. W. van (2007). Slechte medische informatie is moeilijk van internet te weren. Ethiek & Beleid 7-1: 28-31

Tichenor, Ph., G. Donohue and C. Olien (1970). Mass media flow and differential Growth of knowledge. Public Opinion Quarterly 34-2: 159-170.

Vedder, A. (2006). Relying on the quality of information on the Internet: ethical and legal aspects. Journal of Information, Communication & Ethics in Society 4-1.

Weigold, M. en D. Treise (2004). Attracting teen surfers to science web sites. PUS 13-3: 229-248.

Willems, J. (2003). Bringing down the barriers. Nature 422: 470.

Willems, J. (2007). Het wtc landschap.In: Basisboek Wetenschapscommunicatie.(ed. Jaap Willems) Amsterdam: Boom Onderwijs.              

 

Boeken bestellen

Met Pensioen

o.a. bij BOL en bij Mets en Mets

en als e-book bij Mets&Mets

 

 

Late Liefde en De Erfenis:

bij Nieuw Amsterdam

noimage