Jaap Willems

trans america

In vier weken Trans America, gevieren: Tjitske (T) en Piet(P), Marian(M) en Jaap (J)(grotendeels per auto) 

Verslag van JaapW   

Zondag 21/8: Verlaat vertrek. Tram 26 van 9.00 gemist, trein van 9.20 naar Schiphol rijdt voor onze neuzen weg. Desondanks op de geplande tijd (10.00) op het vliegveld. Je moet tegenwoordig zelf inchecken aan een soort Wegenwacht-paal, maar hulp staat in de buurt. M heeft er echter geen enkele moeite mee. Tegen de verwachting in: geen rijen voor de balie en dus ruim op tijd door de douane.Koffie met appeltaart is volgens T het lekkerst bij McDonalds; daarna de gebruikelijke extra lectuur gekocht (boekwinkels zijn niet te vermijden) en geld gewisseld.

Lees meer...

berlijn

Joods Berlijn 

 

Ondanks de shoa, die in Berlijn werd bedacht, georganiseerd en gecoördineerd, kent de stad een groot aantal zichtbare herinneringen aan het rijke joodse verleden. Er is weliswaar in die tijd erg veel vernield, maar enkele markante gebouwen hebben het overleefd en veel andere zijn gerestaureerd. De actuele kaart van joods Berlijn telt daardoor maar liefst 130 bezienswaardigheden. Buiten de joodse gemeenschap krijgen die weinig aandacht en dat is jammer.

Lees meer...

berlijn

 Wandelen rond Köpenick

Als bezoekers al naar Köpenick reizen, dan gaan ze vooral op zoek naar de kapitein. En dat zal menigeen teleurstellen want veel meer dan een bronzen beeld voor het enorme stadhuis is er niet. Veel interessanter is Kietz. Dat is een (gerestaureerd) oud straatje langs de zogenaamde Frauentog, een zijarm van de Spree, met een geschiedenis die teruggaat tot 1240. In dat jaar werden er aan de rivier twee dorpen gesticht : Berlin en Cölln. Ze sloten in 1307 een verbond en dat werd de basis van een lang welvarend handelscentrum (onder meer van vis, graan en hout). Dat was Kietz.  Inderdaad: hier ligt de oorsprong van de Duitse hoofdstad! Er is niet veel overgebleven van het vroegere vissersdorp: één slaperig straatje. Een mini-openlucht museum. Boeiend!

Een bezoek aan Köpenick begint voor de meeste bezoekers bij het station van de S-Bahn, even buiten het centrum. Er gaat een directe tram naar het centrum, maar de wandeling langs de route van de Fernwanderweg is leuker. Sla op de Elcknerplatz linksaf naar de Borgmannstrasse.  Daarna de Thürnagelstrasse in en dan loop je door zo’n klassieke Duitse straat, die waarschijnlijk al tientallen jaren onveranderd is. Aan het eind ervan - aan de overkant van een drukke weg, de Seelenbinderstrasse - ligt een fraai, oud park met daarin het beekje Erpe. Volg dat langs de rood-wit-rood gemarkeerde route naar de Spree. Aan de oever daarvan heb je een fraai uitzicht op de oude stad.

Na het oversteken van de brug loop je over een aangename wandelweg langs het brede water naar het centrum. Het oude Rathaus  - waar het beeldje van de kapitein staat – kun je niet missen. Het steekt hoog boven de Altstad uit, als de kerk boven een Hollands dorp. In de lokale gidsen wordt een aantal oude gebouwen in dat centrum aangeprezen. Even rondkijken op het marktpleintje – de Schlossplatz - met daarop de kleinste brouwerij van Duitsland;  even door de hoofdstraat – Alt Köpenick -  langs het enorme Rathaus en een mooie apotheek.  Dan heb je het wel gehad. Of toch niet: kapitein Voigt. Zijn bronzen beeld uit 1996 staat op een hoek van het Rathaus.

Volgens het verhaal uit 1906 was Voigt een schoenlapper, die bij een uitdrager in Postdam een kapiteinsuniform van het eerste Garderegiment kocht en vervolgens zo goed oefende op het gedrag van de Pruisische officieren op Unter der Linden, dat het hem lukte de Schwimmschulwache  van de Plotzsee onder zijn commando te plaatsen. Daarmee trok hij op naar Köpenick, arresteerde de burgemeester en nam er de stadskas met vierduizend Reichsmark in beslag. Hij gaf de politie daarna opdracht de orde te handhaven en vertrok met zijn buit. Tien dagen later werd hij gearresteerd en tot vier jaar cel veroordeeld. Maar de keizer vond het zo’n goede grap dat Voigt na twee jaar gratie kreeg. Het verhaal van de Kapitein werd zo populair dat een Köpenickade een staand begrip werd voor schelmenstreek.

