Jaap Willems

wetenschapsdomein wtc

 Is wetenschapscommunicatie een domein van communicatiewetenschap? 

Jaap Willems en Erwin SeydelAfdeling ELAN- SEC resp Toegepaste CommunicatiewetenschappenFac.  Gedragswetenschappen Universiteit Twente 

Samenvatting Wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) omvat twee deelterreinen: de massamediale en de interactieve wtc. Wtc lijkt een specialistische vorm van communicatie en de bestudering ervan zou daardoor thuis horen binnen het domein van de communicatiewetenschap. Dat is misschien een voor de hand liggende conclusie voor de studie van de massamediale wtc, maar voor de interactieve wtc lijkt die in eerste instantie te snel. Er zijn argumenten om ook de interactieve wtc binnen de communicatie-wetenschap te onderzoeken, maar ze lijkt daarnaast ook te passen binnen diverse andere gedrags- en maatschappijwetenschappen zoals de pedagogiek, de psychologie en de politicologie of in het bèta-gebied: de informatiekunde. Enkele auteurs pleiten daarnaast voor een interdisciplinaire aanpak.

De interactieve wtc heeft aspecten (zoals persoonlijke communicatie) die onderwerp van onderzoek zijn in diverse sociaal wetenschappelijke domeinen en ook aspecten (zoals mens – machine interactie) die binnen de informatiekunde thuis lijken te horen. Maar alles overziend zou  het onderzoek van interactieve wtc (vooralsnog) toch het meest op zijn/haar plaats zijn in een multidisciplinaire setting of in  de communicatiewetenschap. Daarvoor zijn tenminste twee redenen: wtc-auteurs op dit terrein maken veelal gebruik van multidisciplinaire en communicatiewetenschappelijke bronnen en de communicatiewetenschap verenigt reeds veel relevante aspecten van de diverse betrokken sociaal-wetenschappelijke domeinen zoals de psychologie en politicologie in zich. 

Inleiding   Nieuwe terreinen van academisch onderzoek gaan doorgaans snel op zoek naar erkend onderdak. Wetenschappers willen graag bij een bestaand paradigma aansluiten omdat het daardoor gemakkelijker wordt om te publiceren in tijdschriften met een hoge impact-factor en om subsidie te krijgen. In de toekenningscommissies zitten immers vaak vertegenwoordigers van die erkende domeinen.Het nieuwe specialisme wetenschapscommunicatie maakt daarop geen uitzondering; ook wtc-onderzoekers zijn op zoek naar hun niche. Moeten ze zich aansluiten bij de communicatiewetenschappen omdat ze zich met communicatie bezig houden of hoort de wtc eigenlijk thuis bij de pedagogiek omdat educatie een belangrijke rol speelt en/of de politiek wtc via het zgn. Bèta-convenant heeft gekoppeld aan educatie? Of is het aspect van Informatiekunde omdat internet een erg belangrijke kanaal is geworden?

Is de wtc eigenlijk wel rijp voor een eigen domein? Pas als een specialisme zich voldoende wetenschappelijk heeft bewezen (bij voorbeeld over een eigen theoretisch fundement beschikt), kan het proberen een eigen domein te creëren, met eigen wetenschappelijke tijdschriften en eigen congressen. De wtc beschikt al wel over eigen wetenschappelijke tijdschriften (Public Understanding of Science en Science Communication), maar de eigen theorievorming staat nog in de kinderschoenen. In dit artikel gaan we uit van de vooronderstelling dat wtc onderzoek communicatie-wetenschappelijk onderzoek is.  

Massacommunicatie Wtc werd vroeger vaak aangeduid als wetenschapsvoorlichting, ongeacht of het door journalisten of voorlichters werd beoefend (Stappers, 1983). En voorlichting wordt vanouds bestudeerd door communicatiewetenschappers, eventueel onder het Wageningse pseudoniem voorlichtingskundigen. Stappers et al schrijven in dit kader dat wetenschapsvoorlichting een massacommunicatief fenomeen is; zij plaatsten wtc daarmee al vroeg in het domein van de communicatiewetenschap. Wetenschapsvoorlichting betreft een bijzonder soort informatie, welke door voorlichters en journalisten wordt verschaft aan een groot publiek. In zoverre is derhalve sprake van een gangbaar communicatieproces: zenders die boodschappen aanbieden aan ontvangers; ontvangers die van dat aanbod al dan niet gebruik maken.”Waarom die voorkeur van Stappers voor een plaats van de wtc in de communicatiewetenschap, die pas in 1983 in het Academisch statuut werd opgenomen? Waarom niet aansluiten bij de al veel verder ontwikkelde psychologie of pedagogiek? Stappers schrijft dat hij er geen enkel bezwaar tegen heeft dat ook sociologen, psychologen, politicologen en pedagogen communicatieve fenomenen bestuderen vanuit de eigen belangstelling en eigen gezichtshoek. Maar dat type onderzoek heeft slechts deelaspecten van communicatie tot onderwerp van studie. Dat soort deelstudies leidt volgens hem niet tot compleet inzicht. Het onderzoek naar communicatie moet een eigen domein hebben, meent hij, met eigen methoden en een eigen terminologie en een eigen theorie. Alleen dan kan communicatieonderzoek leiden tot kennis van communicatie. Stappers gaat nog een stap verder en verzet zich ook tegen het idee (van o.a. Fauconnier, 1981 en Burgoon et al, 2002) dat communicatiewetenschap interdisciplinair bestudeerd zou kunnen of moeten worden. ’Van vele zijden wordt naar voren gebracht dat massacommunicatie interdisciplinair of multidisciplinair bestudeerd moet worden. Daartegen is op het eerste gezicht niets in te brengen. Er is geen onderwerp te bedenken dat niet door verscheidene disciplines bestudeerd kan worden, en elk van die disciplines kan een zinvolle bijdrage leveren tot het beter begrijpen van dat onderwerp. Maar al die bijdragen verschaffen inzichten vanuit de eigen invalshoek. Wil men massacommunicatie beter en fundamenteler begrijpen, dan zal dat moeten gebeuren vanuit een algemene theorie.’  

