Jaap Willems

wetenschapsdomein wtc

 Is wetenschapscommunicatie een domein van communicatiewetenschap? 

Jaap Willems en Erwin SeydelAfdeling ELAN- SEC resp Toegepaste CommunicatiewetenschappenFac.  Gedragswetenschappen Universiteit Twente 

Samenvatting Wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) omvat twee deelterreinen: de massamediale en de interactieve wtc. Wtc lijkt een specialistische vorm van communicatie en de bestudering ervan zou daardoor thuis horen binnen het domein van de communicatiewetenschap. Dat is misschien een voor de hand liggende conclusie voor de studie van de massamediale wtc, maar voor de interactieve wtc lijkt die in eerste instantie te snel. Er zijn argumenten om ook de interactieve wtc binnen de communicatie-wetenschap te onderzoeken, maar ze lijkt daarnaast ook te passen binnen diverse andere gedrags- en maatschappijwetenschappen zoals de pedagogiek, de psychologie en de politicologie of in het bèta-gebied: de informatiekunde. Enkele auteurs pleiten daarnaast voor een interdisciplinaire aanpak.

De interactieve wtc heeft aspecten (zoals persoonlijke communicatie) die onderwerp van onderzoek zijn in diverse sociaal wetenschappelijke domeinen en ook aspecten (zoals mens – machine interactie) die binnen de informatiekunde thuis lijken te horen. Maar alles overziend zou  het onderzoek van interactieve wtc (vooralsnog) toch het meest op zijn/haar plaats zijn in een multidisciplinaire setting of in  de communicatiewetenschap. Daarvoor zijn tenminste twee redenen: wtc-auteurs op dit terrein maken veelal gebruik van multidisciplinaire en communicatiewetenschappelijke bronnen en de communicatiewetenschap verenigt reeds veel relevante aspecten van de diverse betrokken sociaal-wetenschappelijke domeinen zoals de psychologie en politicologie in zich. 

Inleiding   Nieuwe terreinen van academisch onderzoek gaan doorgaans snel op zoek naar erkend onderdak. Wetenschappers willen graag bij een bestaand paradigma aansluiten omdat het daardoor gemakkelijker wordt om te publiceren in tijdschriften met een hoge impact-factor en om subsidie te krijgen. In de toekenningscommissies zitten immers vaak vertegenwoordigers van die erkende domeinen.Het nieuwe specialisme wetenschapscommunicatie maakt daarop geen uitzondering; ook wtc-onderzoekers zijn op zoek naar hun niche. Moeten ze zich aansluiten bij de communicatiewetenschappen omdat ze zich met communicatie bezig houden of hoort de wtc eigenlijk thuis bij de pedagogiek omdat educatie een belangrijke rol speelt en/of de politiek wtc via het zgn. Bèta-convenant heeft gekoppeld aan educatie? Of is het aspect van Informatiekunde omdat internet een erg belangrijke kanaal is geworden?

Is de wtc eigenlijk wel rijp voor een eigen domein? Pas als een specialisme zich voldoende wetenschappelijk heeft bewezen (bij voorbeeld over een eigen theoretisch fundement beschikt), kan het proberen een eigen domein te creëren, met eigen wetenschappelijke tijdschriften en eigen congressen. De wtc beschikt al wel over eigen wetenschappelijke tijdschriften (Public Understanding of Science en Science Communication), maar de eigen theorievorming staat nog in de kinderschoenen. In dit artikel gaan we uit van de vooronderstelling dat wtc onderzoek communicatie-wetenschappelijk onderzoek is.  

Massacommunicatie Wtc werd vroeger vaak aangeduid als wetenschapsvoorlichting, ongeacht of het door journalisten of voorlichters werd beoefend (Stappers, 1983). En voorlichting wordt vanouds bestudeerd door communicatiewetenschappers, eventueel onder het Wageningse pseudoniem voorlichtingskundigen. Stappers et al schrijven in dit kader dat wetenschapsvoorlichting een massacommunicatief fenomeen is; zij plaatsten wtc daarmee al vroeg in het domein van de communicatiewetenschap. Wetenschapsvoorlichting betreft een bijzonder soort informatie, welke door voorlichters en journalisten wordt verschaft aan een groot publiek. In zoverre is derhalve sprake van een gangbaar communicatieproces: zenders die boodschappen aanbieden aan ontvangers; ontvangers die van dat aanbod al dan niet gebruik maken.”Waarom die voorkeur van Stappers voor een plaats van de wtc in de communicatiewetenschap, die pas in 1983 in het Academisch statuut werd opgenomen? Waarom niet aansluiten bij de al veel verder ontwikkelde psychologie of pedagogiek? Stappers schrijft dat hij er geen enkel bezwaar tegen heeft dat ook sociologen, psychologen, politicologen en pedagogen communicatieve fenomenen bestuderen vanuit de eigen belangstelling en eigen gezichtshoek. Maar dat type onderzoek heeft slechts deelaspecten van communicatie tot onderwerp van studie. Dat soort deelstudies leidt volgens hem niet tot compleet inzicht. Het onderzoek naar communicatie moet een eigen domein hebben, meent hij, met eigen methoden en een eigen terminologie en een eigen theorie. Alleen dan kan communicatieonderzoek leiden tot kennis van communicatie. Stappers gaat nog een stap verder en verzet zich ook tegen het idee (van o.a. Fauconnier, 1981 en Burgoon et al, 2002) dat communicatiewetenschap interdisciplinair bestudeerd zou kunnen of moeten worden. ’Van vele zijden wordt naar voren gebracht dat massacommunicatie interdisciplinair of multidisciplinair bestudeerd moet worden. Daartegen is op het eerste gezicht niets in te brengen. Er is geen onderwerp te bedenken dat niet door verscheidene disciplines bestudeerd kan worden, en elk van die disciplines kan een zinvolle bijdrage leveren tot het beter begrijpen van dat onderwerp. Maar al die bijdragen verschaffen inzichten vanuit de eigen invalshoek. Wil men massacommunicatie beter en fundamenteler begrijpen, dan zal dat moeten gebeuren vanuit een algemene theorie.’  

De klassieke wtc heeft haar wortels in de wetenschapsjournalistiek en dat is vanouds een onderzoeksterrein van de massacommunicatie, een domein dat later is omgedoopt tot communicatiewetenschap. De plaats van die massamediale wtc binnen de communicatiewetenschap staat dan ook niet of nauwelijks ter discussie. Dat zie je ook aan wetenschappelijke publicaties over wetenschapsjournalistiek: die verschijnen bijna zonder uitzondering in communicatiewetenschappelijke periodieken zoals in Nederland het Tijdschrift voor Communicatiewetenschap en internationaal Journalism Quaterly en het Journal of Communication. Iets dergelijks geldt ook voor een groot deel van de gezondheidscommunicatie/ GVO en voor de natuur- en milieu-educatie/ NME. Deze vormen van wtc werden vanouds ondergebracht onder de noemer: voorlichting. In de gezondheids-, natuur- en milieuvoorlichting speelden en spelen massamedia eveneens een belangrijke rol. Denk maar eens aan de vele gezondheids-, natuur- en milieubladen, de folders en posters, de radio- en TV programma’s en de talloze sites. Als dat geen journalistieke kanalen genoemd mogen worden omdat journalisten geen voorlichting (willen) geven, dan betreft het in elk geval openbare communicatie, in principe voor iedereen toegankelijk, en als zodanig zijn het eveneens aspecten van massacommunicatie (Stappers, 1983).

Beide werkterreinen, GVO en NME, profileren zich graag als specialismen waarbinnen interactieve c.q. interpersoonlijke communicatie een grote rol speelt en er bestaan diverse fraaie voorbeelden van die interactiviteit (persoonlijke gezondheids-adviezen, publiekslezingen, natuur- en milieuacties), maar massamedia vormen nog altijd de ruggegraat van de publiekscommunicatie van de desbetreffende organisaties. Volgens Einsiedel (2000) lenen gezondheids- en milieuproblemen zich zelfs bij uitstek voor zo’n massamediale benadering: ‘The cognitive deficit model has proved quite useful in such cases, particularly for specific environmental or health issues with which the public has no or little experience. Public understanding of AIDS is a useful example.’Over het klassieke, massamediale model van wtc schrijft Felt (2000):’ Discussion and investigation of relations between science and the public was long based on a so-called linear model consisting of a sender, a receiver, and a mediator. Scientists were regarded as producers of genuine knowledge, which was then simplified. The mediators were forced into the role of translators.  The communication of science was reduced to a process of translation, so many of the theoretical considerations focused on transfer media, their structural limitations, and the possibilities and restrictions that language imposes on the popularization of scientific knowledge.’ In het vervolg van haar hoofdstuk geeft Felt onder meer aan dat “popular knowledge” in de moderne wtc belangrijker is geworden en dat de scheidslijn tussen wetenschappers en het publiek daardoor minder rigide is dan lang verondersteld; impliciet geeft ze aan dat interactie een grotere rol is gaan spelen in de wtc of dat in elk geval zou moeten doen, maar het belang van het communicatiewetenschappelijke model stelt ze niet ter discussie. Sørensen (2000) doet dat wel: hij plaatst expliciet vraagtekens bij de klassieke communicatiewetenschappelijke aanpak en pleit in het voetspoor van o.a. Wynne (1992) voor een bredere benadering van de wtc waarin ook andere dan communicatie-wetenschappelijke modellen – zoals cultuurstudies - een rol spelen. Hij verwerpt het klassieke massamediale deficiëntiemodel als achterhaald en breekt een lans voor een meer integrale benadering van de relatie wetenschap - samenleving. Regeer (1998) plaatst wetenschapscommunicatie eveneens in het bredere perspectief van de relatie tussen wetenschap en samenleving en combineert het discours van wetenschapsstudies met dat van wetenschapscommunicatie in de praktijk van de science centers. 

Apart vakgebied?Als de klassieke wtc vooral massacommunicatie is, is het dan wel een apart vakgebied? Kunnen we de wetenschaps- en techniekcommunicatie (inclusief het GVO en NME) dan niet beter als een verbijzondering van de journalistiek en/of de voorlichting beschouwen en de wetmatigheden ervan afleiden uit het algemene communicatiewetenschappelijk onderzoek. De manier waarop we informatie over bijvoorbeeld genomics of klimaatverandering proberen te verspreiden lijkt op het eerste gezicht ook veel op de manier waarop men dat doet met informatie over politiek of onderwijs. Anders gezegd: onderscheidt wtc zich wezenlijk van andere vormen van communicatie?

Wetenschap en technologie (en gezondheid, natuur en milieu) zijn – in afwijking van de eerste indruk – bijzondere, afwijkende terreinen omdat de kennis en ervaring op het terrein van bijvoorbeeld klimaatmodellen, gezondheidsrisico’s, biotechnologie, de multiculturele samenleving of wetenschapscommunicatie min of meer exclusief bezit zijn van een relatief kleine groep experts. Weinig mensen zijn op die vaak zeer specialistische terreinen deskundig genoeg om er iets zinnigs over te kunnen zeggen. Daarin verschillen die terreinen van bijvoorbeeld politiek of sport, waarvan bijna iedereen verstand denkt te hebben. Communicatie over deze onderwerpen lijkt daardoor een apart vakgebied, dat niet zonder meer afgeleid kan worden van communicatie-in-het-algemeen.Om op wetenschappelijk of technologisch terrein deskundig te worden, moet je doorgaans hoogopgeleid zijn en de betreffende wetenschappers en technologen hanteren mede daardoor een werkwijze, abstractieniveau en taal (vakjargon) die door de rest van de samenleving vaak niet wordt begrepen. De publiekscommunicatie daarover (populariseren genoemd) is daardoor anders/ moeilijker dan de algemene communicatie en ook daardoor onderscheidt de wtc zich van veel andere maatschappelijke segmenten. En daardoor is de wtc een ander type communicatie dan die over bij voorbeeld cultuur of politiek.In 1998 schrijven Donkers & Willems: wetenschapsjournalistiek is een apart specialisme omdat wetenschap een relatief hoge status in de samenleving heeft (want als het wetenschappelijk is, is het waar) en dat stelt hogere eisen aan de zenders, in dit geval de journalisten. Die moeten idealiter meer zijn dan verslaggever. De communicatie tussen journalisten en wetenschappers vraagt ook van de eerstgenoemde groep veel voorkennis, inzicht en ervaring die niet tot het gangbare pakket van de journalist behoren. Het beoefenen van de wetenschapsjournalistiek geeft hen daardoor mogelijk ook een grotere verantwoordelijkheid omdat de impact groot kan zijn, groter dan bij voorbeeld die van sportjournalistiek. De onderwerpen wetenschap en techniek zijn of lijken bovendien vaak moeilijker dan andere typen informatie en de intermediairen (voorlichters, journalisten en andere communicatoren) zijn daardoor meer dan hun collega’s afhankelijk van hun bronnen: de experts. Ook dat maakt wtc tot iets anders dan bijvoorbeeld communicatie over politiek. Felt (2000) voegt daaraan toe: ‘A specific condition distinguishing the popularization of science from many other enterprises of knowledge transfer is that the supposed audience is always perceived as a mixture of ignorance and something that has often been labeled natural curiosity, a libido science.’

 Interactieve communicatie GVO en NME zijn naast massamediaal ook min of meer interactief. Denk aan de persoonlijke gezondheidsadviezen bij de huisarts, de milieu-acties van Greenpeace, natuurwandelingen van Natuurmonumenten en de publieke debatten over bijvoorbeeld genomics: Eten & Genen. Veel communicatie-activiteiten op de terreinen van gezondheid, natuur en milieu steunen niet alleen op massamediale kanalen, maar ook benutten ook de voordelen van persoonlijke contacten tussen deskundigen en zgn. leken. Die interactieve, vaak ook interpersoonlijke aanpak lijkt ook op veel andere terreinen van de wtc in opmars; voorbeelden daarvan zijn de science centers, de Wetenschapsweek, het wetenschapstheater en internet/Kennislink  (Willems, 1993; Van Woerkum et al, 2004). Van Woerkum schrijft in dit verband: “ De participatieve communicatie of interactieve communicatie is in allerlei domeinen een krachtige beweging: in de overheidscommunicatie, in de gezondheidscommunicatie, in de PR en waar het gaat om nieuwe wetenschap en technologie, zoals in het domein van de biotechnologie.”

 

Om zinnig te kunnen spreken over het wetenschapsdomein waarbinnen interactieve wtc thuis zou horen, is het wenselijk of beter: noodzakelijk eerst te omschrijven wat we onder interactiviteit verstaan. Dat lijkt allesbehalve duidelijk. Veel soms zeer verschillende vormen van wtc (zoals die in science centers, via internet en bij publieke debatten) worden als interactief betiteld. Hoe kunnen zo verschillende bronnen onder een noemer worden gezet? Hoe eensgezind enthousiast men lijkt als deze nieuwe wtc-benadering ter sprake komt, een gemeenschappelijk gehanteerde definitie lijkt vooralsnog ver weg (Nillisen, 1998; Labasse, 1999; Kiousis, 2002) . Koolstra (2006) omschrijft Interactieve wtc als een proces dat gekenmerkt word door een groot aantal vrijheidsgraden: alle deelnemers kunnen bij interactieve wtc in mindere of meerdere mate controle uitoefenen over dat proces doordat ze invloed kunnen uitoefenen op bijvoorbeeld onderwerpen, invalshoek en tempo van de communicatie. Ze kunnen zowel zender als ontvanger zijn en die rollen kunnen bovendien snel wisselen. Bovendien kunnen ze keuzes maken uit diverse bronnen (TV kanalen, Internetsites, andere personen). Naarmate het aantal vrijheidsgraden/ mogelijkheden om keuzes te maken en invloed uit te oefenen, groter is, zal volgens Koolstra de interactiviteit toenemen. 