Interessanter is het gerenoveerde slot uit 1682, aan de overkant van het marktplein. Dat barokke kasteel is ontworpen door de Nederlandse architect Rutger van Langeveld. Hij bouwde het in 1682 voor keurvorst Friedrich. Op dat schiereiland in de Spree hadden eerder al diverse andere vestingen gestaan, maar het voorlaatste werd in 1677 gesloopt omdat de vorst iets beters wenste. Door oorlog, geldgebrek en het overlijden van zijn eerste vrouw, is het oorspronkelijke plan nooit uitgevoerd. De omstandigheden leken gunstig omdat Köpenick in die periode juist werd verrijkt door de komst van een groot aantal Nederlandse en Franse geloofsvluchtelingen, maar de afkeer van de nieuwe vorstin van het buitengebied, deed de plannen uiteindelijk toch stranden. Slechts een van de drie ontworpen paleisvleugels is afgebouwd. In 1682 werd er nog wel een toren aan toegevoegd en in 1685 een kapel.  Latere vorsten schijnen zich vooral bekommerd te hebben om de tuinen.Het slot is tegenwoordig een museum voor interieurs uit de Renaissance, Barok en Rococo. In 21 kamers, zaaltjes en zalen vind je tapijten en andere kleden, tafels, stoelen, spiegels en kamerschermen, kasten, klokken, vazen en serviezen uit diverse Duitse kastelen. Een van de pronkstukken is het zilveren servies uit het verwoeste Berliner Schloss, dat staat uitgestald in de beroemde Wapenzaal. Opmerkelijk is volgens de museumgids de museale combinatie van de rijk gedecoreerde ruimtes - veel plafondschilderingen, stucwerk en wandversieringen - met het meubilair uit diverse andere kastelen en huizen. Op maandagen gesloten. Als je niet zo sterk in dit soort musea geïnteresseerd bent, dan zijn de fraai aangelegde tuinen en – niet te vergeten – het zeer aangename terras aan de het water, zeker de moeite waard. Vanaf het terras heb je een goed uitzicht op het al eerder genoemde vissersdorp Kietz.  Dat is het Slavische woord voor ‘hut’.

Tot in de zestiger jaren zou nog een en ander herinnerd hebben aan het vroegere vissersdorp, maar de Oost-Duitse autoriteiten hebben die grotendeels laten slopen en vervangen door moderne flats. Slechts een klein aantal 17e eeuwse huizen heeft dat overleefd. Je vindt die onder meer in de Brüderstrasse , Am Nussbaum en dus vooral in Kietz.  Het water waaraan dit deel van het vroegere dorp ligt heet dus Frauentog.  Het zou die naam te danken hebben aan het feit dat de vrouwen vroeger- in tijden van hongersnood - in deze bocht van de Spree veel vis wisten te vangen. Ze redden daarmee de levens van hun families.Kietz is niet alleen de naam het vroegere vissersdorp, dat pas in 1898 door Köpenick werd ingelijfd, maar ook de straatnaam van het restant. In deze korte historische straat vind je nog een zevental originele visserhuisjes, vooral uit de 18e en 19e eeuw. Fascinerend. Sommige bezitten nog de stille binnenplaatsen en kleine tuinen, die vroeger kenmerkend waren voor deze buitenwoningen. De nummers 6, 8, 12 (bakkerij), 19, 21, 22 en 27 zijn gemakkelijk als zodanig herkenbaar en als je toch nog aarzelt, zijn diverse visserswoningen herkenbaar aan de afbeelding van een vis boven de deur. Tussen enkele huizen liggen nog de zogenaamde waterstegen. Die gaven en geven toegang tot de oever. De meeste zijn nu afgesloten; naast nummer 21 is er weer een opengesteld.   