De klassieke wtc heeft haar wortels in de wetenschapsjournalistiek en dat is vanouds een onderzoeksterrein van de massacommunicatie, een domein dat later is omgedoopt tot communicatiewetenschap. De plaats van die massamediale wtc binnen de communicatiewetenschap staat dan ook niet of nauwelijks ter discussie. Dat zie je ook aan wetenschappelijke publicaties over wetenschapsjournalistiek: die verschijnen bijna zonder uitzondering in communicatiewetenschappelijke periodieken zoals in Nederland het Tijdschrift voor Communicatiewetenschap en internationaal Journalism Quaterly en het Journal of Communication. Iets dergelijks geldt ook voor een groot deel van de gezondheidscommunicatie/ GVO en voor de natuur- en milieu-educatie/ NME. Deze vormen van wtc werden vanouds ondergebracht onder de noemer: voorlichting. In de gezondheids-, natuur- en milieuvoorlichting speelden en spelen massamedia eveneens een belangrijke rol. Denk maar eens aan de vele gezondheids-, natuur- en milieubladen, de folders en posters, de radio- en TV programma’s en de talloze sites. Als dat geen journalistieke kanalen genoemd mogen worden omdat journalisten geen voorlichting (willen) geven, dan betreft het in elk geval openbare communicatie, in principe voor iedereen toegankelijk, en als zodanig zijn het eveneens aspecten van massacommunicatie (Stappers, 1983).

Beide werkterreinen, GVO en NME, profileren zich graag als specialismen waarbinnen interactieve c.q. interpersoonlijke communicatie een grote rol speelt en er bestaan diverse fraaie voorbeelden van die interactiviteit (persoonlijke gezondheids-adviezen, publiekslezingen, natuur- en milieuacties), maar massamedia vormen nog altijd de ruggegraat van de publiekscommunicatie van de desbetreffende organisaties. Volgens Einsiedel (2000) lenen gezondheids- en milieuproblemen zich zelfs bij uitstek voor zo’n massamediale benadering: ‘The cognitive deficit model has proved quite useful in such cases, particularly for specific environmental or health issues with which the public has no or little experience. Public understanding of AIDS is a useful example.’Over het klassieke, massamediale model van wtc schrijft Felt (2000):’ Discussion and investigation of relations between science and the public was long based on a so-called linear model consisting of a sender, a receiver, and a mediator. Scientists were regarded as producers of genuine knowledge, which was then simplified. The mediators were forced into the role of translators.  The communication of science was reduced to a process of translation, so many of the theoretical considerations focused on transfer media, their structural limitations, and the possibilities and restrictions that language imposes on the popularization of scientific knowledge.’ In het vervolg van haar hoofdstuk geeft Felt onder meer aan dat “popular knowledge” in de moderne wtc belangrijker is geworden en dat de scheidslijn tussen wetenschappers en het publiek daardoor minder rigide is dan lang verondersteld; impliciet geeft ze aan dat interactie een grotere rol is gaan spelen in de wtc of dat in elk geval zou moeten doen, maar het belang van het communicatiewetenschappelijke model stelt ze niet ter discussie. Sørensen (2000) doet dat wel: hij plaatst expliciet vraagtekens bij de klassieke communicatiewetenschappelijke aanpak en pleit in het voetspoor van o.a. Wynne (1992) voor een bredere benadering van de wtc waarin ook andere dan communicatie-wetenschappelijke modellen – zoals cultuurstudies - een rol spelen. Hij verwerpt het klassieke massamediale deficiëntiemodel als achterhaald en breekt een lans voor een meer integrale benadering van de relatie wetenschap - samenleving. Regeer (1998) plaatst wetenschapscommunicatie eveneens in het bredere perspectief van de relatie tussen wetenschap en samenleving en combineert het discours van wetenschapsstudies met dat van wetenschapscommunicatie in de praktijk van de science centers. 

Apart vakgebied?Als de klassieke wtc vooral massacommunicatie is, is het dan wel een apart vakgebied? Kunnen we de wetenschaps- en techniekcommunicatie (inclusief het GVO en NME) dan niet beter als een verbijzondering van de journalistiek en/of de voorlichting beschouwen en de wetmatigheden ervan afleiden uit het algemene communicatiewetenschappelijk onderzoek. De manier waarop we informatie over bijvoorbeeld genomics of klimaatverandering proberen te verspreiden lijkt op het eerste gezicht ook veel op de manier waarop men dat doet met informatie over politiek of onderwijs. Anders gezegd: onderscheidt wtc zich wezenlijk van andere vormen van communicatie?