 

Mogelijke domeinen In welk wetenschapsdomein hoort de interactieve wtc thuis? Past het samen met de massamediale wtc in de communicatiewetenschap of drijft het vaak interpersoonlijke karakter dit specialisme in de armen van andere vakgebieden zoals de pedagogiek of psychologie? We nemen als uitgangspunt dat interactieve wtc een vorm van communicatie is en als zodanig onderdak moet kunnen vinden bij de communicatiewetenschap. In de hierna volgende paragrafen gaan we kijken of deze vooronderstelling houdbaar is. Bij deze analyse zal met name worden gekeken of en in welke mate de studie van interactieve wtc bijdraagt aan de theorievorming in het betrokken domein; als interactieve wtc thuis hoort in de psychologie zal het onderzoek op het terrein van de interactieve wtc een fundamentele bijdrage moeten leveren aan de theorievorming in de psychologie.

 

Je zou het interactieve wtc-onderzoek, net zoals het massamediale, dus tot het domein van de communicatiewetenschap kunnen rekenen omdat het ook bij interactieve wtc uiteindelijk om wetenschaps- en techniekcommunicatie gaat. Maar dat is misschien een te simpele redenering: ze lijkt louter semantisch. Interactieve wtc zou ook tot het domein van de communicatiewetenschap gerekend kunnen worden omdat onderzoekers op dit gebied vaak/vooral putten uit communicatiewetenschappelijke bronnen (zie: tabel 1); dat lijkt een steviger basis omdat het zich onttrekt aan persoonlijke opvattingen van deze of gene. Interessant is dat deze argumentatie aansluit bij Stappers die immers meent dat alleen de communicatiewetenschap naar alle aspecten van communicatie zou kijken.  Sinds het afsluiten van het zgn. Bèta-convenant is het academisch onderwijs van de wtc – in Nederland – gekoppeld aan de didaktiek. Dat was een politieke keuze. In dat convenant is afgesproken dat alle algemene universiteiten aan hun bèta-faculteiten een CE-afstudeervariant zullen opnemen. CE staat voor Communicatie en Educatie. Aan de TU’s en de UT is dit vertaald in SEC (Science Education and Communication) In de praktijk betekende dit dat aan diverse universiteiten de afdelingen/instituten bèta-didaktiek (vaak de lerarenopleidingen) het onderwijs in de wetenschapscommunicatie naar zich toe hebben getrokken. Dat zie je o.m. aan de Universiteit Utrecht, aan de Universiteit van Amsterdam en aan de Universiteit Twente. De koppeling van de (moderne) wtc aan de didaktiek is een politieke keuze, maar er zijn mogelijk ook inhoudelijke motieven voor aansluiting bij de

 

Pedagogiek en Onderwijskunde. Met name de interactieve wtc lijkt inhoudelijk goed aan te sluiten bij deze domeinen. Een en ander wordt versterkt door het gegeven dat de afdelingen Communicatiewetenschap aan diverse Nederlandse universiteiten zich tot nu toe niet of nauwelijks hebben bemoeid met de (interactieve) wtc (Willems, 2001).Wat is in dit kader typisch voor de Pedagogiek/ Onderwijskunde: leeronderzoek. Koppeling aan deze disciplines lijkt inhoudelijk te worden bevorderd door de opkomst van een ander accent in de wtc: de wetenschaps- en techniekeducatie, afgekort: wte. Die verandering zou samenhangen met een verschuiving in de doelen van wetenschapscommunicatie. Wte zou beter aangeven wat het doel van veel acties op dit terrein is: mensen iets leren. Wat betekent dat voor het wetenschappelijke domein? Is leren een kernbegrip binnen de interactieve wtc,?

 

Het bèta-convenant heeft ook duidelijk gemaakt dat wtc vooral een activiteit is van bèta’s. Dat is niet alleen het geval in Nederland, maar dat zie je ook in andere landen. Tijdens de PCST-conferenties is het aantal deelnemers met een exacte achtergrond (vooral biologen) opmerkelijk groot. Communicatiewetenschappers schitteren vooral door afwezigheid. Eén en ander hangt waarschijnlijk vooral samen met de aard van de onderwerpen in de wtc: veel actuele wetenschappelijke onderwerpen stammen uit de exacte wetenschappen. De sterke relatie tussen de wtc en de exacte wetenschappen zoals biologie, chemie, natuurkunde en informatica biedt interessante mogelijkheden voor de praktijk. Het is denkbaar dat bijvoorbeeld biologen ook vanuit het eigen vakgebied bijdragen aan met name de interactieve wtc; je kunt aan een biologische onderzoeker vragen een test zo aan te passen dat ook niet-deskundigen het resultaat kunnen waarnemen. Natuurkundigen kunnen in bijvoorbeeld een science center een experiment zo veranderen dat het publiek golfbewegingen van geluid direct kan zien in plaats van de weergave daarvan op een computerscherm te moeten bekijken (zie: kader).           

 Het terugkoppelen van informatie naar de onderzoeker met het verzoek om die aan te passen voordat ze aan het publiek worden gepresenteerd, is niet typisch voor bèta-wetenschap maar omdat het gemakkelijker gaat bij waarnemingen, experimenten en/of tests dan bij de werkwijze in niet-bètasectoren, zal het in het bèta-gebied mogelijk vruchtbaarder zijn dan elders. Betekent dit dat de biologie en natuurkunde ook kandidaat staan als domein voor onderzoek naar (interactieve) wtc? Dat lijkt niet waarschijnlijk. De exacte wetenschappen kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan de praktijk van de wetenschapsvoorlichting tijdens bijvoorbeeld een Wetenschapsweek, maar het is niet erg waarschijnlijk dat deze exacte domeinen ook een rol zouden kunnen spelen in het wetenschappelijk onderzoek naar de wetenschapscommunicatie.  

 

 Terugkoppeling naar het inhoudelijk vakgebied 
Als kinderen al weten dat frisdrank slecht is voor de tanden, zal voor de meesten wel duidelijk zijn dat de oorzaak suiker is. Dat frisdrank ook zuren kan bevatten die tandbederf veroorzaken is minder bekend. Hoe maak je kinderen op aanschouwelijke wijze duidelijk dat frisdranken zowel zoet als zuur zijn en daarmee dubbel fris, dubbel lekker maar ook dubbel zo slecht voor je tanden? Als waarachtige bèta-wtc-onderzoekster vertrok eerst Susan Kersjes (VU afdeling wetenschapscommunicatie) voor een stage naar het Wonderlab van NEMO te Amsterdam om een proef te ontwikkelen voor de vaststellen van zuur en zoet in frisdrank. Een tekortkoming van deze proef was dat om het zuur aan te tonen, het kleurverschil tussen de testbuis met frisdrank en de controlebuis met suikerwater zo klein was dat het ongeoefende oog dit niet goed kon waarnemen. Stagiair Mirte Bosse greep vervolgens in de chemie van de proef in, zodanig dat kinderen op grond van de kleur de resultaten in één oogopslag konden vaststellen.            Hier is communicatie dus niet het eenvoudig en duidelijk beschrijven van de moeilijk waarneembare verschillen tussen twee scheikundige toestanden maar het ingrijpen in de chemie van de proef zelf om een vanzelfsprekend duidelijk resultaat te bewerkstelligen.                                                                                                    JH 

Interactieve wtc wordt sinds de stormachtige opkomst van de ict door diverse auteurs (o.a. Oomkes, 2000; Burgoon et al, 2002; Rennen, 2005) beschouwd als een bijna-synoniem voor communicatie via digitale- en/of multimedia zoals internet. Als dat juist is, dan zou je interactieve wtc kunnen beschouwen als een aspect van informatica of beter: informatiekunde, bij voorbeeld van het deelterrein mens-machine interactie. Er is al veel onderzoek gedaan naar deze interactie (Vugt van et al, 2006). Wat is typisch voor de informatica en informatiekunde? Ze houden zich vooral bezig met de technische aspecten van ict. Is dat voldoende reden om het onderzoek naar interactieve wtc onder te brengen bij deze domeinen?Als digitale media in het algemeen en internet in het bijzonder een hoofdrol gaan spelen in de interactieve wtc, dan kan het voor de hand liggen om met name de informatiekunde een hoofdrol te laten spelen in de bestudering daarvan omdat die zich vooral richt op het menselijk gebruik van computers en andere digitale kanalen. Ook deze redenering klinkt logisch, maar wordt in de praktijk nog nauwelijks gehanteerd of herkend. Informatici en informatiekundigen houden zich nog niet of nauwelijks bezig met dit onderwerp. Publicaties over wtc vind je niet in informaticatijdschriften en die worden dan ook nauwelijks geciteerd in artikelen over (interactieve) wtc. Dat zou komende tijd kunnen veranderen als internet een nog grotere rol gaat spelen in de wtc: de praktijk is al dat met name jongeren zich vooral via internet informeren over allerlei wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen en het lijkt daardoor een kwestie van tijd voordat de ict een hoofdrol gaat spelen. (Heath et al, 2005). 

De psychologie lijkt eveneens een serieuze kandidaat als er gekozen moet worden voor een domein waarin het onderzoek naar interactieve wtc thuis hoort. Ze is de moeder van de communicatiewetenschap en veel concepten en methoden in de communicatiewetenschap zijn onmiskenbaar afgeleid van concepten en methoden uit de psychologie. Kenmerkend voor het psychologisch onderzoek in dit kader is de belangstelling voor communicatieprocessen en de effecten daarvan. Dat geldt in sterke mate voor de interactieve (wetenschaps-)communicatie omdat de interpersoonlijke wtc daarin een belangrijke rol speelt. Is dat voldoende reden om de interactieve wtc onder te brengen bij de psychologie zoals van Cuilenburg et al (1996) bepleiten? Interpersoonlijke aspecten in de wtc, mens-machine interactie bij het gebruik van internet, effecten van ook massamediale wtc, de rol van diverse actoren (o.a. de wetenschappers) en organisatie-aspecten van wetenschapscommunicatie. Tal van aspecten van zowel de massamediale als de interactieve wtc kunnen uitstekend bestudeerd worden vanuit de psychologie. Bij de analyse van bronnen die in wtc-publikaties (tabel 1) worden benut, zijn enkele psychologietijdschriften aangetroffen: Journal of Personality and Social Psychology, American Psychologist en Journal of Applied Social Psychology worden door diverse wtc-auteurs geciteerd. 

Wat zijn de kansen voor de Politicologie? Wanneer je vooral naar doelstellingen van interactieve wtc kijkt – bijvoorbeeld bij publieke debatten, in science centers en bij milieuacties -, dan blijken die nogal eens gekoppeld aan interactieve beleidsvorming (zie o.m. Regeer, 1998; Van Woerkum et al, 2004; Caron-Flinterman, 2005). Daarbij komen aspecten van macht: draagvlak, medezeggenschap en invloed aan de orde en dat zijn kenmerkende aspecten van politicologie. Is de politicologie dan het wetenschappelijke domein voor de interactieve wtc?Wanneer je de democratische motieven voor wtc overziet, dan blijkt dat er diverse voorbeelden te bestaan van politieke belangen: de mogelijkheden van niet-deskundigen om mee te denken en mogelijk zelfs mee te beslissen bij wetenschapsgerelateerde beleidsbeslissingen (en welke zijn dan niet?) impliceren een belangrijke rol van de politicologie, maar in artikelen over wetenschapscommunicatie worden ook periodieken op dit terrein desondanks nauwelijks geciteerd. De politicologie lijkt eveneens zeer relevant voor onderzoek naar het momenteel zo zwaar wegende economische belang van de wtc, bij voorbeeld het stimuleren van de kennissamenleving. Dat maakt het des te verwonderlijk dat wtc-auteurs niet of nauwelijks gebruik maken van wetenschappelijke publicaties op dit vakgebied (zie: tabel 1). 

En we zagen al eerder dat Regeer (1998) en Sørensen et al (2000) wtc in een breed cultureel perspectief willen zetten en dat loodst wtc in de richting van de multidisciplinaire wetenschaps- en/of cultuurstudies. De populariteit onder wtc-auteurs van het brede wetenschappelijke tijdschrift Science, Technology and Human Values duidt op warme band tussen het (interactieve-) wtc onderzoek en die brede benadering. Dit tijdschrift afficheert zichzelf op haar site als aninternational, interdisciplinary journal containing research, analyses andcommentary on the development and dynamics of science and technology, including their relationship to politics, society and culture.

Bronnen Zoals al eerder opgemerkt: een van de mogelijkheden om het wetenschappelijke domein van de interactieve wtc te traceren is nagaan wat de belangrijke wetenschappelijke bronnen zijn van onderzoekers op dit terrein. Zoekt men die vooral in de communicatiewetenschappelijke literatuur of spelen andere wetenschappelijke tijdschriften, bijvoorbeeld op het terrein van didaktiek, psychologie of politicologie een hoofdrol? Welke bronnen staan er in de literatuurlijsten van wtc-onderzoekers? Op welke kennis/ op wiens werk bouwen zij dus voort?            Om een indruk te krijgen van de bronnen van wtc-onderzoekers bij hun wetenschappelijk onderzoek resp hun wetenschappelijke publikaties hebben we in de jaargangen 2000-2005 van de tijdschriften Public Understanding of Science en Science Communication via het keyword interactivity de artikelen opgezocht, die betrekking hebben op interactieve wtc. Dat waren er 28 (waarvan een zonder literatuurlijst). Op de literatuurlijsten van die 27 artikelen staan in totaal 1120 referenties.In tabel 1 staan de tenminste driemaal geciteerde tijdschriften in volgorde van frequentie. Alleen de bronnen die verwijzen naar een potentieel domein voor (interactieve) wtc, zijn meegenomen . Dat betekent dat bij voorbeeld tijdschriften over niet sociaal-wetenschappelijke onderwerpen zoals het enkele malen geciteerde de Journal of Nanoparticle Research, buiten beschouwing zijn gelaten.
 

 Tabel 1           Frequentie geciteerde wetenschappelijke tijdschriften en vakbladen 
Public Understanding of Science                56x
Science Communication                          25 
Science, Technology and Human Values           22 
Journalism Quarterly/Journalism & Mass Communication Quarterly      17
Risk Analysis                                  17
Journal of Communication                       12
Communication Research                         12 
Journal of Research in Science Teaching        12 
Science                                        14
Nature                                         12
Nature Biotechnology                           7 
Daedalus                                       7
Advertising Age                                 7
Academy of Management Journal                 6
Journal of Broadcasting and Electronic Media   6
Journal of Personality and Social Psychology   6
Science Education                              6
American Psychologist                          5
Communication Yearbook                         5
International Journal of Science Education     5
Journal of Applied Social Psychology           5
Newspaper Research Journal                     5
Public Opinion Quarterly                       5
Curator                                        5
Science and Public Policy                      4
Environment and Behavior                       4
Interactions                                   4
American Behavioral Scientist                  3
Critical Studies in Mass Communication         3
Internat. Journal of Public Opinion Research   3
Journal of Technology Transfer                 3
Public Relations Review                        3
Social Representations                         3
Social Studies of Science                      3 

 

Het meest geciteerd zijn uiteraard de beide eigen wetenschappelijke periodieken: Public Understanding of Science en Science Communication. Opmerkelijke tweede is het eerder genoemde brede multidisciplinaire tijdschrift Science, Technology and Human Values, maar daarna volgen een aantal toonaangevende tijdschriften op het terrein van de communicatiewetenschap: Journalism Quarterly/Journalism & Mass Communication Quarterly, Risk Analysis, Journal of Communication en Communication Research. De derde veel geciteerde categorie bronnen zijn de beide algemeen wetenschappelijke tijdschriften Nature en Science.Psychologietijdschriften worden ook relatief veel geciteerd, maar blijven in aantal toch sterk achter bij de algemeen wetenschappelijke en communicatiewetenschappelijke bronnen. Opmerkelijk weinig wordt er geciteerd uit specifieke didactiekbronnen(Science Education) en uit politicologische (Science and Public Policy) en sociologische literatuur (Social Studies of Science). 