Extra wandeling

Vanuit het centrum kun je weer de tram nemen naar het station van de S-Bahn, maar het is de moeite waard om - als je voldoende energie over hebt - er een wandeling aan vast te knopen: langs de Erpe naar het station van Hoppegarten. Dat is een traject van tien kilometer over in het algemeen  goed te lopen paden en wegen. Alleen kan een deel na hevige regenval drassig zijn.Hoe kom je daar? Vanaf het marktplein van Köpenick sla je linksaf en loop je een stukje over de drukke Muggelheimerstrasse. Sla de rustiger Amtstrasse in en loop door naar een grote parkeerplaats. Aan de achterzijde daarvan vind je het gemarkeerde wandelpad terug. We lopen weer even langs de Spree, moeten dan om een insteekkanaaltje heen en belanden  onvermijdelijk op de drukke Wendenschlossstrasse.  Loop langs de klassieke DDR-flats met kleurige friezen (aan de rechterkant), de Spree loopt achter een aantal buitenhuisjes aan de linkerkant. We lopen door naar de eveneens drukke Salvador-Allende-strasse en volgen die een klein stukje richting rivier. Voor de brug over de Spree daal je aan de rechterkant van de autoweg af naar het water. Daar wordt het weer rustig. Hier begint een aangenaam voetpad langs de brede rivier. Aanvankelijk loop je nog langs villa´s, later over een heus bospad. Aan het einde daarvan, waar de Spree uit de Muggelsee komt, ligt een diepe tunnel. Maar geniet eerst even van het uitzicht over het meer. Door die tunnel kom je aan de overkant, bij een (dure) Biergarten. De gemarkeerde route loopt linksaf langs een enorme brouwerij, door de Bolschestrasse  naar het gezellige centrum van Friedrichshagen, genoemd naar keurvorst Frederich ll. Via deze hoofdstraat bereik je na ruim een kilometer het station van de S-Bahn. Moe? Dan kun je hier op de trein stappen naar het centrum van Berlijn.

Nog energie over? Ga dan door de tunnel onder de S-Banh door naar het Kurpark. Door dit stadspark lopen diverse routes, maar oriënteer je op de tennisbaan aan het einde ervan. Hier verlaten we het stadsgebied van Berlijn. De merktekens van de Fernwanderweg leiden vervolgens langs een sportcasino en een enorm recreatiepark naar het dal van de Erpe. Inderdaad, de beek die we eerder volgden op weg van het station naar het centrum van Köpenick.Het smalle pad loopt nu verder stroomopwaarts langs de diepe beek. Aanvankelijk langs het steeds ruiger wordende recreatiepark, later door open land. In de verte ligt bos. Je kunt bij een brug over de beek de linker- of de rechteroever nemen. De officiële route volgt de rechter. De Erpe heet hier Neuenhagener Muhlenfliess. Het pad volgt het brede beekdal en eindigt in het minidorpje Heidemühle. Er staat inderdaad een watermolen. Daar steek je de oude, stenen brug over en gaat het pad verder door een dicht bos, waar je met een beetje geluk nachtegalen kunt beluisteren. Achter de bomen zie je af en toe nog de beek.  Je hebt nu het mooiste deel van de wandelroute achter de rug. De laatste kilometers loop je vooral langs (soms zeer fraaie) huizen en buitenplaatsen, en langs een beroemde paardenrenbaan. Via Dahlwitz leidt de route naar Hoppegarten. Van daar vertrekt regelmatig de S-Bahn naar Berlijn.   

 

st petersburg

SINT PETERSBURG,EEN VERWARRENDE SENSATIE 

De toeristenstroom naar Sint Petersburg blijft aanzwellen (en als gevolg daarvan stijgen de prijzen er in rap tempo). Elk jaar komen er weer meer bezoekers naar deze prachtige stad, onder hen een groot aantal Nederlanders. Voor veel westerse bezoekers blijkt dat echter een verwarrende ervaring: lopend door een vertrouwd, want westers uitziende stad, ontdek je dat je er bijna niets kunt lezen en dat je bijna niemand kunt verstaan. Russische is namelijk een voor veel westerlingen onbegrijpelijke taal en weinig Russen spreken iets anders. Dat geeft menigeen een ongemakkelijk gevoel.

In andere vreemde steden zoals Parijs, Rome, Berlijn of Londen begrijp je vaak nog wel iets van de vreemde taal, ook als je die niet machtig bent. In Sint Petersburg is dat doorgaans niet het geval.  Neem een topattractie als de Hermitage. Dat schitterende paleis aan de Newa met een wereldwijd befaamde kunstcollectie is voor de vele toeristen net zo’n verplicht onderdeel van het reisprogramma als het Van Goghmuseum  in Amsterdam. Niet te missen. Het enorme gebouwencomplex – ontworpen door de Italiaan Rastrelli – oogt ook vertrouwd. Dat soort grote paleizen kennen we immers uit Frankrijk, Italië, Oostenrijk. Maar binnen blijkt dat het museum nog nauwelijks is voorbereid op de stromen buitenlandse bezoekers. Veel teksten zijn alleen in het Russisch, veel medewerkers verstaan alleen hun eigen taal en ook bij diverse informatiebalies bleek men alleen Russisch te spreken. De buitenlandse groepen worden steevast gegidst. Dat is voor alleengangers niet alleen erg lastig, maar toch ook enigszins ongastvrij.