Wetenschap en technologie (en gezondheid, natuur en milieu) zijn – in afwijking van de eerste indruk – bijzondere, afwijkende terreinen omdat de kennis en ervaring op het terrein van bijvoorbeeld klimaatmodellen, gezondheidsrisico’s, biotechnologie, de multiculturele samenleving of wetenschapscommunicatie min of meer exclusief bezit zijn van een relatief kleine groep experts. Weinig mensen zijn op die vaak zeer specialistische terreinen deskundig genoeg om er iets zinnigs over te kunnen zeggen. Daarin verschillen die terreinen van bijvoorbeeld politiek of sport, waarvan bijna iedereen verstand denkt te hebben. Communicatie over deze onderwerpen lijkt daardoor een apart vakgebied, dat niet zonder meer afgeleid kan worden van communicatie-in-het-algemeen.Om op wetenschappelijk of technologisch terrein deskundig te worden, moet je doorgaans hoogopgeleid zijn en de betreffende wetenschappers en technologen hanteren mede daardoor een werkwijze, abstractieniveau en taal (vakjargon) die door de rest van de samenleving vaak niet wordt begrepen. De publiekscommunicatie daarover (populariseren genoemd) is daardoor anders/ moeilijker dan de algemene communicatie en ook daardoor onderscheidt de wtc zich van veel andere maatschappelijke segmenten. En daardoor is de wtc een ander type communicatie dan die over bij voorbeeld cultuur of politiek.In 1998 schrijven Donkers & Willems: wetenschapsjournalistiek is een apart specialisme omdat wetenschap een relatief hoge status in de samenleving heeft (want als het wetenschappelijk is, is het waar) en dat stelt hogere eisen aan de zenders, in dit geval de journalisten. Die moeten idealiter meer zijn dan verslaggever. De communicatie tussen journalisten en wetenschappers vraagt ook van de eerstgenoemde groep veel voorkennis, inzicht en ervaring die niet tot het gangbare pakket van de journalist behoren. Het beoefenen van de wetenschapsjournalistiek geeft hen daardoor mogelijk ook een grotere verantwoordelijkheid omdat de impact groot kan zijn, groter dan bij voorbeeld die van sportjournalistiek. De onderwerpen wetenschap en techniek zijn of lijken bovendien vaak moeilijker dan andere typen informatie en de intermediairen (voorlichters, journalisten en andere communicatoren) zijn daardoor meer dan hun collega’s afhankelijk van hun bronnen: de experts. Ook dat maakt wtc tot iets anders dan bijvoorbeeld communicatie over politiek. Felt (2000) voegt daaraan toe: ‘A specific condition distinguishing the popularization of science from many other enterprises of knowledge transfer is that the supposed audience is always perceived as a mixture of ignorance and something that has often been labeled natural curiosity, a libido science.’

 Interactieve communicatie GVO en NME zijn naast massamediaal ook min of meer interactief. Denk aan de persoonlijke gezondheidsadviezen bij de huisarts, de milieu-acties van Greenpeace, natuurwandelingen van Natuurmonumenten en de publieke debatten over bijvoorbeeld genomics: Eten & Genen. Veel communicatie-activiteiten op de terreinen van gezondheid, natuur en milieu steunen niet alleen op massamediale kanalen, maar ook benutten ook de voordelen van persoonlijke contacten tussen deskundigen en zgn. leken. Die interactieve, vaak ook interpersoonlijke aanpak lijkt ook op veel andere terreinen van de wtc in opmars; voorbeelden daarvan zijn de science centers, de Wetenschapsweek, het wetenschapstheater en internet/Kennislink  (Willems, 1993; Van Woerkum et al, 2004). Van Woerkum schrijft in dit verband: “ De participatieve communicatie of interactieve communicatie is in allerlei domeinen een krachtige beweging: in de overheidscommunicatie, in de gezondheidscommunicatie, in de PR en waar het gaat om nieuwe wetenschap en technologie, zoals in het domein van de biotechnologie.”

 

Om zinnig te kunnen spreken over het wetenschapsdomein waarbinnen interactieve wtc thuis zou horen, is het wenselijk of beter: noodzakelijk eerst te omschrijven wat we onder interactiviteit verstaan. Dat lijkt allesbehalve duidelijk. Veel soms zeer verschillende vormen van wtc (zoals die in science centers, via internet en bij publieke debatten) worden als interactief betiteld. Hoe kunnen zo verschillende bronnen onder een noemer worden gezet? Hoe eensgezind enthousiast men lijkt als deze nieuwe wtc-benadering ter sprake komt, een gemeenschappelijk gehanteerde definitie lijkt vooralsnog ver weg (Nillisen, 1998; Labasse, 1999; Kiousis, 2002) . Koolstra (2006) omschrijft Interactieve wtc als een proces dat gekenmerkt word door een groot aantal vrijheidsgraden: alle deelnemers kunnen bij interactieve wtc in mindere of meerdere mate controle uitoefenen over dat proces doordat ze invloed kunnen uitoefenen op bijvoorbeeld onderwerpen, invalshoek en tempo van de communicatie. Ze kunnen zowel zender als ontvanger zijn en die rollen kunnen bovendien snel wisselen. Bovendien kunnen ze keuzes maken uit diverse bronnen (TV kanalen, Internetsites, andere personen). Naarmate het aantal vrijheidsgraden/ mogelijkheden om keuzes te maken en invloed uit te oefenen, groter is, zal volgens Koolstra de interactiviteit toenemen. 

 

Mogelijke domeinen In welk wetenschapsdomein hoort de interactieve wtc thuis? Past het samen met de massamediale wtc in de communicatiewetenschap of drijft het vaak interpersoonlijke karakter dit specialisme in de armen van andere vakgebieden zoals de pedagogiek of psychologie? We nemen als uitgangspunt dat interactieve wtc een vorm van communicatie is en als zodanig onderdak moet kunnen vinden bij de communicatiewetenschap. In de hierna volgende paragrafen gaan we kijken of deze vooronderstelling houdbaar is. Bij deze analyse zal met name worden gekeken of en in welke mate de studie van interactieve wtc bijdraagt aan de theorievorming in het betrokken domein; als interactieve wtc thuis hoort in de psychologie zal het onderzoek op het terrein van de interactieve wtc een fundamentele bijdrage moeten leveren aan de theorievorming in de psychologie.