Discussie De frequentie van veel gebruikte bronnen wekt de indruk dat interactieve wtc of tot een breed, algemeen wetenschappelijk domein (zoals science and society studies of cultural studies) of tot het domein van de communicatiewetenschap gerekend zou moeten/kunnen worden. In dit artikel concentreren we ons op de mogelijkheid dat ook interactieve wtc binnen de communicatiewetenschappen bestudeerd zou moeten worden, omdat ook de massamediale wtc daar thuis hoort (Van Woerkum et al, 2004). Uitgaande van de hypothese dat wtc binnen het domein van de monodisciplinaire communicatie-wetenschappen bestudeerd zou moeten worden, welke inhoudelijke redenen zijn daartoe dan aan te voeren?

Zoals we eerder hebben gezien is Stappers (1983) van mening dat communicatieve fenomenen binnen de communicatiewetenschap bestudeerd moeten worden om te voorkomen dat onderzoekers blijven steken in deelaspecten. Interactieve wtc is onmiskenbaar een vorm van communicatie en als zodanig is de positie ervan volgens Stappers ook helder: ook interactieve wtc hoort binnen de communicatie-wetenschap thuis. Van Cuilenburg et al (1996) delen die visie niet. Volgens hen is communicatiewetenschap de wetenschap die zich bezig houdt met de bestudering van de informatievoorziening die op een beroeps- en/of bedrijfsmatige basis plaatsvindt aan een algemeen dan wel een professioneel ontvangerspubliek. Ook veel beoefenaars van interactieve wtc doen dat beroepsmatig en als zodanig zou deze nieuwe vorm van wtc dus volgens hen eveneens binnen het domein van de communicatiewetenschap vallen. Maar er zit een adder onder het gras: de toevoeging “beroepsmatig- en/of bedrijfsmatig” dient volgens Van Cuilenburg et al om aan te geven dat niet alle informatievoorziening relevant is voor de communicatiewetenschap. Het gehele terrein van de interpersoonlijke communicatie valt er volgens hen buiten! Deze vorm zou thuishoren in de sociale psychologie. Van Cuilenburg et al menen dus dat de communicatiewetenschap zich alleen moet bezighouden met zenders die van communicatie hun beroep maken, maar in een voetnoot geven zij al aan dat ze met deze definitie in de problemen kunnen komen omdat bij voorbeeld de lokale omroepen, vaak bemand door vrijwilligers, daardoor buiten de boot zouden vallen. De problemen lijken verder reikend: mensen die zich beroeps- of bedrijfsmatig met persoonlijke communicatie bezig houden, zouden volgens hun uitleg dus ook moeten worden uitgesloten. Dat zou betekenen dat van de interactieve wtc een groot deel, namelijk de interpersoonlijk, buiten het domein van de communicatie-wetenschap zou vallen. De definitie van Van Cuilenburg et al en hun beperking tot niet-persoonlijke communicatie lijken op gespannen voet met elkaar te staan. Volgens de oorspronkelijke defenitie behoort ook de interactieve, interpersoonlijke wtc - mits beroepshalve uitgevoerd – echter eveneens tot het domein van de communicatiewetenschap. Het uitsluiten van de interpersoonlijke communicatie lijkt een ‘slip of the pen’.           

In hun veel gebruikte handboek geven Severin en Tankard (2001) geen definitie van communicatiewetenschap. Ze gaan wel uitvoerig in op diverse wetenschappelijke concepten en theorieen en op de veranderingen daarin. Ze signaleren onder meer dat het communicatieconcept ingrijpend is veranderd door de opkomst van nieuwe media zoals internet. En één van de kenmerken van het nieuwe medialandschap is volgens hen de ontwikkeling van eenrichtingsverkeer naar communicatie via interactieve media.In hun analyse van enkele gangbare theorieen signaleren Severin en Tankard onder meer dat er lang twee scholen zijn geweest in het communicatieonderzoek: de empirische (die vooral aandacht had voor de effecten) en de kritische school (die communicatie vooral bestudeerde in haar culturele en sociale context). Beide scholen leken elkaar uit te sluiten totdat de zgn. cultural studies benadering een synthese ontwikkelde. In deze benadering wordt er o.m. gekeken naar de werking van communicatie in een sociale context en dat is een van de kenmerken van de interactieve communicatie zoals die o.a. door Wynne (1992) is omschreven. Zonder veel expliciete aandacht te besteden aan interactieve en interpersoonlijke communicatie betrekken Severin en Tankard deze nieuwe vormen als vanzelfsprekend in hun overzicht en daaruit kun je de voorzichtige conclusie trekken dat ook volgens deze auteurs interactieve wtc tot de communicatiewetenschap gerekend kan worden.           

En waarom zijn andere gedrags- en maatschappijwetenschappen dan communicatiewetenschap minder geschikt als thuisbasis voor de interactieve wtc?Als wtc een vorm van educatie is – zoals eerder betoogd - dan zou dat een te scherpe scheiding veroorzaken tussen de klassieke massamediale wtc, als onderwerp van communicatiewetenschap, en de modernere, interactieve werkwijze, die niet daartoe gerekend zou moeten worden. Zo’n scherpe scheiding wordt in de praktijk van het wtc-onderzoek niet ervaren (Van Woerkum et al, 2004). Gezien de vele raakvlakken tussen de diverse soorten activiteiten in bij voorbeeld gezondheidscommunicatie, lijkt zo’n scherpe cesuur tussen massamediale en interactieve wtc ook ongewenst. Dat zou betekenen dat het onderzoek van één activiteit in bij voorbeeld de gezondheidscommunicatie door verschillende disciplines bestudeerd zou moeten worden. Er is niets tegen interdisciplinair onderzoek, maar (ped-)agogiek/ onderwijskunde en communicatiewetenschap zijn geen domeinen die elkaar van nature vaak treffen. Aansluitend bij de visie van o.a. Stappers kun je concluderen dat de domeinen Didactiek, Agogiek, Pedagogiek en Onderwijskunde - ook relatief frequent geciteerd in artikelen over interactieve wtc (zie: tabel 1) – minder voor de hand liggen als domein omdat het onderzoek op deze terreinen doorgaans betrekking heeft op slechts onderdelen van de (interactieve) wetenschapscommunicatie. Leren lijkt een kernbegrip in deze vier vakgebieden, maar dat is vaak geen hoofddoel van wtc. Er zijn enkele motieven/ maatschappelijke sectoren (bij voorbeeld levenslang leren cq de NME) waarbij leren aan de orde is of zou moeten komen, maar daarnaast zijn er een groter aantal (bij voorbeeld wtc als amusement/ de wetenschapsjournalistiek, het GVO en wtc als PR voor de kennissamenleving/ de science centers) waarbij dat geen of in elk geval een ondergeschikte rol speelt. De verwijzingen naar pedagogische en onderwijskundige bronnen in tabel 1 hangen bij nader inzien ook sterk samen met studies aan deelaspecten.Van de sociale wetenschappen Politicologie en Psychologie wordt de laatstgenoemde weliswaar genoemd als mogelijk domein voor interpersoonlijke wtc (door Van Cuilenburg et al) en in tabel 1 kom je ook enkele wetenschappelijke tijdschriften op het terrein van de psychologie tegen, maar wanneer je de desbetreffende artikelen beter bekijkt, blijkt dat ook zij zich inhoudelijk beperken tot specifieke deelaspecten van de wtc. Communicatie als fenomeen komt er niet aan de orde. Politicologie komt in beeld als aspecten zoals macht en medezeggenschap aan de orde komen, bij voorbeeld bij publieke debatten. Of als het economische belang van de wtc aan de orde is, zoals bij wtc als onderdeel van het innovatiebeleid. En de psychologie komt vooral in beeld als de werking van media onderwerp van studie is. Maar ook daarbij gaat het dus niet om communicatie als samenhangend verschijnsel . 

Uit de rondgang langs enkele domeinen die als thuisbasis zouden kunnen dienen voor onderzoek naar interactieve wtc komt geen domein naar voren dat met kop en schouders boven de communicatiewetenschap uitsteekt. Alleen een interdisciplinaire benadering lijkt een serieuze concurrent voor de communicatiewetenschappelijke. Daaruit zou je de conclusie mogen trekken dat ook de studie naar interactieve wtc het tot haar recht komt of kan komen binnen de communicatiewetenschap.Een aantrekkelijk aspect van communicatiewetenschap als domein waarbinnen zowel massamediale als interactieve wtc thuis zouden horen, is bovendien dat dit vakgebied al veel relevante aspecten van diverse maatschappij- en gedragswetenschappen in zich verenigt. Zowel aspecten van didactiek, agogiek, pedagogiek en onderwijskunde als van politicologie, psychologie als sociologie lijken in de communicatiewetenschap samen te komen (Fauconnier, 1981, Van Cuilenburg, 1996, Burgoon et al, 2002; Van Woerkum, 2006). De informatica en informatiekunde zijn nog niet sterk verweven met de communicatiewetenschap, maar die koppeling lijkt in zicht (Hoorn, 2004).Dat het nieuwe domein wtc soms nog een eigen gezicht ontbeert, is een andere zaak: communicatiewetenschap is nog relatief jong en wetenschapscommunicatie staat in vergelijking daarmee zelfs nog in de kinderschoenen. Zoals de communicatiewetenschap zich ontwikkelde binnen o.a. de psychologie en van daaruit zelfstandigheid verwierf, zo zou de wtc zich binnen de communicatiewetenschap kunnen ontwikkelen tot een eigen domein. 
 

Bronnen: Burgoon, J. K. et al (2002). Testing the interactivity principle: Effects of mediation, verbal and nonverbal modalities, and propinquity in decision-making interactions. Journal of Communication, 52(3).

Cuilenburg, J van et al. (1996). Communicatiewetenschap.Bussum: Coutinho.

Donkers, H. en J. Willems (1998). Journalistiek schrijven (inleiding). Bussum: Coutinho.

Einsiedel, E. (2000). Understanding Publics in the Public Understanding of Science. In: Between Understanding and Trust. Edited by Dierkes, M and C. Von Grote.Amsterdam: Harwood.

 Fauconnier, G. (1981). Algemene communicatietheorie. Utrecht: Spectrum.

Felt, U. (2000). Why Should the Public Understand Science. In: Between Understanding and Trust. Edited by Dierkes, M and C. Von Grote. Amsterdam: Harwood.

Heath, C. et al (2005). Interaction and interactives: collaboration and participation with computer-based exhibits.  Public Understanding of Science, 14.

Hoorn, J. (2004). Een model voor informatietechnologieen die creatief kunnen zijn.In:  Interactieve wetenschapscommunicatie.      Redactie Hamelink, C. , I. van Veen en J. Willems. Bussum: Coutinho.

Koolstra, C. (2007). Interactiviteit en wetenschapscommunicatie In: basisboek wetenschapscommunicatie. Redactie: Jaap Willems. Amsterdam: Boom

Kiousis, S. (2002). Interactivity: A concept explication.  New Media & Society, 3(3).

 

                              Labasse, B. (1999). Observations on the communication of scientific and technical knowledge. Brussel: EU.

 

Nillisen, B. (1998). Een queeste naar voorlichting. Communicatiewetenschap en de eerste stap op weg naar een theorie van voorlichting. Nijmegen: University Press.         

Oomkes, F (2000). Communicatieleer. Amsterdam: Boom.

Regeer, B. (1998). Het science center als speler in het spel der samenleving. Tijdschr, v Wetensch., Techn. en Samenleving 5: 153-161.

Regeer, B. (2004). Wetenschapscommunicatie in de agora: veranderende relaties tussen wetenschap en samenleving. In:  Interactieve wetenschapscommunicatie. Redactie Hamelink, C. , I. van Veen en J. Willems. Bussum: Coutinho.

Rennen, T. (2005). De toekomst van de schrijvende journalistiek. In: Journalistiek schrijven. Redactie: H. Donkers en J. Willems. Bussum: Coutinho.

Severin, W. en Tankard, J. (2001). Communication Theories. New York: Longman.

Sørensen, K. e.a. (2000). Against Linearity- On the Cultural Approach of Science and Technology. In: Between Understanding and Trust. Edited by Dierkes, M and C. Von Grote.     Amsterdam: Harwood.

Stappers, J. (1983).Massacommunicatie, een inleiding. Amsterdam: Arbeiderspers.

Stappers, J. et al (1983). Wetenschap als gemeengoed. Den Haag: Staatsuitgeverij.

Vugt, van H. et al (2006). Affective affordances: Improving interface character engagement through interaction. International Journal of Human-Computer Studies, 64- 9: 874-888.

Willems, J. (1993). Naar een andere aanpak.  In: Handboek Wetenschaps- en technologievoorlichting.Redactie Willems, J. en E. Woudstra. Groningen: Martinus Nijhoff.

Willems, J. (2001).Science writing courses identify journalists among students. Public Understanding of  Science  (2001) 10.

Woerkum, C. van en A. van der Auweraert (2004)     Wetenschapscommunicatie:Where science meets society. In:  Interactieve wetenschapscommunicatie. Redactie Hamelink, C. , I. van Veen en J. Willems. Bussum: Coutinho.

Woerkum, C. van (2006). Persoonlijke mededeling.

Wynne, B. (1992).Public Understanding of Science Research. Public Understanding of Science 1: 321-337.  

 

burgerschap

Communicatie over techniek stimuleert ook kritisch burgerschap 

Jaap Willems(hoogleraar science communication, Instituut ELAN, Universiteit Twente) 

Wetenschaps- en techniekcommunicatie heeft doorgaans betrekking op de vraag hoe we meer jongeren kunnen interesseren voor een bèta en/of techniek. Zonder voldoende belangstelling daarvoor zou onze welvaart in gevaar komen. Dit lijkt een te enge benadering. Populariseren van o.a. nieuwe technologieën is niet alleen van belang voor onze economie, maar eveneens voor het democratisch functioneren van onze samenleving omdat het bijdraagt aan de vorming tot kritische burgers. Wtc dient daarom niet alleen op jongeren te worden gericht zoals in de huidige science centers vaak het geval is, maar ook op de rest van de samenleving. Recente technologische ontwikkelingen zoals de opkomst van genomics vormen daartoe een extra argument omdat het debat daarover vooral door volwassenen wordt gevoerd. Door kritische burgers.

 

Ontwikkelingen op terreinen zoals biotechnologie, gezondheidstechniek en ict zijn vaak zo ingrijpend van aard dat je beleidsmaatregelen op die terreinen niet kunt overlaten aan politici en deskundigen. Wanneer een samenleving wordt geconfronteerd met de opkomst van dergelijke nieuwe technologieën, dan mag bijvoorbeeld regelgeving op dat terrein niet alleen het product zijn van een compromis tussen wat deskundigen wenselijk vinden en politici haalbaar. Zaken als risico, privacy en veiligheid zijn vaak te zwaarwegend om volledig aan het politieke spel over te laten. Daarbij is een breder draagvlak nodig. Anders gezegd: als er ingrijpende innovaties aan de horizon verschijnen, dan zijn er betrokken kritische burgers nodig die daarover meedenken, meepraten en ook meebeslissen. En dat zou al vroeg in een dergelijk ontwikkelingsproces moeten gebeuren: als lijnen worden uitgezet die naar die innovaties kunnen leiden, bijvoorbeeld bij het verdelen van subsidies of het opstellen van spelregels voor bijvoorbeeld proefdiergebruik.