Die geringe genegenheid de buitenlandse bezoekers tegemoet te komen, ervaar je ook elders in de stad: er is bijvoorbeeld geen toeristenbureau of VVV-kantoor, de cultuur agenda’s – ook die op internet – zijn meestal alleen in het Russisch, het hotelpersoneel stuurt je voor theater- en muziekkaartjes naar een ticket office, waar men alleen de eigen landstaal verstaat. Ongastvrij? In Nederland overdrijven we misschien met onze overbereidheid om buitenlandse bezoekers te woord te staan in hun eigen taal, maar de Russen bezetten het andere uiterste. Veel Sint Petersburgers doen vriendelijk hun best de buitenlandse toerist te helpen, maar men blijkt vaak niet in staat om met hen te communiceren. Een Engelssprekende gids – oud hoogleraar geschiedenis, maar ontslagen vanwege zijn slechter wordende ogen – verklaarde het ontbreken van Engelstalige informatie door de druk uit zijn beroepsgroep: de legertje gidsen zou dat tot nu toe met succes hebben verhinderd. 

Het dubbele gevoel bij een bezoek aan de Hermitage overvalt je ook bij een bezoek aan de eveneens schitterde Peterhof, het paleis voor Peter de Grote aan de Finse Golf. Een andere topattractie. Dat werd ontworpen door de Fransman Le Blond en verbouwd door de Italiaan Rastrelli. Zowel in de omringende Franse en de Engelse tuinen, als in het prachtige paleis voel je je enerzijds thuis omdat de architectuur duidelijk aansluit bij onze westerse smaak, maar je voelt je toch ook ontheemd omdat bijna alle teksten op bijvoorbeeld richtingaanwijzers en menukaarten alleen in het Russisch zijn. En vragen heeft ook weinig zin want de meeste andere bezoekers zijn Russen. Je ontdekt na enige tijd wel min of meer welke cyrillische tekens bij welke westerse letters horen en als je dan het Russisch voorzichtig uitspreekt, kun je soms raden wat het betekent, maar het blijft een lastige exercitie.

Dat dubbele gevoel verdwijnt bij een bezoek aan ‘echte’ Russische gebouwen zoals de kerk van de Verlosser van het Bloed en het Newsky klooster, twee andere bezienswaardigheden uit de toeristische top vijf.Hoe komt dat? Beide monumenten zijn onvervalst Russisch: de kerk is een herinnering aan tsaar Nicolaas II, die hier werd vermoord en zowel de buitenkant als de binnenkant zijn in de flamboyante oud Russische stijl uitgevoerd: met uientorens, geglazuurde panelen en kleurrijke mozaïeken, die sterk contrasteren met de westerse neoklassieke en barokke architectuur in de omgeving. Let eens op de 144 wapenschilden aan de buitengevel, die de provincies en regio’s van het Russische keizerrijk vertegenwoordigen. Prachtig.

Minder rijk, maar ongetwijfeld even authentiek is de kerk van het Alexander Newsky klooster uit 1710, buiten het centrum. Ook een topattractie. De meeste bezoekers komen er om de graven van o.a. Dostojevski en Tsjaikowsky te bezoeken op het nabijgelegen Tichvin kerkhof (Engelstalige naamboordjes!), maar ook een bezoek aan de weer in gebruik genomen orthodox christelijke kerk is meer dan de moeite waard. Die werd ontworpen door de Rus Ivan Starov en dat proef je. Er staat ergens een bordje entrace en een richtingaanwijzer naar wc; er wordt dus kennelijk rekening gehouden met buitenlandse bezoekers, maar die richtingaanwijzers zijn dan ook de enige indicatie voor het ontluikend toerisme. In het cafetaria heb je vooral handen en voeten nodig om een kop koffie te kunnen bestellen. Naar goed orthodox gebruik is er in de kerk een voortdurende eredienst en dat betekent dat je met gepaste bescheidenheid deelgenoot kunt worden van de weer opkomende religiositeit onder de Russen. Er staat achter in de kerk een souvenirwinkel, maar het is niet helemaal duidelijk voor wie dat is bedoeld. De enige klanten waren Russen; de vrouw achter de kleine kassa sprak alleen haar eigen taal. Lastig, maar dat ontmoet je ook in andere verre landen. 