 

Je zou het interactieve wtc-onderzoek, net zoals het massamediale, dus tot het domein van de communicatiewetenschap kunnen rekenen omdat het ook bij interactieve wtc uiteindelijk om wetenschaps- en techniekcommunicatie gaat. Maar dat is misschien een te simpele redenering: ze lijkt louter semantisch. Interactieve wtc zou ook tot het domein van de communicatiewetenschap gerekend kunnen worden omdat onderzoekers op dit gebied vaak/vooral putten uit communicatiewetenschappelijke bronnen (zie: tabel 1); dat lijkt een steviger basis omdat het zich onttrekt aan persoonlijke opvattingen van deze of gene. Interessant is dat deze argumentatie aansluit bij Stappers die immers meent dat alleen de communicatiewetenschap naar alle aspecten van communicatie zou kijken.  Sinds het afsluiten van het zgn. Bèta-convenant is het academisch onderwijs van de wtc – in Nederland – gekoppeld aan de didaktiek. Dat was een politieke keuze. In dat convenant is afgesproken dat alle algemene universiteiten aan hun bèta-faculteiten een CE-afstudeervariant zullen opnemen. CE staat voor Communicatie en Educatie. Aan de TU’s en de UT is dit vertaald in SEC (Science Education and Communication) In de praktijk betekende dit dat aan diverse universiteiten de afdelingen/instituten bèta-didaktiek (vaak de lerarenopleidingen) het onderwijs in de wetenschapscommunicatie naar zich toe hebben getrokken. Dat zie je o.m. aan de Universiteit Utrecht, aan de Universiteit van Amsterdam en aan de Universiteit Twente. De koppeling van de (moderne) wtc aan de didaktiek is een politieke keuze, maar er zijn mogelijk ook inhoudelijke motieven voor aansluiting bij de

 

Pedagogiek en Onderwijskunde. Met name de interactieve wtc lijkt inhoudelijk goed aan te sluiten bij deze domeinen. Een en ander wordt versterkt door het gegeven dat de afdelingen Communicatiewetenschap aan diverse Nederlandse universiteiten zich tot nu toe niet of nauwelijks hebben bemoeid met de (interactieve) wtc (Willems, 2001).Wat is in dit kader typisch voor de Pedagogiek/ Onderwijskunde: leeronderzoek. Koppeling aan deze disciplines lijkt inhoudelijk te worden bevorderd door de opkomst van een ander accent in de wtc: de wetenschaps- en techniekeducatie, afgekort: wte. Die verandering zou samenhangen met een verschuiving in de doelen van wetenschapscommunicatie. Wte zou beter aangeven wat het doel van veel acties op dit terrein is: mensen iets leren. Wat betekent dat voor het wetenschappelijke domein? Is leren een kernbegrip binnen de interactieve wtc,?

 

Het bèta-convenant heeft ook duidelijk gemaakt dat wtc vooral een activiteit is van bèta’s. Dat is niet alleen het geval in Nederland, maar dat zie je ook in andere landen. Tijdens de PCST-conferenties is het aantal deelnemers met een exacte achtergrond (vooral biologen) opmerkelijk groot. Communicatiewetenschappers schitteren vooral door afwezigheid. Eén en ander hangt waarschijnlijk vooral samen met de aard van de onderwerpen in de wtc: veel actuele wetenschappelijke onderwerpen stammen uit de exacte wetenschappen. De sterke relatie tussen de wtc en de exacte wetenschappen zoals biologie, chemie, natuurkunde en informatica biedt interessante mogelijkheden voor de praktijk. Het is denkbaar dat bijvoorbeeld biologen ook vanuit het eigen vakgebied bijdragen aan met name de interactieve wtc; je kunt aan een biologische onderzoeker vragen een test zo aan te passen dat ook niet-deskundigen het resultaat kunnen waarnemen. Natuurkundigen kunnen in bijvoorbeeld een science center een experiment zo veranderen dat het publiek golfbewegingen van geluid direct kan zien in plaats van de weergave daarvan op een computerscherm te moeten bekijken (zie: kader).           

 Het terugkoppelen van informatie naar de onderzoeker met het verzoek om die aan te passen voordat ze aan het publiek worden gepresenteerd, is niet typisch voor bèta-wetenschap maar omdat het gemakkelijker gaat bij waarnemingen, experimenten en/of tests dan bij de werkwijze in niet-bètasectoren, zal het in het bèta-gebied mogelijk vruchtbaarder zijn dan elders. Betekent dit dat de biologie en natuurkunde ook kandidaat staan als domein voor onderzoek naar (interactieve) wtc? Dat lijkt niet waarschijnlijk. De exacte wetenschappen kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan de praktijk van de wetenschapsvoorlichting tijdens bijvoorbeeld een Wetenschapsweek, maar het is niet erg waarschijnlijk dat deze exacte domeinen ook een rol zouden kunnen spelen in het wetenschappelijk onderzoek naar de wetenschapscommunicatie.  

 

 Terugkoppeling naar het inhoudelijk vakgebied 
Als kinderen al weten dat frisdrank slecht is voor de tanden, zal voor de meesten wel duidelijk zijn dat de oorzaak suiker is. Dat frisdrank ook zuren kan bevatten die tandbederf veroorzaken is minder bekend. Hoe maak je kinderen op aanschouwelijke wijze duidelijk dat frisdranken zowel zoet als zuur zijn en daarmee dubbel fris, dubbel lekker maar ook dubbel zo slecht voor je tanden? Als waarachtige bèta-wtc-onderzoekster vertrok eerst Susan Kersjes (VU afdeling wetenschapscommunicatie) voor een stage naar het Wonderlab van NEMO te Amsterdam om een proef te ontwikkelen voor de vaststellen van zuur en zoet in frisdrank. Een tekortkoming van deze proef was dat om het zuur aan te tonen, het kleurverschil tussen de testbuis met frisdrank en de controlebuis met suikerwater zo klein was dat het ongeoefende oog dit niet goed kon waarnemen. Stagiair Mirte Bosse greep vervolgens in de chemie van de proef in, zodanig dat kinderen op grond van de kleur de resultaten in één oogopslag konden vaststellen.            Hier is communicatie dus niet het eenvoudig en duidelijk beschrijven van de moeilijk waarneembare verschillen tussen twee scheikundige toestanden maar het ingrijpen in de chemie van de proef zelf om een vanzelfsprekend duidelijk resultaat te bewerkstelligen.                                                                                                    JH 