Uit het proefschrift van Anne Dijkstra (Universiteit Twente) over de rol van het publiek in het debat over genomics, komt echter een weinig bemoedigend beeld naar voren als het gaat om kritisch burgerschap. De betrokkenheid van de modale Nederlander bij dit type wetenschappelijke ontwikkelingen lijkt gering. Niet veel mensen schijnen mee te doen bij discussies over de ontwikkeling van nieuwe technologieën zoals genomics, ondanks de mogelijk verstrekkende invloed daarvan op onze samenleving. Waarom dan toch een pleidooi voor kritisch burgerschap? Waarom moeten we wetenschap en technologie populariseren als de meeste mensen daarin weinig geïnteresseerd lijken? Is dat geen verspilling van geld, tijd en energie?

 

We moeten blijven streven naar grotere betrokkenheid bij het beleid rond bijvoorbeeld nieuwe technologieën omdat dit noodzakelijk is voor een gezonde samenleving. Als je een samenleving nastreeft waarin welvaart en welzijn voor veel mensen zijn verzekerd, dan moet je blijven streven naar een geëngageerde bevolking, naar de vorming van mondige burgers. Wanneer ingrijpende maatregelen zoals die over het onderzoek aan stamcellen moeten worden genomen, is het noodzakelijk dat veel mensen daarover hebben meegedacht. Zonder een brede maatschappelijke basis loop je het risico dat maatregelen worden genomen op grond van louter politieke afwegingen. Die zijn niet altijd in het algemeen belang of worden in elk geval vaak niet als zodanig ervaren.

Is de Nederlandse bevolking dan niet voldoende betrokken? Iedereen heeft een mening over van alles. Zonder in het pessimisme van Balkenende c.s. te vervallen, lijkt het antwoord op die vraag toch ontkennend te moeten zijn. Een groot deel van de Nederlanders lijkt niet echt geïnteresseerd (tenzij het om leuke toepassingen gaat zoals de gps); veel mensen zeggen dat wel te zijn, maar haken toch snel af als ingewikkelder zaken aan de orde komen zoals genomics of nanotechnologie. Ze hebben daarover soms wel een mening, maar die is doorgaans nogal vrijblijvend, oppervlakkig en dus gemakkelijk te manipuleren. Veel mensen lijken overigens ook zelf ontevreden over die situatie. Uit onderzoek van o.a. het SCP komt veel onvrede naar buiten over de wijze waarop men (niet) geïnformeerd is over dit soort ontwikkelingen. Dat lijkt geen basis voor kritisch burgerschap.

 

Empowerment

 

Om mensen meer te betrekken bij de grote veranderingen in het dagelijkse leven op het terrein van onder meer de gezondheidszorg, energie- en voedselvoorziening, nieuwe technologieën en maatregelen m.b.t. klimaatverandering, is empowerment nodig. Wat is dat? Er zijn honderden definities, maar het komt er kort gezegd op neer dat mensen in staat zijn c.q. worden gebracht zich zinvol te bemoeien met plannen en maatregelen op deze terreinen. Veel meer mensen dan nu moeten zich kunnen en willen inzetten voor ontwikkelingen die in ieders belang zijn. Meer mensen moeten de macht en mogelijkheid krijgen dat te doen.

Prachtig gezegd, maar hoe bereik je dat? Hoe maak je mensen, die niet erg geïnteresseerd lijken mondiger? Anders gezegd: hoe realiseer je kritisch burgerschap? Hoe creëer je empowerment? In elk geval niet via de klassieke massamediale voorlichting. Mensen worden al overspoeld door informatie en nog meer argumenten over bijvoorbeeld de noodzaak van orgaandonatie of met adviezen voor een gezonder leven, leveren niet veel winst op. Tenzij je met een shocktherapie werkt zoals de donorshow van BNN, maar een dergelijk effect is meestal kortstondig. De plannen van o.a. minister Klink voor meer massamediale voorlichting over bijvoorbeeld de voordelen van het Elektronisch Patiënten Dossier of de risico’s van drugsgebruik passen in het ouderwetse idee dat je mensen kunt veranderen door hen beter te informeren. In de communicatiewetenschap noemt men dat de injectienaaldtheorie: door het grote publiek via de media als het ware te injecteren met informatie, zou die als een spons de nieuwe kennis opnemen en daardoor veranderen. Een klassieke vergissing. Eerder onderzoek laat zien dat je meer mag verwachten van interactie in bijvoorbeeld het (buitenschools) onderwijs. In het recent verschenen proefschrift van Maarten van der Sanden (TU Delft) komt duidelijk naar voren dat de wetenschaps- en techniekvoorlichting daarbij veel kan leren van aanpalende terreinen zoals de gezondheidsvoorlichting en de reclame.

 

Maar voordat je je afvraagt op welke manier je meer mensen kunt (om)vormen tot kritische burgers, moet je vaststellen wat je eigenlijk voor ogen hebt. Wat is kritisch? Betekent het dat mensen a priori negatief staan ten opzichte van nieuwe ontwikkeling, dat ze kritiek hebben totdat het is bewezen dat de innovaties nuttig en veilig zijn? Of moet je het vertalen als een belangstellende houding? Je omarmt niet elke innovatie automatisch omdat wetenschappers of technici zeggen dat het goed is, maar wijst die ook niet bij voorbaat af. Je kijkt kritisch naar een dergelijk innovatie.

En waarop moet je kritisch zijn? Op elk nieuw product, elke nieuwe techniek, elk ander idee? Het is ondoenlijk om alle nieuwe ontwikkelingen kritisch te bejegenen want daarvoor ontbreken bij bijna iedereen tijd, energie en kennis. Via opinieleiders, wetenschaps- en techniekjournalisten, maatschappelijke organisaties en vergelijkbare instanties zullen relevante ontwikkelingen voor het voetlicht moeten worden gebracht waarna een breder publiek zich daarmee kan gaan bemoeien. Dat kun je formaliseren via publieke debatten, panels, consensusconferenties en dergelijke en dat kun je ook overlaten aan het vrije spel van de publieke meningsvorming.

En wie moeten er dan kritisch zijn? Welke burger, elke burger? Het is niet reëel om te verwachten dat iedereen, een gehele samenleving ooit omgevormd kan kunnen worden tot kritische burgers. Maar de betrokken groep zou groter moeten kunnen zijn dan de hoogstens tien procent die men met enige goede wil nu als zodanig kan aanmerken. Meer mensen zeggen geïnteresseerd te zijn, meer mensen zijn hoger opgeleid, meer dan tien procent van de bevolking wordt doorgaans direct geconfronteerd met een bepaalde innovatie. Die kunnen hopelijk meer en beter worden betrokken. Betrokkenheid lijkt overigens vooral haalbaar voor specifieke problemen. Uit eerder onderzoek blijkt namelijk dat zich doorgaans rond bepaalde vragen, specifieke groepen mensen concentreren. Deelpublieken. Bij plannen voor bijvoorbeeld een kernenergiecentrale zullen dat andere mensen zijn, dan bij de introductie van gemodificeerde voedingsmiddelen; plannen voor het invoeren van nieuwe ict zoals UMTS zullen weer andere mensen mobiliseren. Anders gezegd: het grote publiek bestaat niet als het om dit type vraagstukken gaat, het zal doorgaans gaan om deelpublieken of publiekjes.

 

Hoe word iemand een kritische burger of beter: hoe kun je bereiken dat meer mensen zich als kritisch burger gaan gedragen? Inzichten vanuit o.m. de politicologie leren dat empowerment daarbij een cruciale rol kan spelen. Mensen moeten in staat worden gesteld om mee te denken, mee te praten en mee te beslissen. Men moet de kracht en de macht krijgen om dit te doen. Als mensen het gevoel krijgen dat hun mening ertoe doet, dan zal menigeen meer dan nu de moeite nemen zijn of haar stem te laten horen. Nu lijkt inspraak – bijvoorbeeld tijdens de genomisdebatten – vaak vooral een doekje voor het bloeden.  Geselecteerde mensen en organisaties mogen hun mening geven en de politiek beziet daarna of ze er iets mee doet. Niet helemaal onlogisch in een parlementaire democratie, maar toch een vergissing. Een democratisch systeem ontslaat een samenleving namelijk niet van de morele plicht tot zelf nadenken.

Empowerment is meer dat het verstrekken van voldoende informatie, zoals tijdens de grote publieke debatten over genomics gebeurde; het impliceert ook maatschappelijke vorming door o.m. training. Mensen moeten leren om mee te denken, mee te praten en mee te beslissen doordat ze bijvoorbeeld persoonlijk betrokken zijn geweest bij discussies bij specifiek beleid. Dat lijkt alleen te lukken als mensen daartoe worden getraind, opgeleid, gevormd. Toegegeven: vorming is een besmette term, die aan het einde van de vorige eeuw in diskrediet is geraakt door het hoge geitenwollen sokkenkarakter van het vormingswerk, maar dat neemt toch niet weg dat het nog altijd een veelbelovend traject lijkt omdat het verder gaat dan informeren. Mensen moeten niet alleen over voldoende kennis beschikken, ze dienen ook een houding, een attitude te hebben die hen rijp maakt voor deelname aan het publieke debat over bijvoorbeeld nieuwe technologieën. Een bruikbare route op weg daar naartoe zou wel eens gevonden kunnen worden in het aanbieden van eigen ervaringen met bijvoorbeeld die technologieën. Dat is een aanpak die je onder meer terugvindt in diverse activiteiten voor jongeren van het Platform Bèta Techniek zoals JetNet. Die zou men ook voor volwassenen kunnen ontwikkelen.

Het grote verschil tussen de klassieke voorlichting en de modernere vorming is dat men bij voorlichting vooral informatie aanbiedt, in woord en beeld, gedrukt of op een beeldscherm; bij onderwijs en vorming is daarnaast sprake van persoonlijk contact, van interactie. De zgn. leken kunnen in gesprek treden met de deskundigen. Die kunnen gemakkelijker hun persoonlijke meningen geven omdat die niet publiekelijk worden verspreid zoals bij het populariseren via de media. En emoties – van beide kanten – kunnen bij zo’n direct contact veel gemakkelijker een rol spelen dan tijdens voorlichting.

 

Een uitbreiding van de techniekcommunicatie van louter voorlichting via massamedia naar interactieve vorming leidt tot verbreding en intensivering daarvan, die tot empowerment kan leiden. Niet alleen jongeren zouden daarbij moeten worden dan benaderd, maar ook volwassenen. Niet alleen de economische belangen zijn daarbij in het geding, maar ook de democratische en culturele. En er wordt niet langer louter top down gecommuniceerd (van deskundigen naar leken), maar experts komen in direct contact met leken; academische deskundigen raken in gesprek met ervaringsdeskundigen zoals patiënten en hun familie, wetenschappers en niet-wetenschappers horen van elkaar wat ze persoonlijk vinden van de plannen om bijvoorbeeld ict onder toezicht van de overheid te plaatsen en/of meer te investeren in natuurlijke geneeswijzen. Overigens, betrokken burgers zijn geen garantie voor meer draagvlak (vgl. de vroegere kernenergiedebatten). Ze vormen echter wel een garantie voor een gezondere samenleving                                            

 

  

 

inleiding basisboek

  Inleiding, het wtc-landschap 

In dit boek willen we begrippen, uitgangspunten, ontwikkelingen en dergelijke in de wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) beschrijven, analyseren en in hun onderlinge samenhang bezien. Wat is wtc? Wat is het doel ervan? En wat het rendement? En wat is de relatie tussen bijvoorbeeld wtc en de opkomende wetenschapseducatie (wte)? Wanneer we een en ander zo duidelijk mogelijk verwoorden, kan dat bijdragen aan het terugdringen van de spraakverwarring die de wtc nu soms kenmerkt.  Spraakverwarring? Wat de een wtc noemt is voor een ander wetenschapspropaganda; wat de een communicatie noemt, betitelt een ander als educatie, of voorlichting. En terwijl de ene groep alle wtc-heil verwacht van de tv of van internet, geloven anderen veel meer in interactieve communicatie zoals tijdens publieke debatten en in sciencecenters.[1] [2] [3].

In dit boek willen we proberen om vanuit het opkomende wetenschapsdomein wtc een bijdrage te leveren aan de verdere ontplooiing van de wtc-praktijk. Theorie als steun voor de alledaagse toepassing. Dat wetenschappelijke fundament zoeken we om zoveel mogelijk te ontkomen aan politieke hypes, modetrends en andere minder sterke uitgangspunten. Om de koppeling met de praktijk duidelijk te maken, zullen we dit boek beginnen met een min of meer historisch opgezette beschrijving van het wtc-landschap: wie houden zich in Nederland (en Vlaanderen) bezig met wtc? Wat doen ze en waarom doen ze dat? Hoe doen ze dat en sinds wanneer vindt dat plaats? 

Tabel 1            wtc-actoren 
Wetenschappers (als kennisbron)
Wetenschapsjournalisten
Educatoren in wetenschapsmusea en science centers
Gezondheidsvoorlichters/gvo-consulenten
nme-medewekers en actievoerders
Wetenschapsvoorlichters 
wtc-onderzoekers
wtc-beleidsmakers 
wtc-consumenten (wetenschappers, professionals en andere publiekssectoren

 Definities.  Wetenschaps- en techniekcommunicatie – wtc – lijkt een veelomvattend en daardoor soms ook vaag begrip. Wat is wtc en wat niet? Vanouds herkennen we het in wetenschapsjournalistiek (wetenschap in kranten en tijdschriften, op radio en tv) en in de publieksactiviteiten van musea zoals Naturalis, Archeon, het Utrechts Universiteitsmuseum en het Teylersmuseum in Haarlem. Maar die museale activiteiten heetten vroeger geen wtc en sommigen betitelen het nog altijd liever als educatie. Wetenschapsjournalistiek was lang de bekendste vorm omdat in kranten en tijdschriften de meeste aandacht werd besteed aan wetenschap en techniek, denk aan de wetenschapskaternen van onder andere nrc-Handelsblad en van de Volkskrant en aan periodieken zoals Natuurwetenschap & Techniek en Kijk[4] Ze waren gezichtsbepalend voor de wtc en waarschijnlijk spelen die massamedia nog altijd een hoofdrol bij het verspreiden van informatie over wetenschap en techniek naar een groot publiek.
Dat betekent niet dat de wetenschapsjournalistiek de afgelopen halve eeuw onveranderd is gebleven. Integendeel. Kort na de tweede wereldoorlog – toen de wetenschapsjournalistiek als zodanig voor het voetlicht trad – was het vooral een activiteit van ‘onderwijzers’ zoals Gerton van Wageningen, Arie Kool en Piet Heil. Zij legden enthousiast uit hoe je met een plasmastraal beton in plakjes kon snijden en waarom een kunstmaan niet naar beneden viel. Wetenschap was op de eerste plaats avontuur en werd meestal positief benaderd. Deze groep verdween van het toneel in de jaren 1960 toen – na het verschijnen van onder meer het boek Dode lente (van Rachel Carson) – de maatschappelijke gevolgen van wetenschap en techniek plotseling veel meer aandacht vroegen. Een nieuwe lichting wetenschapsjournalisten – waaronder Hans van Maanen, Simon Roozendaal en Rob van Hattum – legde toen vooral uit wat de risico’s waren van wetenschap en techniek: van kernenergie en straling, van chemische bestrijdingsmiddelen tot hormonen. Niet minder enthousiast, maar wel kritischer dan voorheen. Daarna leek ook dit specialisme gearriveerd: de huidige wetenschaps-journalisten zijn, net als hun collega’s in andere domeinen, vooral verslaggevers. Ze selecteren, vertalen, leggen uit, interpreteren en becommentariëren het werk van wetenschappers en technologen.
[5] [6] Is dat wetenschapscommunicatie? Vroeger heette het onder meer populariseren van wetenschap of science writing.[7] Het begrip wtc was in Nederland nog niet bedacht. Is de naamsverandering naar een gemeenschappelijke term zoals wtc reëel? Kun je journalistiek eigenlijk wel onder één noemer brengen met de publieksactiviteiten in musea, die vaak werden (en worden) aangeduid als voorlichting of educatie? Zijn populairwetenschappelijke artikelen en programma’s te vergelijken met de tekstbordjes, folders, videofilmpjes en rondleidingen?
De term wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) – vaak gaat het overigens vooral om wetenschapscommunicatie en niet om techniek – is een kernbegrip geworden dat voor allerlei en vaak heel verschillende vormen van publiekscommunicatie over wetenschap en techniek wordt gebruikt. Zowel wetenschapsjournalistiek, -pr, -voorlichting, -propaganda, -reclame als -educatie en scholing worden onder de noemer wtc gezet. Is dat terecht? In hoofdstuk 1 zal Ann van de Auweraert proberen een overzicht te geven van de diverse definities en andere omschrijvingen van wtc en op zoek gaan naar gemeenschappelijke bouwstenen. Dat vermindert mogelijk de ogenschijnlijke spraakverwarring.
[8] [9] [10] In hoofdstuk 2 besteedt Arend Jan Waarlo aandacht aan de relatie communicatie (C) en educatie (E), die een belangrijke rol speelt bij het definiëren van het begrip wtc.
 