De enorme Izaakkathedraal in het centrum, ontworpen door de Fransman Montferrand, lijkt een interessante combinatie van beide werelden. De buitenkant is onmiskenbaar neoklassiek en dus westers. Hoge koepels, enorme bronzen deuren, zuilenrijen van kostbare steensoorten. Het is een van de grote kerken van de wereld – volgens de Russen de grootste – en gidsen vertellen in diverse talen dat het gebouw 300.000 ton weegt en op vele duizenden heipalen staat. Bij de bouw zijn diverse nieuwe technieken toegepast waardoor de aanvankelijk weinig bekende Montferrand wereldfaam verwierf. Officieel is het nog steeds een (atheïstisch) museum, maar de rijke iconostase laat duidelijk zien dat je in een kerk bent. Ook binnen is de rijkdom overweldigend: de muren zijn uitgevoerd in veertien soorten marmer en 43 soorten halfedelstenen zoals lapis lazuli en malachiet. De plafondschilderingen van de Rus Brjoellov zijn indrukwekkend door de geraffineerde belichting en de iconostase is eveneens van een oogverblindende Russische makelij. Indrukwekkend.De teksten zijn echter opnieuw onleesbaar voor buitenlanders en geven je weer dat machteloze gevoel dat je in een stad bent, die wel westers aandoet, maar dat niet is. Het voelt vervreemd. De talrijke bezoekers zijn overigens weer vooral Russen. Een gids legde uit dat het binnenlands toerisme naar de stad minstens zo snel groeit als het buitenlandse. 

sportschool

Interview met Life & Kicking baas Patrick Verdoorn

 

 

KICK FUN is niet macho 

 Op de grote ramen van het IJburgse Fitness Centrum Life & Kicking staan termen zoals Kick Fun en Combat Fit; achter het glas hangen bokshandschoenen in de aanbieding, maar binnen vertelt eigenaar Patrick Verdoorn dat zijn sportschool alles behalve macho is. Een term zoals ‘kick fun’ moet ik anders begrijpen: het is een ladysport. De meeste deelnemers zijn allochtone vrouwen, die niet gewend is om gemengd te sporten, vertelt hij glimlachend. In samenspraak met het bureau Sport van het Stadsdeel heeft hij dit programma opgezet om die vrouwen in beweging te krijgen. Het is de bedoeling dat ze na verloop van tijd zelfstandig aan een van de andere fitness activiteiten gaan deelnemen.

 Oud-marinier Patrick Verdoorn (35 jaar) is gegrepen door zowel de sport als door sociale betrokkenheid. Eerst over de sport. Hij zegt: ‘Ik had twee dromen. Ik wilde kikvorsman worden en ik wilde een eigen sportschool, die iets zou betekenen voor de buurt.’ Op zijn zeventiende werd hij beroepsmilitair, bij het korps mariniers. Hij zou er 13 jaar blijven en was onder meer betrokken bij activiteiten van de Special Forces. Hij wil daarover niet veel vertellen. Bij het korps Mariniers kreeg hij zijn gedroomde opleiding tot kikvorsman. ‘Mijn voorliefde voor de sport heb ik bij dat korps uiteraard ruim kunnen uitleven. Dat werk eist dat je in topconditie bent en dat betekent natuurlijk dat fysieke activiteiten een hoge prioriteit hebben.’

 In 2006 was zijn laatste missie en daarna vestigde de geboren Rotterdammer Patrick Verdoorn zich in Amsterdam, op IJburg. Daar realiseerde hij zijn tweede droom: een eigen sportschool.

Waarom een sportschool? Patrick: ‘Sport vult mijn leven, vanaf jongsaf heb ik er altijd veel aan gedaan, vooral aan vechtsporten, maar ook aan bijvoorbeeld rugby. Via een sportschool kun je niet alleen je voorliefde voor de sport uitleven, maar ook iets voor andere mensen betekenen. Geloof het of niet, maar ik ben op IJburg begonnen omdat daar vraag was naar activiteiten voor kinderen!’