Interactieve wtc wordt sinds de stormachtige opkomst van de ict door diverse auteurs (o.a. Oomkes, 2000; Burgoon et al, 2002; Rennen, 2005) beschouwd als een bijna-synoniem voor communicatie via digitale- en/of multimedia zoals internet. Als dat juist is, dan zou je interactieve wtc kunnen beschouwen als een aspect van informatica of beter: informatiekunde, bij voorbeeld van het deelterrein mens-machine interactie. Er is al veel onderzoek gedaan naar deze interactie (Vugt van et al, 2006). Wat is typisch voor de informatica en informatiekunde? Ze houden zich vooral bezig met de technische aspecten van ict. Is dat voldoende reden om het onderzoek naar interactieve wtc onder te brengen bij deze domeinen?Als digitale media in het algemeen en internet in het bijzonder een hoofdrol gaan spelen in de interactieve wtc, dan kan het voor de hand liggen om met name de informatiekunde een hoofdrol te laten spelen in de bestudering daarvan omdat die zich vooral richt op het menselijk gebruik van computers en andere digitale kanalen. Ook deze redenering klinkt logisch, maar wordt in de praktijk nog nauwelijks gehanteerd of herkend. Informatici en informatiekundigen houden zich nog niet of nauwelijks bezig met dit onderwerp. Publicaties over wtc vind je niet in informaticatijdschriften en die worden dan ook nauwelijks geciteerd in artikelen over (interactieve) wtc. Dat zou komende tijd kunnen veranderen als internet een nog grotere rol gaat spelen in de wtc: de praktijk is al dat met name jongeren zich vooral via internet informeren over allerlei wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen en het lijkt daardoor een kwestie van tijd voordat de ict een hoofdrol gaat spelen. (Heath et al, 2005). 

De psychologie lijkt eveneens een serieuze kandidaat als er gekozen moet worden voor een domein waarin het onderzoek naar interactieve wtc thuis hoort. Ze is de moeder van de communicatiewetenschap en veel concepten en methoden in de communicatiewetenschap zijn onmiskenbaar afgeleid van concepten en methoden uit de psychologie. Kenmerkend voor het psychologisch onderzoek in dit kader is de belangstelling voor communicatieprocessen en de effecten daarvan. Dat geldt in sterke mate voor de interactieve (wetenschaps-)communicatie omdat de interpersoonlijke wtc daarin een belangrijke rol speelt. Is dat voldoende reden om de interactieve wtc onder te brengen bij de psychologie zoals van Cuilenburg et al (1996) bepleiten? Interpersoonlijke aspecten in de wtc, mens-machine interactie bij het gebruik van internet, effecten van ook massamediale wtc, de rol van diverse actoren (o.a. de wetenschappers) en organisatie-aspecten van wetenschapscommunicatie. Tal van aspecten van zowel de massamediale als de interactieve wtc kunnen uitstekend bestudeerd worden vanuit de psychologie. Bij de analyse van bronnen die in wtc-publikaties (tabel 1) worden benut, zijn enkele psychologietijdschriften aangetroffen: Journal of Personality and Social Psychology, American Psychologist en Journal of Applied Social Psychology worden door diverse wtc-auteurs geciteerd. 

Wat zijn de kansen voor de Politicologie? Wanneer je vooral naar doelstellingen van interactieve wtc kijkt – bijvoorbeeld bij publieke debatten, in science centers en bij milieuacties -, dan blijken die nogal eens gekoppeld aan interactieve beleidsvorming (zie o.m. Regeer, 1998; Van Woerkum et al, 2004; Caron-Flinterman, 2005). Daarbij komen aspecten van macht: draagvlak, medezeggenschap en invloed aan de orde en dat zijn kenmerkende aspecten van politicologie. Is de politicologie dan het wetenschappelijke domein voor de interactieve wtc?Wanneer je de democratische motieven voor wtc overziet, dan blijkt dat er diverse voorbeelden te bestaan van politieke belangen: de mogelijkheden van niet-deskundigen om mee te denken en mogelijk zelfs mee te beslissen bij wetenschapsgerelateerde beleidsbeslissingen (en welke zijn dan niet?) impliceren een belangrijke rol van de politicologie, maar in artikelen over wetenschapscommunicatie worden ook periodieken op dit terrein desondanks nauwelijks geciteerd. De politicologie lijkt eveneens zeer relevant voor onderzoek naar het momenteel zo zwaar wegende economische belang van de wtc, bij voorbeeld het stimuleren van de kennissamenleving. Dat maakt het des te verwonderlijk dat wtc-auteurs niet of nauwelijks gebruik maken van wetenschappelijke publicaties op dit vakgebied (zie: tabel 1). 

En we zagen al eerder dat Regeer (1998) en Sørensen et al (2000) wtc in een breed cultureel perspectief willen zetten en dat loodst wtc in de richting van de multidisciplinaire wetenschaps- en/of cultuurstudies. De populariteit onder wtc-auteurs van het brede wetenschappelijke tijdschrift Science, Technology and Human Values duidt op warme band tussen het (interactieve-) wtc onderzoek en die brede benadering. Dit tijdschrift afficheert zichzelf op haar site als aninternational, interdisciplinary journal containing research, analyses andcommentary on the development and dynamics of science and technology, including their relationship to politics, society and culture.