Motieven. Waarom houden mensen zich bezig met wtc? Het doel van zowel wetenschapsjournalisten als van veel voorlichters en educatiemedewerkers in musea en dergelijke was en is op de eerste plaats het bevredigen van de nieuwsgierigheid van lezers, kijkers en/of bezoekers. De journalist wil zijn lezers, luisteraars en/of kijkers amuseren of informeren; de voorlichter beoogt ongeveer hetzelfde maar heeft daarnaast ook de behoefte om mensen te helpen of om hen van iets te overtuigen. Veel museummedewerkers willen bezoekers iets leren. Kortom, de meeste mensen die zich met wtc bezig houden hebben een duidelijke bedoeling met wat ze doen; ze hebben vaak verschillende, maar doorgaans wel herkenbare motieven, die uiteraard moeten aansluiten bij de wensen van de consumenten.[11] [12]

Wat zijn die motieven? Wanneer we uitgaan van de klassieke verdeling van motieven voor wtc[13] [14] kunnen we die soms zeer diverse beweegredenen onderbrengen in de volgende drie categorieën: Culturele motieven: mensen leven in een wetenschappelijke en technologische cultuur en moeten daarover worden geïnformeerd om hen in staat te stellen op een zinnige manier mee te doen in deze samenleving.[15] 2)Democratische/ politieke motieven: mensen moeten ook de kans krijgen mee te denken, mee te praten en misschien zelfs mee te beslissen over nieuwe ontwikkelingen zoals genomics en kernenergie.[16] 3) en economische motieven: omdat de samenleving steeds wetenschappelijker en technologischer wordt, moeten mensen blijvend geïnformeerd worden om zowel in hun werk als privé mee te kunnen blijven doen. De kennissamenleving vereist levenslang leren van zoveel mogelijk mensen, jong en oud.In de vroege periode van de wtc was er vooral aandacht voor culturele en democratische argumenten; dat is nog duidelijk te lezen in de knaw nota uit 1977[17]:

Voor het leveren van algemene beschouwingen over nut en noodzaak van de wetenschapsvoorlichting, door welke instantie dan ook gegeven, moet als fundamenteel uitgangspunt gelden het recht van de burgers om te leren kennen, te weten (The public’s right to know).’ Vergelijk dat eens met de intenties van het Platform Bèta Techniek uit 2006.[18] Wat deze democratische en culturele argumenten nu nog betekenen en hoe dat is gekomen, proberen we duidelijk te maken in de hoofdstukken 3 en 4. Anne Dijkstra en Astrid Souren schetsen de ontwikkelingen binnen de motieven van deze beide groepen. Het verschil in omvang van deze beide hoofdstukken heeft geen relatie met het belang dat we hechten aan het ene of het andere motief. Dat verschil hangt alleen samen met de verschillen in benadering door de beide auteurs.             

Effecten. We hebben diverse redenen van organisaties en personen om zich bezig te houden met wtc en wte aangestipt, maar wat is het resultaat, het effect van al die inspanningen? Wat is het nut? De duizenden voorlichters en andere wtc-actoren hebben vaak een duidelijk doel voor ogen: zij willen het publiek meer betrekken bij de ontwikkelingen in wetenschap en techniek, zij willen jongeren enthousiast maken zodat ze een loopbaan zoeken in die richting. Lukt dat? Je mag aannemen dat de wtc-actoren dat zullen willen en moeten weten. Hoe meten ze dat? Hanssen en anderen[19] relativeren overigens die behoefte aan evaluaties: ‘Massacommunicatie gaat over openbaar maken. Het gaat niet om direct werkbare effecten. Het gaat om de gevolgen op langere termijn. Door Gerbner cultivatie genoemd.[20] Hij ziet de massamedia, en vooral televisie, als de cultivators van de hedendaagse samenleving. Waarden, opinies, kennis en attituden van individuen worden immers opgebouwd, onderhouden, bijgesteld en veranderd door uitwisseling van symbolen (taal, beelden enzovoort) en die taak is in onze samenleving toebedeeld aan de massamedia.’ 

Educatie. Naast de wetenschapsjournalistiek en de educatie/voorlichting in diverse musea, ontstonden in andere segmenten van de samenleving de gezondheidsvoorlichting en -opvoeding (gvo) en de natuur- en milieueducatie (nme). Hoewel dit waarschijnlijk ook  vormen van wetenschapscommunicatie zijn, vonden deze domeinen hun wetenschappelijke basis aanvankelijk niet in de communicatiewetenschap, zoals die met name aan de UvA, vu en de kun/ru wordt bedreven. Evenals de landbouwvoorlichting leunden de gvo en nme lange tijd sterk op de Wageningse voorlichtingskunde (tegenwoordig overigens ook communicatiewetenschap genoemd) en op de agogiek, didactiek en onderwijskunde.
De klassieke communicatiewetenschap was vooral geïnteresseerd in de werking van massamedia en soms krijg je de indruk dat dit nog altijd het geval is; de voorlichtingskunde vond zijn basis in de interactieve communicatie (over landbouw) en ook in de huidige Wageningse communicatiewetenschap speelt deze vorm nog altijd een hoofdrol, maar naast landbouw zijn ook voeding, natuur en milieu belangrijke aandachtsgebieden. Dit domein kijkt vooral naar het proces.
De gezondheidsvoorlichting (inclusief de voedingsvoorlichting) vind je vaak terug in de media, zoals in vrouwenbladen, maar daarnaast wordt gvo ook vaak interpersoonlijk beoefend. Je ziet dat in organisaties zoals de Kruisverenigingen en Jellinekklinieken, bij voorlichtingsbureaus zoals het Voedingscentrum en de produktschappen zoals het Nederlands Zuivelbureau. Die instellingen werken natuurlijk ook met journalistieke kanalen zoals tijdschriften, maar daarnaast zijn ze dus actief in de interactieve communicatie. Hun consulenten zoeken vaak eveneens het persoonlijke contact met cliënten.
De natuur- en milieueducatie is volwassen geworden dankzij de activiteiten van organisaties zoals het Instituut voor Natuurbeschermingseducatie (ivn), de jeugdbonden voor natuurstudie (nvj), Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en Milieudefensie. Bij veel activiteiten in deze sector – bijvoorbeeld de excursies en acties – speelt persoonlijk contact een belangrijke rol.
Veel van deze organisaties brengen hun activiteiten niet onder de noemer communicatie (en dus ook niet met wtc), maar betitelen dat bij voorbeeld als educatie. Wat ze in de praktijk doen – onder meer het verspreiden van posters, folders en tijdschriften, het houden van lezingen en het organiseren van acties en excursies – lijkt vaak echter sterk op wat (andere) wtc-organisaties zoals musea doen. Waar liggen de grenzen en verschillen? Wanneer is iets communicatie en wanneer noem je het educatie? Nadat Arend Jan Waarlo in hoofdstuk 2 de relatie tussen C en E tegen het licht heeft gehouden en daarbij communicatie vooral vanuit agogisch perspectief heeft belicht, proberen Johan Hoorn en Juliette Walma van der Molen in hoofdstuk 6 de specifieke relatie tussen wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) en wetenschaps- en techniekeducatie (wte) te verhelderen vanuit een communicatiewetenschappelijke gezichtshoek. Dat is actueel want het ocw-beleid lijkt zich te ontwikkelen van wtc naar meer of vooral wte.
 

Interactief. Een van de opmerkelijke aspecten bij de vergelijking van wtc en wte, is de verschuiving van het top-down-denken (sterk vertegenwoordigd in de massamediale wtc), naar een bottom-up-benadering (die in de wte lijkt te overheersen). Top-down-benaderingen, van de deskundige naar de leek, zijn vanzelfsprekend in de wetenschapsjournalistiek, zoals bij kranten, tijdschriften en op tv; ze zijn inherent aan de werkwijze van de journalistiek. De bottom-up-benadering is duidelijker aanwezig in de interpersoonlijke benadering van het gvo en de nme; ze is daar onderdeel van de beoogde interactiviteit waarin de ervaringsdeskundigheid van patiënten, cliënten en andere leken ook een rol speelt.
Interactiviteit lijkt een nieuw wtc-verschijnsel. Bij interactie is er dus geen sprake meer van deskundigen die proberen de leek iets uit te leggen, maar van interactie tussen wetenschappers en de rest van de samenleving.
[21] Volgens Wynne is dat nodig omdat de klassieke massamediale opvatting te weinig rekening houdt met de politieke cultuur van wetenschap en haar sociale relaties. Binnen het traditionele communicatieonderzoek naar wtc is er volgens hem geen aandacht voor de maatschappelijke inbedding van wetenschap, de sociale omgeving en de organisatie van wetenschappelijk onderzoek. En dat zou wel noodzakelijk zijn. Maar wat is interactiviteit? Het lijkt net als communicatie een term die voor veel spraakverwarring kan zorgen. Voor veel mensen is het bijna een synoniem voor internet. Anderen koppelen het vooral aan interpersoonlijke communicatie en eisen een minimaal aantal reacties voordat iets interactief mag heten. In hoofdstuk 7 geeft Cees Koolstra een kritisch literatuuroverzicht.
 

Economisch motief. De term wetenschapsvoorlichting is in de jaren 1980 sterk opgekomen, vooral bij universiteiten en andere kennisinstellingen en in het bedrijfsleven (voornamelijk bij multinationals zoals Philips en Shell). Schoolvoorbeelden van de industriële wetenschapsvoorlichting uit die periode waren de exposities in het Evoluon van Philips en de persexcursies van Shell. Grote aantallen wetenschapsvoorlichters traden in deze periode aan en kregen de taak de activiteiten van de betrokken organisaties uit te leggen aan de samenleving. Deze tak van de wtc is uitgeroeid door een omvangrijke sector: het aantal (wtc-)voorlichters wordt geschat op enkele tienduizenden.[22]
Hoewel het woord voorlichting voortkomt uit het begrip verlichting, is het doel ervan vaak niet op de eerste plaats het verheffen van ‘het volk’ in het belang van die mensen, maar gaat het vooral om het positioneren van de organisatie in de samenleving: be good and tell it. Universiteiten willen vooral studenten en fondsen werven, bedrijven hopen op deze manier hun imago en marktpositie te verbeteren. Dat lijkt dus meer op pr of reclame en pessimisten betitelen het dan ook als ‘het verkopen van de wetenschap’. Een toonaangevend boek van Nelkin op dit terrein heet Selling Science.
[23] In de Angelsaksische literatuur spreekt we in dit verband over een verschuiving van Public Understanding of Science naar Public Relations of Science. Het een is niet beter dan het ander, maar het zijn wel erg verschillende bezigheden.[24]

Ook bij de moderne wetenschapsvoorlichting is er nog steeds sprake van de democratisch en culureel georiënteerde argumenten, maar economische motieven zijn eveneens prominent aanwezig. Universiteiten en andere onderzoeksinstituten worden in toenemende mate (financieel) afhankelijk van de rest van de samenleving. In de ocw-nota Boeiend, Betrouwbaar en Belangrijk uit 2000 wordt het economische argument als eerste genoemd. ‘Voor economisch succes is het essentieel om een beroepsbevolking te hebben die zich snel nieuwe kennis eigen kan maken en die erop gericht is dat ook te doen. Het gaat om de ontwikkeling van de vaardigheid om uit de bijna onbeperkte hoeveelheid informatie te selecteren wat belangrijk is, verbanden te leggen, ontwikkelingen te herkennen en op hun waarde te schatten, en aan die informatie waarde toe te voegen. Daarom is het economische belang van een activerende en initiërende wetenschaps- en techniekcommunicatie sterk toegenomen.’ Volgens Dalderup[25] (2000) zet het economische motief voor wtc tegenwoordig de toon. Wiedenhof[26] meende in 1995 nog dat er een redelijke balans was tussen de diverse argumenten voor wtc, maar Dalderup signaleert dat het evenwicht gedurende het afgelopen decennium sterk is verstoord: het economisch motief voor wtc zou de democratische en culturele overwegingen hebben overvleugeld. ‘Het heeft er alle schijn van dat de overheid, sturend met de geldbuidel, op wat minder afstand is gaan meedenken dan Wiedenhof nog meende. Voor het beleid geldt wetenschaps- en techniekcommunicatie meer en meer als instrument om imperfecties in het onderwijs en fricties op de arbeidsmarkt te repareren.’