           Kinderen

 Life & Kicking behoort nu tot de grote sportscholen van Amsterdam. Patrick is kleiner begonnen, maar toen er vraag ontstond naar meer activiteiten voor de vele kinderen op IJburg breidde hij zijn sportschool uit tot de huidige forse omgang van 2300 vierkante meter. Het complex tussen de Eva Besnyostraat en de jachthaven omvat nu niet alleen de klassieke fitness zaal met allerlei sporttoestellen, maar ook aparte zalen en zaaltjes voor onder meer boksen en andere vechtsporten, voor groepslessen zoals yoga, voor dans en voor de kinderopvang. Hij vertelt: ‘Life and Kicking heeft vier groepen activiteiten: de klassieke fitness, die ruim tweeduizend leden heeft getrokken; de kinderactiviteiten, vooral streetdance, drama en ballet; de budosporten zoals kick boxing en judo en de naschoolse opvang. Een groot deel daarvan heb ik uitbesteed aan sportverenigingen of aan aparte stichtingen. De kinderopvang wordt bijvoorbeeld verzorgd door UnikidZ, de vechtsporten door de judovereniging.’ Hij vergelijkt het met de Bijenkorf: veel kleine shops in een grote shop.

Die vechtsporten bezorgen Life & Kicking soms een macho-imago erkent Patrick Verdoorn, maar hij blijft benadrukken dat dit ten onrechte is. Boksen heeft volgens hem vooral een slechte naam gekregen door de gala’s, maar hij noemt het een mooie sport en zeker niet alleen iets voor mannen. ‘Zoals ik al zei: op ons kick fun lessen vind je vooral vrouwen. Wat doen die tijdens die lessen? Op een muziekritme slaan die tegen zware leren zakken en dat is erg goed voor hun conditie.’

Veel deelnemers, een grote sportschool: een succesvolle onderneming! Dat beeld moet je volgens Patrick Verdoorn nuanceren. Hij zegt: ‘Het is zweten om het hoofd boven water te houden. De huren op IJburg zijn zeer hoog en ik heb twintig mensen op de loonlijst en nog eens twintig in dienst als free lancer. Het blijft spannend of we het redden.’ Volgens hem geldt dat voor veel bedrijven op IJburg, voor diverse ondernemingen zal het komende tijd erop of eronder worden. Als belangrijkste oorzaak noemt hij niet de tegenvallende groei van het aantal inwoners, maar de extreem hoge huurprijzen.

Het zit hem ook wel dwars dat veel mensen hem een ‘snelle, succesvolle commerciële jongen’ noemen; hij doet dit werk vooral graag omdat hij daardoor iets kan betekenen voor andere mensen, zegt hij met nadruk. Andere ondernemers op IJburg bevestigen dat en betitelen hem als een ‘sociaal ondernemer.’

 Sociaal

 Als voorbeeld van het sociale gezicht van Life & Kicking noemt Patrick Verdoorn graag zijn stichting Care 4 Society. Hij zegt: ‘Die heb ik in 2007 opgericht, in samenspraak met het projectbureau en met CIVIC, om een vangnet te creëren voor jongeren die tussen de wal en het schip dreigen te vallen. Jongens en meiden die niet meer naar school gaan en die ook niet worden opgevangen door de officiele instanties. In dat kader hebben we bijvoorbeeld het nieuwe Johan Cruyf Court geadopteerd. Wij doen daar het sociaal beheer.’

Wat is dat: sociaal beheer? ’Als je een dergelijk trapveldje aan de straat laat, dan zullen bepaalde groepen, bijvoorbeeld hangjongeren, het overnemen. Die spelen er dan de baas, die bepalen wie er mag voetballen en wie niet. Maar elk kind heeft recht op speelmomenten, ook dat verlegen jongentje van vier. Regelmatig zijn er daarom trainers van ons op dat veldje om ervoor te zorgen dat iedereen een kans krijgt om een balletje te trappen. Dat noemen we sociaal beheer.’

Hij noemt veel samenwerkingen: met het Stadsdeel, het projectbureau, met CIVIC, met sportverenigingen. Geeft dat nooit spanningen? Iedereen wil toch met de eer gaan strijken als iets een succes blijkt te zijn? Daarover is Patrick erg kort. Hij zegt:’Ik heb al meer dan voldoende medailles in de kast liggen. Als CIVIC met de eer willen gaan strijken, vind ik dat best. Het gaat mij om het resultaat. Ja, we zitten wel eens in elkaars vaarwater, maar via goed overleg komen we er tot nu toe altijd uit. We werken trouwens ook samen met diverse scholen, op het IJburgcollege geeft ik bijvoorbeeld een cursus fitness assistent.’

Een grote sportschool, allerlei samenwerkingsverbanden, zelf les geven. Waar haalt hij de tijd vandaan? (Het kostte uw verslaggever ook veel moeite om een afspraak te maken voor dit interview.) Hoeveel werkt hij en heeft hij nog wel tijd voor een eigen leven?