Bronnen Zoals al eerder opgemerkt: een van de mogelijkheden om het wetenschappelijke domein van de interactieve wtc te traceren is nagaan wat de belangrijke wetenschappelijke bronnen zijn van onderzoekers op dit terrein. Zoekt men die vooral in de communicatiewetenschappelijke literatuur of spelen andere wetenschappelijke tijdschriften, bijvoorbeeld op het terrein van didaktiek, psychologie of politicologie een hoofdrol? Welke bronnen staan er in de literatuurlijsten van wtc-onderzoekers? Op welke kennis/ op wiens werk bouwen zij dus voort?            Om een indruk te krijgen van de bronnen van wtc-onderzoekers bij hun wetenschappelijk onderzoek resp hun wetenschappelijke publikaties hebben we in de jaargangen 2000-2005 van de tijdschriften Public Understanding of Science en Science Communication via het keyword interactivity de artikelen opgezocht, die betrekking hebben op interactieve wtc. Dat waren er 28 (waarvan een zonder literatuurlijst). Op de literatuurlijsten van die 27 artikelen staan in totaal 1120 referenties.In tabel 1 staan de tenminste driemaal geciteerde tijdschriften in volgorde van frequentie. Alleen de bronnen die verwijzen naar een potentieel domein voor (interactieve) wtc, zijn meegenomen . Dat betekent dat bij voorbeeld tijdschriften over niet sociaal-wetenschappelijke onderwerpen zoals het enkele malen geciteerde de Journal of Nanoparticle Research, buiten beschouwing zijn gelaten.
 

 Tabel 1           Frequentie geciteerde wetenschappelijke tijdschriften en vakbladen 
Public Understanding of Science                56x
Science Communication                          25 
Science, Technology and Human Values           22 
Journalism Quarterly/Journalism & Mass Communication Quarterly      17
Risk Analysis                                  17
Journal of Communication                       12
Communication Research                         12 
Journal of Research in Science Teaching        12 
Science                                        14
Nature                                         12
Nature Biotechnology                           7 
Daedalus                                       7
Advertising Age                                 7
Academy of Management Journal                 6
Journal of Broadcasting and Electronic Media   6
Journal of Personality and Social Psychology   6
Science Education                              6
American Psychologist                          5
Communication Yearbook                         5
International Journal of Science Education     5
Journal of Applied Social Psychology           5
Newspaper Research Journal                     5
Public Opinion Quarterly                       5
Curator                                        5
Science and Public Policy                      4
Environment and Behavior                       4
Interactions                                   4
American Behavioral Scientist                  3
Critical Studies in Mass Communication         3
Internat. Journal of Public Opinion Research   3
Journal of Technology Transfer                 3
Public Relations Review                        3
Social Representations                         3
Social Studies of Science                      3 

 

Het meest geciteerd zijn uiteraard de beide eigen wetenschappelijke periodieken: Public Understanding of Science en Science Communication. Opmerkelijke tweede is het eerder genoemde brede multidisciplinaire tijdschrift Science, Technology and Human Values, maar daarna volgen een aantal toonaangevende tijdschriften op het terrein van de communicatiewetenschap: Journalism Quarterly/Journalism & Mass Communication Quarterly, Risk Analysis, Journal of Communication en Communication Research. De derde veel geciteerde categorie bronnen zijn de beide algemeen wetenschappelijke tijdschriften Nature en Science.Psychologietijdschriften worden ook relatief veel geciteerd, maar blijven in aantal toch sterk achter bij de algemeen wetenschappelijke en communicatiewetenschappelijke bronnen. Opmerkelijk weinig wordt er geciteerd uit specifieke didactiekbronnen(Science Education) en uit politicologische (Science and Public Policy) en sociologische literatuur (Social Studies of Science). 

Discussie De frequentie van veel gebruikte bronnen wekt de indruk dat interactieve wtc of tot een breed, algemeen wetenschappelijk domein (zoals science and society studies of cultural studies) of tot het domein van de communicatiewetenschap gerekend zou moeten/kunnen worden. In dit artikel concentreren we ons op de mogelijkheid dat ook interactieve wtc binnen de communicatiewetenschappen bestudeerd zou moeten worden, omdat ook de massamediale wtc daar thuis hoort (Van Woerkum et al, 2004). Uitgaande van de hypothese dat wtc binnen het domein van de monodisciplinaire communicatie-wetenschappen bestudeerd zou moeten worden, welke inhoudelijke redenen zijn daartoe dan aan te voeren?

Zoals we eerder hebben gezien is Stappers (1983) van mening dat communicatieve fenomenen binnen de communicatiewetenschap bestudeerd moeten worden om te voorkomen dat onderzoekers blijven steken in deelaspecten. Interactieve wtc is onmiskenbaar een vorm van communicatie en als zodanig is de positie ervan volgens Stappers ook helder: ook interactieve wtc hoort binnen de communicatie-wetenschap thuis. Van Cuilenburg et al (1996) delen die visie niet. Volgens hen is communicatiewetenschap de wetenschap die zich bezig houdt met de bestudering van de informatievoorziening die op een beroeps- en/of bedrijfsmatige basis plaatsvindt aan een algemeen dan wel een professioneel ontvangerspubliek. Ook veel beoefenaars van interactieve wtc doen dat beroepsmatig en als zodanig zou deze nieuwe vorm van wtc dus volgens hen eveneens binnen het domein van de communicatiewetenschap vallen. Maar er zit een adder onder het gras: de toevoeging “beroepsmatig- en/of bedrijfsmatig” dient volgens Van Cuilenburg et al om aan te geven dat niet alle informatievoorziening relevant is voor de communicatiewetenschap. Het gehele terrein van de interpersoonlijke communicatie valt er volgens hen buiten! Deze vorm zou thuishoren in de sociale psychologie. Van Cuilenburg et al menen dus dat de communicatiewetenschap zich alleen moet bezighouden met zenders die van communicatie hun beroep maken, maar in een voetnoot geven zij al aan dat ze met deze definitie in de problemen kunnen komen omdat bij voorbeeld de lokale omroepen, vaak bemand door vrijwilligers, daardoor buiten de boot zouden vallen. De problemen lijken verder reikend: mensen die zich beroeps- of bedrijfsmatig met persoonlijke communicatie bezig houden, zouden volgens hun uitleg dus ook moeten worden uitgesloten. Dat zou betekenen dat van de interactieve wtc een groot deel, namelijk de interpersoonlijk, buiten het domein van de communicatie-wetenschap zou vallen. De definitie van Van Cuilenburg et al en hun beperking tot niet-persoonlijke communicatie lijken op gespannen voet met elkaar te staan. Volgens de oorspronkelijke defenitie behoort ook de interactieve, interpersoonlijke wtc - mits beroepshalve uitgevoerd – echter eveneens tot het domein van de communicatiewetenschap. Het uitsluiten van de interpersoonlijke communicatie lijkt een ‘slip of the pen’.           