Science centers. Het toenemend economisch belang van wetenschap en techniek voor de samenleving is waarschijnlijk ook een belangrijke verklaring voor de opkomst van de science centers en wetenschapsmusea zoals Nemo in Amsterdam en Technopolis in Mechelen. Het is niet voor niets dat in Nederland de minister voor ez een belangrijke rol speelde bij het moeizaam tot stand komen van het eerste Nederlandse science center. Ook in de vele tientallen buitenlandse science centers speelt het belang van een goed geschoolde bevolking voor de kennissamenleving een aanwijsbaar grote rol in de motivering van het ontstaan ervan; vaak is het bedrijfsleven direct betrokken bij het oprichten en in stand houden van die centra. Science centers moeten vooral jongeren enthousiast maken voor bètawetenschap en techniek om op die manier te voorzien in de groeiende behoefte aan studenten en werknemers in deze sector. Maar houden science centers zich dan wel met wetenschapscommunicatie bezig? Zijn het niet veel meer propaganda-organisaties? Het is en blijft een kwestie van definitie (zie hoofdstuk 1), maar gezien de vele raakvlakken en overgangszones tussen educatie/voorlichting en propaganda/reclame, de glijdende schaal van journalistiek, voorlichting en pr naar reclame, propaganda en marketing voor wetenschap en technologie, en de overeenkomsten in motieven en werkwijzen, lijkt het verdedigbaar ook veel activiteiten van science centers tot de wtc te rekenen. De Nederlandse overheid rekent science centers niet alleen expliciet tot wtc, maar lijkt zelfs geneigd de activiteiten van organisaties zoals Nemo als wtc bij uitstek te beschouwen.
De manier waarop science centers proberen hun publiek te bereiken verschilt ook niet zo veel van de manier waarop algemeen erkende wtc-organisaties zoals Naturalis en het Voedingsbureau werken. Ook in science centers benut je teksten, plaatjes, computers en dergelijke. Een bijzonder facet van de science centers is het gebruik van interactieve (...) hands-on: doorgaans computergekoppelde apparaten om jongeren iets te laten ervaren en leren door zelf te manipuleren. Wat gebeurt er met het vloeistofoppervlak als ik stof A aan het water toevoeg? Interactieve wtc wordt gezien als een belangrijke nieuwe ontwikkeling op dit terrein (zie ook hoofdstuk 7).
Het feit dat de science centers zich niet hebben aangesloten bij de internationale wtc-organisatie pcst (Public Communication about Science and Technology), maar een eigen vereniging: ecsite (European Collaborative for Science, Industry and technology) hebben opgericht, lijkt in dit verband niet erg relevant.
Dat zowel de overheid als de instellingen zelf voor de science centers een grote toekomst zien, blijkt wel uit het verschijnsel dat het niet alleen nieuwe instellingen zijn die zich science center noemen (zoals Nemo en Technopolis), maar dat ook sommige oudere musea (zoals Naturalis en het Utrechts universiteitsmuseum) hun organisatie hebben omgebouwd tot iets dat op een science center lijkt. Dat doen de laatstgenoemde vooral door de introductie van interactieve opstellingen en jeugdlabs. Een belangrijk verschil tussen de ene en de andere groep blijft dat science centers geen eigen collectie hebben en de wetenschapsmusea of science centers zoals Naturalis wel.
 

Overheidsbeleid. De overheid heeft zich lang afzijdig gehouden van wtc en dat is volgens Dalderup een reactie op de nazipropaganda uit de Tweede Wereldoorlog: als de overheid al een mening had, diende zij die in elk geval niet aan de samenleving op te dringen. Dat standpunt is in Den Haag intussen verlaten. De overheid is onder meer een subsidiërende en dus belangrijke actor geworden in wtc-land, vanwege het eerder genoemde economische belang van wtc. De nieuwe rol van de overheid in wtc-land werd duidelijk met de entree van de eerste minister voor wetenschapsbeleid: Trip. Hij gaf de wetenschapsvoorlichting een sterke stimulans en organisaties zoals de wetenschapswinkels, techniekclubs en volkssterrenwachten konden op zijn hartelijke en financiële steun rekenen. Om de wtc in Nederland te stimuleren werd op zijn aansporing de Dienst Wetenschapsvoorlichting bij de knaw ingesteld, die later uitgroeide tot de stichting pwt (Publieksvoorlichting over Wetenschap en Techniek), die na een fusie met de Wetenschapsweek werd omgebouwd tot de stichting WeTeN (Wetenschap en Techniek Nederland). Deze nationale organisatie moest het centrum worden van de wtc in Nederland, maar mede door mismanagement is dat helaas niet gelukt. In 2003 constateerde de commissie Esmeijer bij een evaluatie dat de stichting WeTeN er niet in was geslaagd een centrale plaats te verwerven in de Nederlandse wtc-wereld.
Met het opheffen van de stichting WeTeN lijkt de overheid zich weer enigszins terug te trekken uit wtc-land en in Vlaanderen zie je door het recent opheffen van Wecom iets vergelijkbaars gebeuren. Het weinige dat in Nederland van overheidswege nu nog wordt bijgedragen aan de wtc zijn incidentele acties (zoals publieke debatten) en financiële steun aan organisaties zoals het Platform Bèta Techniek, Nemo/de Wetenschapsweek en Kennislink. Ook de financiële steun aan Rathenau wordt door ocw als bijdrage aan de wtc beschouwd, maar het Rathenau Instituut zelf meent dat het zich niet met dit onderwerp bezighoudt.
 

Organisaties. Wie houden zich met wtc bezig en wie niet? nipo Consult deed in 1999 een onderzoek voor de stichting WeTeN om het wtc-landschap in kaart te brengen (Dat heette: Een inventarisatie van het aanbod van communicatie over wetenschap en techniek voor een breed publiek in Nederland) en kwam daarbij tot onderstaand overzicht. 

 Tabel 2            wtc instellingen in Nederland                                                                      
                                                                   Aantal              Percentage
Musea/ kastelen                                              404                  26
Belangrijke (?) musea                                      114                  7
Bibliotheken                                                    299                  19
Volkssterrenwachten e.d.                                74                    5
Universiteiten/ onderzoeksinstellingen               78                    5
Volksuniversiteiten                                          3                      0
Dierentuinen, hortussen e.d.                             25                    2
Bezoekerscentra nme e.d.                               54                    3
Techniekclubs                                                 117                  7
Science centers                                               12                    1
Media (kranten, tijdschriften, tv)                      192                  12
Archieven                                                       13                    1
Transferpunten                                                10                    1
Wetenschapswinkels                                       35                    2
Studia Generale                                               12                    1
Intermediaire organisaties zoals WeTeN          23                    2
Overige                                                           103                  6 
Bron: nipo Consult 1999 

De inventarisatie is uiteraard gedateerd: het aantal intermediaire organisaties is waarschijnlijk kleiner geworden, de transferpunten zijn grotendeels verdwenen en het aantal wetenschapswinkels is eveneens sterk gedaald. De keuze over wie wel en wie niet in het rapport werd opgenomen, is bovendien aanvechtbaar. De gevolgde werkwijze heeft geleid tot het meenemen van organisaties (zoals de grote groep bibliotheken), die niet door iedereen tot de wtc worden gerekend, terwijl de voedings- en gezondheidscommunicatie en de natuur- en milieueducatie geheel lijken te ontbreken. Aan de Universiteit Utrecht zijn beide domeinen expliciet onderdeel van de wtc. Ook het bedrijfsleven lijkt vergeten. De samenstellers van het nipo-rapport hebben daarvoor dus ongetwijfeld goede redenen gehad, maar het is moeilijk vol te houden om de wtc zoals die door het Voedingscentrum, het ivn en door Philips of tno wordt gepraktiseerd, uit te sluiten. Of zitten zij in de grote groep Overigen?
Er lijken veel wtc-organisaties te bestaan. Op diverse plaatsen wordt op zeer diverse manieren geprobeerd informatie over aspecten van wetenschap en techniek te populariseren. Het nipo-rapport zegt het als volgt: ‘Het wtc-landschap heeft een divers karakter, zowel wat betreft de aard van de spelers als de aard van hun activiteiten. Hierdoor is het niet eenvoudig om een eenduidig beeld van het veld te schetsen. Het aantal partijen dat op deze markt opereert is omvangrijk. Veel van de wtc-organisaties weten niet van elkaar wat de ander nastreeft en wat voor activiteiten zij ontplooien. De wtc-markt is, in de ogen van de spelers, versnipperd en ondoorzichtig.’
nipo Consult schat op basis van haar (omstreden) inventarisatie dat er ruim 1500 wtc-instellingen zijn en naast die instellingen zouden er nog 3300 wtc-personen actief zijn; 1100 daarvan noemt nipo autonoom, de rest is verbonden aan een instelling. Van Ruler komt tot hogere schattingen.
 

Paradigmashift. Op basis van de toch enigszins teleurstellende resultaten van de acties van de diverse wtc-organisaties hebben wtc-voormannen zoals Durant en Wynne in de jaren negentig het idee van een paradigma shift gelanceerd. De wtc zou in de toekomst niet langer alleen moeten leunen op de klassieke massamedia, maar ook gebruik moeten maken van de mogelijkheid van interpersoonlijke en andere vormen van interactieve wtc. Dat zou vooral het vertrouwen in wetenschap en techniek kunnen vergroten.
Nieuwe mogelijkheden en werkwijzen hebben nogal eens de neiging om het bestaande te verdringen: zoals de televisie de radio op diverse terreinen heeft overstemd en zoals internet dat zou kunnen doen met de kranten. Bijna iedereen is immers graag bij de tijd. Dat zou ook kunnen gebeuren in de wtc waar de moderne interactieve wtc zich zou kunnen ontwikkelen ten koste van de klassieke massamediale. Maar als het al mogelijk zou zijn om de massamediale wtc (zoals de wetenschapsjournalistiek) terug te dringen, zou dat toch in elk geval zeer onwenselijk zijn. Met het badwater zou ook het kind worden weggegooid. Wetenschapscommunicatie via dagbladen, tijdschriften en tv is van groot belang omdat het doorgaans goed wordt gedaan, veel mensen erop vertrouwen en het bereik van bijvoorbeeld tv (nog) niet te evenaren is.
[27] We hebben massamedia nodig vanwege hun ervaring en verworven status, die er onder meer toe heeft geleid dat veel mensen[28] televisie noemen als meest gewenste medium voor wtc.


De nieuwe wegen in de wtc – zoals in de interactieve communicatie in science centers en via internetcommunities – dienen te worden gestimuleerd, maar moeten kunnen floreren naast de massamediale wtc. Logan3 3 formuleerde dat als volgt: ‘While the interactive and the scientific literacy tradition are different, they are not mutually exclusive. Although the interactive tradition responds to conceptual binds within the scientific literacy model, the intent of the interactive tradition is to underline – rather than replace – the traditional view of the science communication process. The interactive tradition does not quarrel with the idea that citizens should be better informed about science, nor does it overlook the important roles scientists, journalists, public information officers, public interest groups corporations, governmental and nongovernmental agencies and other professionals play in providing high quality science information to the public.’
In hoofdstuk 8 proberen Lucien Hanssen en anderen dat zogenaamde tweesporenbeleid vorm te geven. In 2003 schreef hij daarover: ‘In het communicatieonderzoek rondom wetenschapsvoorlichting zijn twee theoretische (hoofd-) richtingen te onderscheiden: de klassieke en de alternatieve opvatting. De eerste visie kan worden omschreven als het klassieke model. In de klassieke opvatting wordt kennis gezien als een product van verifieerbaar wetenschappelijk onderzoek die zijn weg vindt van wetenschappers via media of andere intermediairs naar het publiek. Naast de klassieke visie is er het alternatieve model van wetenschapsvoorlichting. Binnen deze opvatting wordt kennis gezien als minder vaststaand of zeker: kennis als sociale constructie. Kennis vloeit ook niet vanzelfsprekend van experts via media naar leken. De alternatieve opvatting kiest voor een culturele benadering in het omgaan met kennis. Kennis krijgt vorm en betekenis in een sociale omgeving. Beide visies sluiten elkaar niet uit, ze zijn in zekere zin aanvullend. Ze kunnen ieder afzonderlijk en gezamenlijk waardevolle inzichten leveren voor de wetenschapsvoorlichting.’ 

Logan3 3 formuleerde dat als volgt: ‘While the interactive and the scientific literacy tradition are different, they are not mutually exclusive. Although the interactive tradition responds to conceptual binds within the scientific literacy model, the intent of the interactive tradition is to underline – rather than replace – the traditional view of the science communication process. The interactive tradition does not quarrel with the idea that citizens should be better informed about science, nor does it overlook the important roles scientists, journalists, public information officers, public interest groups corporations, governmental and nongovernmental agencies and other professionals play in providing high quality science information to the public.’
In hoofdstuk 8 proberen Lucien Hanssen en anderen dat zogenaamde tweesporenbeleid vorm te geven. In 2003 schreef hij daarover: ‘In het communicatieonderzoek rondom wetenschapsvoorlichting zijn twee theoretische (hoofd-) richtingen te onderscheiden: de klassieke en de alternatieve opvatting. De eerste visie kan worden omschreven als het klassieke model. In de klassieke opvatting wordt kennis gezien als een product van verifieerbaar wetenschappelijk onderzoek die zijn weg vindt van wetenschappers via media of andere intermediairs naar het publiek. Naast de klassieke visie is er het alternatieve model van wetenschapsvoorlichting. Binnen deze opvatting wordt kennis gezien als minder vaststaand of zeker: kennis als sociale constructie. Kennis vloeit ook niet vanzelfsprekend van experts via media naar leken. De alternatieve opvatting kiest voor een culturele benadering in het omgaan met kennis. Kennis krijgt vorm en betekenis in een sociale omgeving. Beide visies sluiten elkaar niet uit, ze zijn in zekere zin aanvullend. Ze kunnen ieder afzonderlijk en gezamenlijk waardevolle inzichten leveren voor de wetenschapsvoorlichting.’ 

Techniekcommunicatie.Zoals eerder gezegd: de wtc is sterk (bèta)wetenschapsgericht en heeft relatief weinig aandacht voor techniek. Zeker: in tijdschriften zoals Natuurwetenschap & Techniek en in de wetenschapskaternen van dagbladen komen technologie en techniek ook aan bod en in Science centers zijn die soms zelfs zeer aanwezig, maar wanneer je het wtc-landschap in zijn geheel probeert te overzien, vind je toch vooral bètawetenschap en relatief weinig techniek en technologie. En de bestaande aandacht voor technologie (bijvoorbeeld de biotechnologie en de geneeskunde) ligt vaak op het grensgebied van wetenschap en techniek en is daardoor zelden puur.
De beide wetenschappelijke tijdschriften voor wtc heten Public Understandig of Science (pus) en Science Communication; Technology en Technics worden in de titels niet genoemd en zijn er ook zelden in te vinden. In de pcst zit Technology wel in de naam, maar op de gelijknamige congressen wordt het onderwerp doorgaans stiefmoederlijk behandeld. Maar met de opkomst van het economische motief voor wtc lijkt ook de aandacht voor technologie en techniek gegroeid. Diverse recente overheidsinitiatieven (zoals de oprichting van Nemo en van het platform Bètatechniek) zijn dan ook vooral op techniekcommunicatie en vooral op de promotie van technologie en techniek gericht. In hoofdstuk 9 staat Michael Steehouder stil bij de opkomst van de techniekcommunicatie, die aanvankelijk vooral gestalte kreeg in de vorm van zogenaamd technisch schrijven ten behoeve van handleidingen en gebruiksaanwijzingen.
In hoofdstuk 10 beschrijven Maarten van der Sanden en Caroline Wehrmann een instrument om theorie en praktijk van communicatie over techniek dichter bij elkaar te brengen.
En er is nog een ander grensgebied: de medische wtc. Dat zou iets anders zijn dan patiëntenvoorlichting en gezondheidscommunicatie (gvo), maar het blijft moeilijk om de grenzen scherp aan te geven. Meijman[29] formuleerde deze diversiteit in zijn oratie als volgt: ‘De patient zoekt zekerheid, het publiek amusement, het beleid eenduidige conclusies, de beroepsgroep helderheid en de wetenschapper bekendheid en ook rust.’ Wat zijn de verschillen en overeenkomsten tussen wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) enerzijds en medische publiekscommunicatie anderzijds? In hoofdstuk 11 gaan Maarten van der Sanden en Frans Meijman in op hetgeen beide communicatiedomeinen bindt: systeemtheorie. Hoe ontstaat dynamiek? En wat is de kracht van chaos? Ze komen onder meer tot de slotsom dat het moeilijk is om de diverse terreinen van elkaar te onderscheiden: wat het ene moment patiëntenvoorlichting is, kan een volgend ogenblik wetenschapsvoorlichting zijn. Dit is op zich geen probleem, maar communicatie op verschillende niveau’s en op verschillende tijden maakt het proces niet eenvoudig.  