Patrick: ‘Ik werk inderdaad veel: 80 tot 100 uur per week is geen uitzondering, maar ik ben erg gezond en mijn vrouw begrijpt mijn passie voor de sport. Ik doe dit al drie jaar en het gaat nog steeds goed. Sinds kort heb ik echter een zoontje en nu zal ik toch iets anders met mijn tijd moeten omgaan. Weet ik. Maar als zich een kans voordoet, kan ik het toch niet laten. CIVIC wilde een kersdiner organiseren op IJburg en zocht daarvoor een ruimte: dan doen wij mee. En als de salsavereniging op zondagmiddag lessen geeft op mijn sportschool, dan ga ik toch even kijken. Blije mensen geven mij de meeste genoegdoening. Ik voel het dan ook als een schop tegen mijn schenen als mensen mij als een kapitalist, een commerciële jongen betitelen. Ik heb een bedrijf en moet dus inderdaad zakelijk zijn, maar het werken met bijvoorbeeld gehandicapten is toch wat me op de been houdt.’

 Culturele organisaties op IJburg klagen er wel eens over dat de IJburger te weinig tijd heeft voor allerlei activiteiten. Het zijn vaak tweeverdieners met kinderen. Die mensen gaan savonds niet meer de deur uit.

Patrich Verdoorn: ‘Dat klopt maar gedeeltelijk: we hebben op zondag vaak meer dan driehonderd mensen in huis. Maar je hebt gelijk: de IJburger heeft het druk. We hebben daarom sinds kort een nieuwe activiteit: personal training. Mensen kunnen persoonlijke begeleiding krijgen om terug te keren naar zichzelf, om tijd te vinden. Je kunt leren om keuzes te maken, terug te gaan naar jezelf. Die personal training bestaat pas kort en is nu al zo populair dat ik nieuwe mensen moet gaan aantrekken om aan de vraag te kunnen voldoen.’

 

 

design020

 

Design warenhuis voelt zich

zeer welkom op Steigereiland

 

Terwijl langs de IJburglaan de meeste winkels leeg blijven, zet het designwarenhuis De Kasstoor&Wonen 2000 op het Steigereiland een compleet nieuw gebouw neer met vijfduizend vierkante meter winkelruimte. Had dat niet anders gekund? Mede-eigenaar Olivier Smitshuijzen (‘ik ben de vijfde generatie in dit bedrijf’) moet toegeven dat hij zelfs niet heeft rondgekeken naar beschikbare ruimte. ‘Wij bestaan al 120 jaar en hebben de neiging te laten bouwen wat we nodig denken te hebben. We vielen op deze plek. Deze locatie op het Steigereiland is beeldschoon. We liggen aan het water, zijn goed bereikbaar vanuit het hele land, vlakbij het centrum van de stad. Heerlijk.’

Olivier legt uit dat het bedrijf al sinds 2004 bezig is geweest met de voorbereidingen van dit project, nadat de gemeente Amsterdam hen die plek had aangeboden. Men wist op het stadhuis dat De Kasstoor&Wonen 2000 op de Rozengracht problemen had met de bereikbaarheid voor klanten van buiten de stad en wilde het familiebedrijf voor Amsterdam behouden. Verhuizen naar een industrieterrein zoals Villa Arena was geen optie, zegt Olivier gedecideerd. Volgens hem willen zijn klanten daar niet naar toe en zelf zou hij zich er ook niet thuis voelen. Bovendien: Steigereiland was ‘liefde op het eerste gezicht.’ Hij zegt: ‘Op mooie zomerdagen lijkt het wel alsof je permanent op vakantie bent. Dan zeilen de surfers voor de deur. Prachtig.’ Waarom uitgerekend het Steigereiland? Waarom niet op het grotere Haveneiland? Hij zegt: ‘Steigereiland is een geweldige plek. Overal water, open, heel Amsterdams, veel bewoners zijn bezig met hun interieur. Top.’

Het nieuwe Design020 is geen eigen onderneming, maar een gebouw met daarin een vestiging van De Kasstoor&Wonen 2000. Opmerkelijk is er de vreemde combinatie van diverse speciaalzaken. Je kunt er terecht voor design, maar ook voor tuinmeubelen, voor gietvloeren en voor verlichting. Olivier: ‘Dat lijkt vreemd, maar is het niet. Alles wat je kunt kopen, past bij elkaar. Alle producten zijn complementair. Als je een nieuwe kast wilt kopen, moet die in het interieur passen en dus moet je ook kijken naar een vloer en naar verlichting.’