In hun veel gebruikte handboek geven Severin en Tankard (2001) geen definitie van communicatiewetenschap. Ze gaan wel uitvoerig in op diverse wetenschappelijke concepten en theorieen en op de veranderingen daarin. Ze signaleren onder meer dat het communicatieconcept ingrijpend is veranderd door de opkomst van nieuwe media zoals internet. En één van de kenmerken van het nieuwe medialandschap is volgens hen de ontwikkeling van eenrichtingsverkeer naar communicatie via interactieve media.In hun analyse van enkele gangbare theorieen signaleren Severin en Tankard onder meer dat er lang twee scholen zijn geweest in het communicatieonderzoek: de empirische (die vooral aandacht had voor de effecten) en de kritische school (die communicatie vooral bestudeerde in haar culturele en sociale context). Beide scholen leken elkaar uit te sluiten totdat de zgn. cultural studies benadering een synthese ontwikkelde. In deze benadering wordt er o.m. gekeken naar de werking van communicatie in een sociale context en dat is een van de kenmerken van de interactieve communicatie zoals die o.a. door Wynne (1992) is omschreven. Zonder veel expliciete aandacht te besteden aan interactieve en interpersoonlijke communicatie betrekken Severin en Tankard deze nieuwe vormen als vanzelfsprekend in hun overzicht en daaruit kun je de voorzichtige conclusie trekken dat ook volgens deze auteurs interactieve wtc tot de communicatiewetenschap gerekend kan worden.           

En waarom zijn andere gedrags- en maatschappijwetenschappen dan communicatiewetenschap minder geschikt als thuisbasis voor de interactieve wtc?Als wtc een vorm van educatie is – zoals eerder betoogd - dan zou dat een te scherpe scheiding veroorzaken tussen de klassieke massamediale wtc, als onderwerp van communicatiewetenschap, en de modernere, interactieve werkwijze, die niet daartoe gerekend zou moeten worden. Zo’n scherpe scheiding wordt in de praktijk van het wtc-onderzoek niet ervaren (Van Woerkum et al, 2004). Gezien de vele raakvlakken tussen de diverse soorten activiteiten in bij voorbeeld gezondheidscommunicatie, lijkt zo’n scherpe cesuur tussen massamediale en interactieve wtc ook ongewenst. Dat zou betekenen dat het onderzoek van één activiteit in bij voorbeeld de gezondheidscommunicatie door verschillende disciplines bestudeerd zou moeten worden. Er is niets tegen interdisciplinair onderzoek, maar (ped-)agogiek/ onderwijskunde en communicatiewetenschap zijn geen domeinen die elkaar van nature vaak treffen. Aansluitend bij de visie van o.a. Stappers kun je concluderen dat de domeinen Didactiek, Agogiek, Pedagogiek en Onderwijskunde - ook relatief frequent geciteerd in artikelen over interactieve wtc (zie: tabel 1) – minder voor de hand liggen als domein omdat het onderzoek op deze terreinen doorgaans betrekking heeft op slechts onderdelen van de (interactieve) wetenschapscommunicatie. Leren lijkt een kernbegrip in deze vier vakgebieden, maar dat is vaak geen hoofddoel van wtc. Er zijn enkele motieven/ maatschappelijke sectoren (bij voorbeeld levenslang leren cq de NME) waarbij leren aan de orde is of zou moeten komen, maar daarnaast zijn er een groter aantal (bij voorbeeld wtc als amusement/ de wetenschapsjournalistiek, het GVO en wtc als PR voor de kennissamenleving/ de science centers) waarbij dat geen of in elk geval een ondergeschikte rol speelt. De verwijzingen naar pedagogische en onderwijskundige bronnen in tabel 1 hangen bij nader inzien ook sterk samen met studies aan deelaspecten.Van de sociale wetenschappen Politicologie en Psychologie wordt de laatstgenoemde weliswaar genoemd als mogelijk domein voor interpersoonlijke wtc (door Van Cuilenburg et al) en in tabel 1 kom je ook enkele wetenschappelijke tijdschriften op het terrein van de psychologie tegen, maar wanneer je de desbetreffende artikelen beter bekijkt, blijkt dat ook zij zich inhoudelijk beperken tot specifieke deelaspecten van de wtc. Communicatie als fenomeen komt er niet aan de orde. Politicologie komt in beeld als aspecten zoals macht en medezeggenschap aan de orde komen, bij voorbeeld bij publieke debatten. Of als het economische belang van de wtc aan de orde is, zoals bij wtc als onderdeel van het innovatiebeleid. En de psychologie komt vooral in beeld als de werking van media onderwerp van studie is. Maar ook daarbij gaat het dus niet om communicatie als samenhangend verschijnsel . 