Nog meer wtc? Binnen de wtc groeit het inzicht dat de communicatie tussen onderzoekers onderling en tussen onderzoekers en relevante professionals ook een aandachtsgebied van wtc zou moeten zijn. De communicatie tussen enerzijds wetenschappers/experts en anderzijds beroepsgroepen zoals leraren, artsen, voorlichters, technici en andere praktijkmensen, zou je dus tot het wtc-domein kunnen rekenen. Zijn zij dan geen algemeen publiek? Ja en nee. Evenals het grote publiek staan de professionele gebruikers van innovaties vaak ver af van de bronnen van kennis; universiteiten en onderzoeksinstellingen hebben zelden hechte banden met beroepsgroepen buiten de wetenschap. Maar de voorkennis, interesse en relevante ervaring van deze beroepsgroepen is echter vaak groter dan die van het algemene publiek en hun belang bij een goede communicatie met onderzoekers gaat meestal verder dan nieuwsgierigheid. In adoptiecurve zou je hen terugvinden in categorie 2: early adopters. Kortom, de professionals lijken een categorie die speciale aandacht verdient.
Omdat professionals grote belangen kunnen hebben bij een goede communicatie met wetenschappelijke onderzoekers (denk aan de communicatie tussen wetenschappelijke onderzoekers aan universiteiten of tno enerzijds en artsen anderzijds) besteden we aan het slot van dit boek ook aandacht aan deze specifieke vorm van wtc. In hoofdstuk 12 proberen Peter Groenewegen en anderen dit wtc-domein te positioneren
 

Doelgroepen. De wtc richt zich op diverse doelgroepen, maar vanouds is het sterk gericht op het grote of algemene publiek, op de samenleving of in elk geval op grote groepen daaruit. De wtc richt zich tot groepen buiten het domein van wetenschap en techniek. In de doelstellingen van veel wtc-instellingen noem je het grote of brede publiek (of publieksgroepen zoals de jeugd) doorgaans ook als enige of in elk geval belangrijkste doelgroep en op de grote congressen van de pcst is het eveneens publiekscommunicatie wat de klok slaat. In de ocw-nota Boeiend, Betrouwbaar en Belangrijk15:15 staat het belang van het grote publiek als doelgroep als volgt omschreven: ‘In de wereldwijde kenniseconomie is een brede vertrouwdheid van de bevolking met nieuwe ontwikkelingen op het terrein van wetenschap en techniek een basisvoorwaarde voor economische groei en maatschappelijke ontwikkeling. Het hoofddoel van het overheidsbeleid voor wetenschaps- en techniekcommunicatie is dan ook het krachtig stimuleren van de belangstelling en het enthousiasme voor en de kennis van wetenschap en technologie onder de verschillende doelgroepen van de bevolking en het stimuleren van de kritisch maatschappelijke discussie hierover door een breed publiek.’
In de doelstellingen van het Platform Bèta-Techniek staat: ‘Belangrijkste doel is de missie en aanpak van het Platform bij onder andere het publiek helder en gewaardeerd over het voetlicht te brengen. De communicatie van het Platform Bèta-Techniek is georganiseerd langs drie niveaus. Een daarvan is de wetenschaps- en techniekcommunicatie en educatie: communicatie die zich richt op keuzeprocessen van jongeren.’ In hoofdstuk 13 proberen Barbara Regeer en ik greep te krijgen op deze doorgaans verwaarloosde groep in de wtc. Cees van Woerkum en Hedwig te Molder verdiepen die aandacht voor het publiek in hoofdstuk 14 met een beschouwing over de wijze waarop dit publiek in het alledaagse taalgebruik wetenschappelijke informatie benut.
In dit boek hebben we geprobeerd de professie wtc te onderbouwen vanuit het wetenschapsdomein wtc, hoewel dat nog nauwelijks vorm heeft gekregen. Zoals we al eerder zagen leunt de wetenschapscommunicatie op diverse en soms zeer verschillende wetenschappelijke disciplines: vaak op de communicatiewetenschap en soms ook op de vroegere voorlichtingskunde, op de pedagogiek en de onderwijskunde, de psychologie en politicologie, op diverse domeinen van de wetenschapsstudies (science and technology studies) en op de informatiekunde. In hoofdstuk 15 probeer ik een plaats te vinden voor het vakgebied wetenschapscommunicatie in het wetenschappelijke spectrum. Elroy Cocheret de la Morinière bespreekt ten slotte de tekortkomingen van het wtc-beleid. Hij betoogt, mede kijkend naar de (benodigde) ontwikkelingen in de praktijk, dat een gezamenlijke stem van het gehele wtc-landschap gewenst is. Hij werkt het idee voor een overkoepelende raad uit, met daarin vertegenwoordigers van alle partijen in de wtc. 



[1] Wynne, B. (1992).
[2] Willems & Woudstra (1993).
[3] Logan, R. (2001).
[4] Willems, J. (1991).
[5] Hagen, P. (1991).
[6] Donkers, H & J. Willems. (1999).
[7] Willems, J. (1976).
[8] Woerkum, C. van (1991).
[9] Bossche v.d. S & J de Greve (2000).
[10] Woerkum, C van & A van der Auweraert. (2004).
[11] Bauer, R. (1964).
[12] Stappers, J. et al.
[13] Durant, J. (1991).
[14] Willems, J (2002).
[15] OCW, EZ en LNV (2000).
[16] Grote, C von & M. Dierkes (2000). Trust (ed C von Grote & M Dierkes) Amsterdam: Harwood.
[17] knaw (1977).
[18] Platform Beta-Techniek (2006).
[19] Hanssen, L. et al. (2003).
[20] Gerbner, G (1979).
[21] Einsiedel, E. & B. Thorne (1999).
[22] Ruler, B. Van (2004).
[23] Nelkin, D. (1987).
[24] Wiedenhof, N. (1978).
[25] Dalderup, L. (2000).
[26] Wiedenhof, N. (1995).
[27] Willems, J. (2006).
[28] Eurobarometer 55.2 (2001).
[29] Meijman, F. (2000). 

een nieuwe kenniskloof

  Internet als groeiend risico voorde wetenschapscommunicatie 

De klassieke kenniskloof tussen groepen mensen met verschillende opleiding wordt steeds meer wordt gedicht. Dat hangt samen met de opkomst van nieuwe media, met name internet. In plaats van deze oude kenniskloof dreigt echter een nieuwe te ontstaan: tussen verschillende soorten kennis. Ook dankzij internet. 

De Amerikanen Tichenor c.s. lanceerden in 1970 de hypothese dat, als men informatie over bijvoorbeeld wetenschap, techniek of politiek verspreidt via massamedia, mensen met een hogere sociaal economische status (SES), daarvan meer profijt hebben dan mensen met een lagere SES. Daardoor neemt het verschil in kennis tussen beide groepen toe (Tichenor e.a., 1970). De auteurs leken daarmee aan te tonen dat het verspreiden van (moeilijke) informatie via de pers de ongelijkheid in samenleving vergroot. Dag- en weekbladen zouden de kenniskloof tussen groepen mensen in de maatschappij verbreden door onder meer het verschil in gebruik van de gedrukte media tussen die groepen. De auteurs lanceerden hun idee als hypothese en er is veel discussie geweest over de houdbaarheid daarvan. Rogers cs hebben de ideeën van Tichenor c.s. gerelativeerd in hun diffusie-onderzoek. (Rogers, 1962 en 2003) Maar het idee van een kenniskloof leek zo sterk, dat deze hypothese een eigen leven ging leiden; ze was niet meer weg te denken uit de discussies binnen en rond communicatiewetenschap.

De commotie rond de kenniskloofhypothese hangt waarschijnlijk samen met de veronderstelling dat zo’n kloof ernstige gevolgen kan hebben voor de samenleving. Als de verschillen in kennis over maatschappelijk relevante zaken groter worden, zullen steeds meer mensen immers worden buitengesloten bij het nemen van beslissingen op belangrijke terreinen, bijvoorbeeld rond genomics of in het klimaatdebat. Dat was niet de bedoeling. Populariseren van wetenschap en technologie motiveren of moeten we nu zeggen: motiveerden, we juist o.m. door de democratiserende kracht ervan.Vertaald naar de wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) betekent de hypothese van Tichenor c.s. ook dat populariseren van wetenschap de verschillen tussen mensen in science literacy vergroot. En ook dat is niet de bedoeling. We willen immers juist zoveel mogelijk mensen betrekken bij de ontwikkeling en inpassing van innovaties. Stappers meende dat men dat risico overdrijft. Hij sprak gekscherend over de mythen van de informatiekloven (Stappers, 1993). Niet iedereen hoeft volgens hem van alles te weten. Hij illustreerde dit met het voorbeeld van het beheersen van de Italiaanse taal. Het is volgens hem niet nodig dat iedereen Italiaans spreekt. Zo’n kenniskloof zou zelfs wenselijk zijn, of tenminste onvermijdelijk.We menen dat hij zijn publiek daarmee op het verkeerde been zette. Het is inderdaad doorgaans geen probleem als je geen Italiaans spreekt, maar zo’n kloof kan wel ernstig zijn als ze ontstaat op het terrein van bijvoorbeeld de behandeling van aids of ten aanzien van de stralingsrisico’s van gsm’s of over de islam d.w.z. op het terrein van maatschappelijk relevante vraagstukken. Onkunde kan dan gemakkelijk valse hoop of onterechte vrees oproepen. 

De soep wordt natuurlijk niet zo heet gegeten als ze wordt opgediend. De kenniskloofhypothese van Tichenor cs was gebaseerd op onderzoek naar dag- en weekbladen. Maar wanneer je de effecten van TV-kijken onderzoekt, ontstaat al een ander beeld: moeilijke informatie zoals DNA-onderzoek blijkt dan ook mensen met minder scholing te bereiken, bijvoorbeeld via het populaire programma CSI. Tichenor en ook anderen noemen TV daarom een knowledge leveler.  Beter opgeleiden hebben via dag- en weekbladen hun kennis opgevijzeld; lager opgeleiden lopen hun kennisachterstand in doordat zij meer TV kijken. De verschillen worden daardoor min of meer genivelleerd. Je kunt in dit kader ook spreken van een ceiling-effect: de hoger opgeleiden zitten op een terrein zoals DNA-onderzoek al aan hun kennisplafond. Lager opgeleiden kunnen daardoor hun achterstand inlopen. Wij denken dat er meer aan de hand is. De kenniskloof verdwijnt niet alleen doordat TV-kijkers met minder opleiding, hun feitenkennis bijspijkeren. Door de opkomst van TV wordt het verschijnsel wetenschap gepopulariseerd. Wetenschap wordt gewoon; wetenschap en techniek worden gemeengoed. De ivoren toren zakt in elkaar.Voor veel mensen was wetenschap iets op nauwelijks of onbereikbare hoogte. Doordat wetenschap en techniek alledaags worden, zijn steeds meer mensen in staat die kennis te begrijpen en te incorporeren in hun dagelijkse leven. Aansprekende voorbeelden daarvan vind je in de voedingsinformatie en de ict. Hamelink (1999) introduceerde in dit verband de term informatiekapitaal. Het gaat volgens hem niet alleen om feitenkennis, maar ook om het vermogen om daarmee om te gaan. In het voetspoor van de economische nivellering wordt ook dit vermogen eerlijker verdeeld. Meer mensen leren steeds beter om meer (wetenschappelijke en technologische) kennis te benutten. 

Maar hoe kun je TV als bron van kennis beschouwen? Er zijn in Nederland nauwelijks wetenschapsprogramma’s en ook in de rest van Europa zijn ze zeldzaam. Het gaat bij deze verspreidingsprocessen niet op de eerste plaats om programma’s over wetenschap en techniek. Op TV vind je wetenschap en techniek in allerlei omgevingen. Kijk naar Sesamstraat, naar Teleac, het Journaal, naar het pretprogramma Hoezo!, naar actualiteitenrubrieken, quizzen, OU programma’s en de ziekenhuisseries zoals ER.Ook ziekenhuisseries? Ja, we hanteren een brede definitie voor wtc. Die vindt u ook in het Basisboek wetenschapscommunicatie. (Willems, 2007) Het gaat bij deze definitie van wtc niet alleen om de resultaten van academisch onderzoek, maar om het populariseren van kennis in het algemeen. Ook gezondheidscommunicatie, milieueducatie en dergelijke rekenen we daarom tot de wtc omdat ook daarbij academische kennis wordt gepopulariseerd. 

Als de kenniskloof minder diep of minder breed is geworden door de opkomst van TV, dan moet de opkomst van digitale media zoals internet tot verdere opvulling c.q. versmalling van de kenniskloof leiden. Dankzij internet is informatie immers nog gemakkelijker toegankelijk geworden. Via Google en Wikipedia is alles, altijd beschikbaar. Dat betekent onder meer dat het algemene publiek nog gemakkelijker toegang heeft tot informatie over bijvoorbeeld klimaat, genomics, overgewicht en kernenergie. Van Dijk schrijft in het Jaarboek ICT & Samenleving dat internet waarschijnlijk een veel groter gewicht in de communicatieschaal legt dan enig ander medium daarvoor heeft kunnen doen (van Dijk, 2007; Steyaert & de Haan, 2007). Een en ander betekent dat digitale media zoals internet door hun lage drempel en brede bereik, veelbelovend kunnen zijn voor de wetenschaps- en techniekcommunicatie. Misschien worden ze in de toekomst zelfs gezichtsbepalend.  

Gebruik internet Om de nieuwe mogelijkheden van internet voor de wtc te verkennen moeten we even stil staan bij het gebruik van internet. Wat doen mensen op het web? Zoeken zij wel naar informatie, bijvoorbeeld over wetenschap en techniek? Of spelen ze vooral spelletjes? Of is e-mail of telebankieren de belangrijkste ict activiteit? Daarover is recent onderzoek gedaan door het CBS. Dat is samengevat in het al eerder genoemde jaarboek ICT & Samenleving (Steyaert, J en J de Haan, 2007). We hebben enige cijfers eruit gelicht. 

Internetgebruik (een selectie)Spreiding over drie opleidingsniveaus Wat doen mensen op internet?                           Hoog opgeleid                        midden                        laag opgeleid 

Informatie vergaren               96%                            92                    82
Spelletjes spelen                     39                               48                    61
mailen/chatten                       24                               38                    55 
bron: ICT & Samenleving 

 Volgens eerder onderzoek zou men het internet vooral benutten voor communicatie: mailen en gamen. Maar volgens het recente CBS ondersoek gebruiken veel mensen internet vooral om informatie te zoeken. Het gaat hen dus net op de eerste plaats om de communicatie, maar om de zgn. content. Dat zal niet altijd wetenschap of techniek zijn (maar bijvoorbeeld ook vertrektijden van de trein of telebankieren), maar het eerder genoemde jaarboek laat ook zien, dat veel gebruikers niet terugschrikken voor steviger kost. Op Google wordt veel naar serieuze informatie gezocht; Wikipedia biedt niet veel anders. En wat voor het algemene publiek lijkt te gelden, geldt ook voor journalisten. Recent Nijmeegs onderzoek laat zien dat zij in toenemende mate internet benutten voor het zoeken naar informatie: bijna de helft doet dat dagelijks, slechts vijf procent doet dat nooit. Volgens het Nijmeegs onderzoeksrapport is internet ‘een niet meer weg te denken hulpmiddel voor de hedendaagse nieuwsproductie’ (Pleijter, 2007). 

Als internet een hoofdrol gaat spelen in de wtc, biedt dat ook mogelijkheden de oude wtc-idealen opnieuw voor het voetlicht te halen. Wetenschaps- en techniekcommunicatie lijkt verworden tot een louter marketing instrument. Men benut het steeds vaker alleen om fondsen te werven, studenten te trekken en voor andere economische doelen. Kijk naar het programma van het Deltaplan Beta-techniek, naar de doelstellingen van het science center Nemo. Economische valorisatie lijkt het enige of tenminste, het belangrijkste bestaansrecht (geworden). Democratische en culturele motieven zijn naar de marge verbannen. Dat vinden we een achteruitgang, een verschraling van de doelstellingen. Wetenschap is meer dan economisch nuttig. Het is een deel van onze cultuur.We verwachten bovendien dat via internetsites zoals Kennislink de eigen interesse van mensen een nieuwe kans krijgt. Je zoekt idealiter iets op internet omdat jij dat wilt weten, niet omdat een voorlichter vindt dat je het zou moeten weten omdat er bijvoorbeeld meer interesse moet ontstaan van bèta en techniek. 

Nieuwe kenniskloof Een hoofdrol voor internet in de wtc is echter niet zonder risico’s: er staat namelijk zeer veel onbetrouwbare informatie op het net. Als mensen informatie van internet gaan halen, wat vinden ze er dan? Als ze meer willen weten over bijvoorbeeld de klimaatverandering of over de relatie leefwijze en overgewicht of over HIV. Wat biedt het internet dan?We hebben de sterke indruk dat er op het internet erg veel semikennis en regelrechte onzin staat. Of het nu over klimaatverandering gaat of over het ontstaan van obesitas of over de beste behandeling van een erfelijke aandoening. Je vindt op internet de meest vreemde theorieën, adviezen, verklaringen en waarnemingen. Ook kwakzalvers en dubieuze reclamemakers kennen de weg op internet. Hamelink gaf zijn VU-oratie over internet de titel: de leugen regeert. Internet leent zich volgens hem uitstekend voor frauduleuze informatie. Vooral op het gebied van gezondheid is er volgens hem vaak sprake van bedrog. Mensen doen zich voor als deskundigen terwijl ze dat niet zijn. Op internet wemelt het van de kwakzalvers, die namaakmedicijnen en gevaarlijke diëten voorschrijven (Hamelink, 2002). Dat kan volgens hem bijzonder vervelende gevolgen hebben want veel mensen zien het internet als een soort medische bibliotheek, waarin men betrouwbare informatie vindt. 

Willems heeft een groot aantal sites en blogs bekeken over klimaatverandering. Uit die verkenning is de indruk ontstaan dat er ook over klimaat erg veel ongefundeerde informatie op het internet staat. Doordat de toegang doorgaans vrij is, kan iedereen alles verspreiden, ook onzinnige verklaringen en andere niet-geverifieerde informatie over bijvoorbeeld het gat in de ozonlaag, de rol van CO2 in de opwarming van de aarde, het nut van energiebesparing. Doordat er veel meer niet-deskundigen op internet actief zijn dan deskundigen, zal de toename van onbetrouwbare informatie ook veel groter zijn, dan die van betrouwbare informatie.  

 Kwalitatief onderzoek naar de betrouwbaarheid van ’klimaat sites’ 
Kwaliteit sites:                                              Betrouwbaar  onbetrouwbaar     onzin           
Oorzaken en gevolgen klimaatverandering              +               +++         ++     
Idem van het gat in de ozonlaag                               ++            ++            +
Idem van de zeespiegelstijging                                  +               +++         ++
Idem van de rol van CO2                                          +               ++            ++
Idem van de Veranderingen in gletsjers                   +               +++          + 

Omdat de hoeveelheid onbetrouwbare kennis op internet sneller groeit dan de hoeveelheid betrouwbare, neemt de kloof tussen beide soorten kennis snel toe. De onbetrouwbare kennis overspoelt de rest; betrouwbare informatie verdrinkt in de onzin, reclame en ongeverifieerde ideeën.Kortom: er ontstaat een snel breder wordende kenniskloof, tussen twee soorten kennis: gefundeerde en ongefundeerde kennis, betrouwbare en onbetrouwbare informatie.   De toenemende onbetrouwbaarheid van internet komt ook naar boven in het eerder genoemde Nijmeegse onderzoek. Ruim een derde van de journalisten noemt de informatie van internet onbetrouwbaar; in 2002 was dat nog geen 20 procent. De groeiende onbetrouwbaarheid van kennis op internet is ernstig omdat het zeer schadelijke gevolgen kan hebben, met name als het om maatschappelijk relevante informatie gaat. Herinnert u zich de uitspraken van de Zuidafrikaanse president Mbeki over aids? Hij betoogde dat HIV niet de oorzaak kon zijn. Hij had dat gelezen op internet. Mbeki heeft daarmee ongetwijfeld de verspreiding van aids in Zuid Afrika in de hand gewerkt (van Strien, 2007).Onjuiste informatie kan ook valse hoop bieden, bijvoorbeeld op nieuwe kankertherapieën (de affaire Buck); het kan riskante zelfmedicatie bevorderen (de interferon affaire), het kan onredelijke verwachtingen oproepen ten aanzien van het probleemoplossende vermogen van de techniek, enzovoort. Onjuiste informatie kan onterechte vrees creëren, bijvoorbeeld voor de straling door gsm-masten, voor additieven in voedingsmiddelen, voor de islam. 

Betrouwbaarheid Wanneer is informatie betrouwbaar? Wanneer is kennis juist? Het lijkt zinvol om informatie over wetenschap en techniek te onderscheiden in vier categorieën

- Wetenschappelijke informatie (bijv op site van Kennislink, het Erfocentrum of het Voedingscentrum)

- Onderling gecontroleerde ervaringsinformatie (zoals op de sites van zgn. gezondheidscommunities zoals HIVnet)

- Onvoldoende gecontroleerde informatie/ halve waarheden (zoals soms bij Greenpeace)

- onzin. 

We beschouwen informatie dus als betrouwbaar als zij volgens academische normen is verkregen of door onderling gecontroleerde ervaring van relevante leken/patiënten is verworven. Bij wetenschappelijke informatie wordt de juistheid min of meer gewaarborgd door de zgn. peerreview. Bij de ervaringskennis die je op internet communities van o.a. patiëntenverenigingen tegenkomt, lijkt het zelfreinigende vermogen door onderlinge controle voldoende om de kwaliteit van de informatie te garanderen. Informatie over bijvoorbeeld bijverschijnselen van een behandeling wordt er gecombineerd met communicatie daarover. Sites zoals HIV-net en Hypomaarniethappy zijn daarvan fraaie voorbeelden (de Bruin en Ventevogel, 2007).Dat betekent dat wij niet alleen de pure onzin van kwakzalvers en sommige reclamemakers als onbetrouwbaar karakteriseren maar ook de categorie halve waarheden (zoals bijvoorbeeld in het klimaatdebat soms aan de orde komen) als zodanig typeren. 

Bescherming? Er is dus een probleem. Als internet zo belangrijk kan worden voor de wtc als menigeen denkt, en als er zo veel onbetrouwbare kennis via internet wordt verspreid als wij veronderstellen, dan loop de wtc een fors risico met dit nieuwe medium: misinformatie en de daaruit voortkomende valse hoop en onterechte vrees.Hoe kun je dat risico verkleinen? We zien (tenminste) vier mogelijkheden

:-een keurmerk voor betrouwbare informatie

- selectie van het aanbod dwz een redactie zoals in sommige internetcommunities;

- begeleiding bij het zoeken naar informatie.

-Een vooral: meer wetenschappers op internet; 

We zullen deze mogelijkheden kort de revue laten passeren.Over het nut van een keurmerk voor betrouwbare informatie lopen de meningen sterk uiteen. Je hebt believers en non-believers. Keurmerken zoals QMIC voor medische websites zouden volgens de een, mensen beschermen tegen non-informatie (Vedder, 2006). Maar volgens anderen hebben alle pogingen om via een keurmerk de kwaliteit te bewaken, tot nu toe niet gewerkt (de Bruin en Ventevogel, 2007). Providers moeten dan meewerken en dat lijkt een probleem. We laten die discussie hier met rust. 

Het risico van de verspreiding van onjuiste informatie kun je waarschijnlijk wel goed beperken door de vrije toegang te bewaken, bijvoorbeeld door het instellen van een redactie of moderator.Het Amerikaanse edu-net wordt al op deze manier beschermd tegen mensen met wilde informatie en ook Wikipedia probeert dat. Als (ervarings-)deskundigen aangeboden informatie systematisch controleren, is het mogelijk om onbetrouwbare informatie min of meer te weren. Redacteuren doen idealiter niet anders. En ook internet-communities kunnen als filter fungeren. Volgens het onderzoek van De Bruin & Ventevogel treedt er in die communities een zekere controle op door de leden van de community: de lotgenoten Ongefundeerde informatie wordt vaak door de medepatiënten of lotgenoten gecorrigeerd. Als dan niet of onvoldoende gebeurt, degradeert zo’n community doorgaans en sterft dan af (De Bruin & Ventevogel, 2007). 

Het risico van misleiding kun je (daarnaast) ook beperken door mensen te begeleiden bij het zoeken op internet. Door mensen te helpen op hun zwerftocht over het web kun je het risico inperken dat zij onjuiste, onbetrouwbare informatie als betrouwbaar aannemen en bijvoorbeeld meenemen naar hun huisarts of medisch specialist. Dat gebeurt in het onderwijs. Bos (VU, Amsterdam) onderzocht in zijn promotie-onderzoek op welke manier je vwo-leerlingen kunt coachen bij hun zoektochten nop het web, in zijn geval bij het zoeken naar informatie over ecogenomics. Dat lijkt kansrijk. Het coachen van informatiezoekers kan een nieuwe functie worden van de wetenschapscommunicatie. Hoorn (2007) heeft daarover tijdens het congres Sharing Knowledge 2007 een idee gelanceerd.

Een vierde mogelijkheid om de risico’s van een nieuwe kenniskloof in te dammen, is dat wetenschappers worden gestimuleerd om zèlf meer het internet op te gaan. Als zij meer informatie op internet zetten, groeit de hoeveelheid geverifieerde informatie immers sneller dan nu het geval is en daardoor versmalt de kenniskloof. Dit gebeurt al op het zgn. Darenet, een open access database, waarop onderzoekers hun publicaties kunnen achterlaten. Maar die informatie is niet gepopulariseerd en daardoor slecht toegankelijk. Populariseren van wetenschap en techniek gebeurt ook al. Op Wikipedia, op de site van Alpha Galileo, Kennislink en op vergelijkbare sites. Dat gebeurt nog te weinig.Wanneer je meer wetenschappers wilt overhalen om te populariseren op internet, dan vraagt dat ook om het vergroten van hun communicatievaardigheden. Veel onderzoekers kunnen niet communiceren met leken of kunnen dat niet meer. Ze moeten diverse communicatiebarrières overwinnen in hun contact met de rest van de samenleving en daartoe moeten ze onder meer opnieuw leren communiceren (Willems, 2003). Wetenschappers beter trainen in communicatie is in het universitair onderwijs niets nieuws. Nederland kent sinds het zgn. bètaconvenant een Communicatie/ Educatie onderwijsprogramma voor bèta’s. Aan de zes algemene universiteiten en de drie TU’s bestaan min of meer stevige CE-programma’s voor wetenschapscommunicatie en –educatie.

Maar trainen alleen lijkt niet voldoende. Wetenschappers moeten ook de kans krijgen om zelf te populariseren op internet. Het is in ons land nog niet vanzelfsprekend dat zij dat doen, zoals in de UK en de VS. Naast vaardigheid is dus ook mentaliteitsomslag nodig, met name bij superieuren. Populariseren van wetenschap wordt namelijk doorgaans niet gewaardeerd door hoogleraren, afdelingshoofden en andere leidinggevenden. Colleges van Bestuur van universiteiten bepleiten het publiek maken van wetenschap weliswaar regelmatig; de meeste universiteitsbestuurders bepleiten dus naast de populaire economische valorisatie ook de zgn. maatschappelijke. Maar de subtop handelt er niet naar. Nog steeds worden onderzoekers berispt door bijvoorbeeld hun hoogleraar, omdat ze (te) veel tijd hebben gestoken in het schrijven van bijvoorbeeld een populairwetenschappelijk artikel of voor het deelnamen aan een Open Dag. Daartoe zijn zij niet aangesteld, zegt men dan, dat levert geen geld en geen publicaties op. Kortom, internet biedt nieuwe kansen aan de wtc, maar vergroot ook het risico van valse hoop en onterechte vrees. Dat risico wordt vergroot door het ontstaan van een nieuwe kenniskloof d.w.z. door de groeiende hoeveelheid onzin op het internet die de betrouwbare kennis dreigt onder te sneeuwen. Er zijn diverse manieren om daartegen iets te doen, onder meer het stimuleren van onderzoekers om zelf meer op internet te populariseren. De universiteiten kunnen daarbij een toonaangevende rol spelen, onder meer door betere scholing. Maar dat zal waarschijnlijk niet spontaan gebeuren. Daartoe ontbreekt in Nederland de traditie. Daarvoor is regie nodig. Wie neemt die handschoen op? OCW houdt zich stil als het om wtc beleid gaat. Ook NWO en de KNAW schijnen geen regie te willen voeren op dit terrein. Dan moeten de universiteiten het zelf doen. Economisch niet interessant? De financiële ruimte is er. De vorige OCW-minister zei ooit dat vijf procent van het universitaire budget aan wetenschapscommunicatie besteed zou moeten worden. Misschien moeten we dat idee weer eens oprakelen.  

Bonfadelli, H. (2002).  The internet and the knowledge Gaps.Journ Journal of Communication 17-1: 65-84.

De Bruin, J. en A.Ventevogel  (2007).  Patiëntencommunities op het web. Amsterdam: VU University Press.

Dijk,  J. van (2005). The Deepening Devide. Inequality in the Information Society. Londen: Sage

Garrison, B. (2003). How newspaper reporters use the web to gather news. Newspaper Research Journal 24-3: 62-75.

Hamelink, C. (1999). Digitaal fatsoen. Amsterdam: Boom.

Idem (2002). De leugen regeert. Over leugen en bedrog in de informatiesamenleving (oratie). Amsterdam: VU Uitgeverij.

Metzer, M c.s. (2003). College student web use, perceptions of information credibility and verification. Computers & Education 41: 271-290.

Pleijter, A. c.s. (2007).De opmars van online nieuwsgaring. Nijmegen: Radboud Universiteit.

Rogers, E. c.s. (1962 en 2003).Diffusion of innovations.  New York: Free Press.

Stappers, J. (1993). De mythen van communicatie.In: handboek wetenschaps- en technologievoorlichting(ed. Willems, J. en E. Woudstra)Groningen: Martinus Nijhoff.

Steyaert, J en J. de Haan (ed.) (2007). Jaarboek ICT en samenleving. Amsterdam: Boom.

Strien. W. van (2007). Slechte medische informatie is moeilijk van internet te weren. Ethiek & Beleid 7-1: 28-31

Tichenor, Ph., G. Donohue and C. Olien (1970). Mass media flow and differential Growth of knowledge. Public Opinion Quarterly 34-2: 159-170.

Vedder, A. (2006). Relying on the quality of information on the Internet: ethical and legal aspects. Journal of Information, Communication & Ethics in Society 4-1.

Weigold, M. en D. Treise (2004). Attracting teen surfers to science web sites. PUS 13-3: 229-248.

Willems, J. (2003). Bringing down the barriers. Nature 422: 470.

Willems, J. (2007). Het wtc landschap.In: Basisboek Wetenschapscommunicatie.(ed. Jaap Willems) Amsterdam: Boom Onderwijs.              

 

Boeken bestellen

Met Pensioen

o.a. bij BOL en bij Mets en Mets

en als e-book bij Mets&Mets

 

 

Late Liefde en De Erfenis:

bij Nieuw Amsterdam

noimage