Uit de rondgang langs enkele domeinen die als thuisbasis zouden kunnen dienen voor onderzoek naar interactieve wtc komt geen domein naar voren dat met kop en schouders boven de communicatiewetenschap uitsteekt. Alleen een interdisciplinaire benadering lijkt een serieuze concurrent voor de communicatiewetenschappelijke. Daaruit zou je de conclusie mogen trekken dat ook de studie naar interactieve wtc het tot haar recht komt of kan komen binnen de communicatiewetenschap.Een aantrekkelijk aspect van communicatiewetenschap als domein waarbinnen zowel massamediale als interactieve wtc thuis zouden horen, is bovendien dat dit vakgebied al veel relevante aspecten van diverse maatschappij- en gedragswetenschappen in zich verenigt. Zowel aspecten van didactiek, agogiek, pedagogiek en onderwijskunde als van politicologie, psychologie als sociologie lijken in de communicatiewetenschap samen te komen (Fauconnier, 1981, Van Cuilenburg, 1996, Burgoon et al, 2002; Van Woerkum, 2006). De informatica en informatiekunde zijn nog niet sterk verweven met de communicatiewetenschap, maar die koppeling lijkt in zicht (Hoorn, 2004).Dat het nieuwe domein wtc soms nog een eigen gezicht ontbeert, is een andere zaak: communicatiewetenschap is nog relatief jong en wetenschapscommunicatie staat in vergelijking daarmee zelfs nog in de kinderschoenen. Zoals de communicatiewetenschap zich ontwikkelde binnen o.a. de psychologie en van daaruit zelfstandigheid verwierf, zo zou de wtc zich binnen de communicatiewetenschap kunnen ontwikkelen tot een eigen domein. 
 

Bronnen: Burgoon, J. K. et al (2002). Testing the interactivity principle: Effects of mediation, verbal and nonverbal modalities, and propinquity in decision-making interactions. Journal of Communication, 52(3).

Cuilenburg, J van et al. (1996). Communicatiewetenschap.Bussum: Coutinho.

Donkers, H. en J. Willems (1998). Journalistiek schrijven (inleiding). Bussum: Coutinho.

Einsiedel, E. (2000). Understanding Publics in the Public Understanding of Science. In: Between Understanding and Trust. Edited by Dierkes, M and C. Von Grote.Amsterdam: Harwood.

 Fauconnier, G. (1981). Algemene communicatietheorie. Utrecht: Spectrum.

Felt, U. (2000). Why Should the Public Understand Science. In: Between Understanding and Trust. Edited by Dierkes, M and C. Von Grote. Amsterdam: Harwood.

Heath, C. et al (2005). Interaction and interactives: collaboration and participation with computer-based exhibits.  Public Understanding of Science, 14.

Hoorn, J. (2004). Een model voor informatietechnologieen die creatief kunnen zijn.In:  Interactieve wetenschapscommunicatie.      Redactie Hamelink, C. , I. van Veen en J. Willems. Bussum: Coutinho.

Koolstra, C. (2007). Interactiviteit en wetenschapscommunicatie In: basisboek wetenschapscommunicatie. Redactie: Jaap Willems. Amsterdam: Boom

Kiousis, S. (2002). Interactivity: A concept explication.  New Media & Society, 3(3).

 

                              Labasse, B. (1999). Observations on the communication of scientific and technical knowledge. Brussel: EU.

 

Nillisen, B. (1998). Een queeste naar voorlichting. Communicatiewetenschap en de eerste stap op weg naar een theorie van voorlichting. Nijmegen: University Press.         

Oomkes, F (2000). Communicatieleer. Amsterdam: Boom.

Regeer, B. (1998). Het science center als speler in het spel der samenleving. Tijdschr, v Wetensch., Techn. en Samenleving 5: 153-161.

Regeer, B. (2004). Wetenschapscommunicatie in de agora: veranderende relaties tussen wetenschap en samenleving. In:  Interactieve wetenschapscommunicatie. Redactie Hamelink, C. , I. van Veen en J. Willems. Bussum: Coutinho.

Rennen, T. (2005). De toekomst van de schrijvende journalistiek. In: Journalistiek schrijven. Redactie: H. Donkers en J. Willems. Bussum: Coutinho.

Severin, W. en Tankard, J. (2001). Communication Theories. New York: Longman.

Sørensen, K. e.a. (2000). Against Linearity- On the Cultural Approach of Science and Technology. In: Between Understanding and Trust. Edited by Dierkes, M and C. Von Grote.     Amsterdam: Harwood.

Stappers, J. (1983).Massacommunicatie, een inleiding. Amsterdam: Arbeiderspers.

Stappers, J. et al (1983). Wetenschap als gemeengoed. Den Haag: Staatsuitgeverij.

Vugt, van H. et al (2006). Affective affordances: Improving interface character engagement through interaction. International Journal of Human-Computer Studies, 64- 9: 874-888.

Willems, J. (1993). Naar een andere aanpak.  In: Handboek Wetenschaps- en technologievoorlichting.Redactie Willems, J. en E. Woudstra. Groningen: Martinus Nijhoff.

Willems, J. (2001).Science writing courses identify journalists among students. Public Understanding of  Science  (2001) 10.

Woerkum, C. van en A. van der Auweraert (2004)     Wetenschapscommunicatie:Where science meets society. In:  Interactieve wetenschapscommunicatie. Redactie Hamelink, C. , I. van Veen en J. Willems. Bussum: Coutinho.

Woerkum, C. van (2006). Persoonlijke mededeling.

Wynne, B. (1992).Public Understanding of Science Research. Public Understanding of Science 1: 321-337.  

 

Boeken bestellen

Met Pensioen

o.a. bij BOL en bij Mets en Mets

en als e-book bij Mets&Mets

 

 

Late Liefde en De Erfenis:

bij Nieuw Amsterdam

noimage