Kennelijk slaat het concept aan want de jonge directeur vertelt met enige trots dat hij wekelijks verzoeken krijgen van bedrijven die zich in Design020 zouden willen vestigen. Maar het gebouw zit vol, tot de nok.

Wat is er bijzonder aan het gebouw? Architect Cees Nagelkerke heeft een erg open gebouw ontworpen met erg veel glas. Volgens Olivier kun je bijna overal de hele ruimte overzien. Boven heb je bovendien fraai uitzicht op het omringende water. Opmerkelijk zijn ook de luie trappen. Luie trappen? Ja, de treden zijn laag en diep en dat betekent dat je rustig slenterend (of hollend) naar boven kunt lopen. Daardoor kun je ook op de trappen rustig rondkijken.

Duurzaam? Design020 heeft bijzonder lage verbruikskosten door de extreem goede isolatie. En als men bijvoorbeeld wil koelen, wordt er geen energieslurpende airco aangezet, maar worden ‘betonkernen geactiveerd’ d.w.z. het beton wordt van binnenuit gekoeld (of verwarmd) en dat zou veel efficiënter zijn dan de traditionele aanpak.

 Hoe gaan de zaken in de krimpende economie?

Olivier: ‘Prima.. Hoe komt dat? Amsterdam heeft veel inwoners met interesse voor interieurs. Bovengemiddeld. Men kent ons en weet ons te vinden. Bovendien zijn wij niet alleen bezig met kostbare totaalinrichtingen; we verkopen ook veel losse spullen: een bank, een lamp, een tafel. Een derde factor is dat mensen door de economische crisis minder snel verhuizen en in plaats daarvan iets aan hun interieur doen. Voor zestig euro kun je daarvoor bij ons een eerste advies krijgen. Dat trekt ook mensen.’

Een extra attractie is volgens hem het café. Designcafe by Spiazza van Niels Wijtmans en Suzanne de Ruijter blijkt aan te slaan: steeds meer IJburgers komen er voor een kop koffie, een ontbijt of een lunch en lopen daarna ook even door de zaak. Olivier: ‘We willen meer zijn dan een winkel. Mensen komen hier ook op te zien wat er op ontwerpgebied gebeurt. We zijn eerder een bestemming.’

   

 

egon kuchlein

Interview met kunstenaar/architect Egon Kuchlein 

‘IS DAT ECHT MOOI?’ 

Egon Kuchlein (48) bouwt zijn eigen woning: een hoekig huis met andersblauwe muren, die doorsneden zijn met veel hout en glas. Het staat aan de Pieter Holmstraat op het Steigereiland. Dat is voor hem een manier van zelfrealisatie: door het bouwen van een eigen huis geef je vorm aan je eigen leven, zegt hij. Zijn straat kent veel aparte huizen en lijkt de voorloper van een (ander) uniek experiment: de Jan Olphert Vaillantstraat. In deze hoofdstraat van het Steigereiland kan kennelijk alles: er staan rode, blauwe en gele huizen naast elkaar, je vindt er stenen- , houten- en tegelwoningen, moderne gebouwen staan naast een namaak grachtenhuis. Is dat mooi? 

Egon weet waarover hij praat als het over architectuur gaat, want hij is zowel kunstenaar, architect als bouwer. Wat op de eerste plaats?’Weet ik niet. Ik ben geschoold als kunstenaar en ik heb daarna een opleiding gevolgd aan de Academie voor Bouwkunst in Amsterdam. Bovendien ben ik kind van een generatie zelfdoeners. Het is de combinatie. Ben begonnen als kunstenaar, als omgevingsontwerper en beeldhouwer en via enkele bouwprojecten ben ik daarna in de architectuur terecht gekomen. Zo gaan de dingen.’ 

Zijn blauwe huis bouwt hij zelf omdat het lollig is om dat te doen en bovendien is het dus een manier om aan jezelf te werken. Door samen met vriendin en kinderen je eigen woning te bouwen, bouw je volgens Egon aan je eigen leven. Dat is geen zelf gevonden wijsheid verontschuldigt hij, dat is bekend uit de Gestaltpsychologie.Hij bouwt letterlijk zelf, met eigen handen. Zijn vriendin en kinderen zijn vooral terug te vinden in de kleuren en de kinderen hebben bovendien hun eigen kamers bedacht. 

Ik ben gekomen om zijn mening te horen over de zeer kleurrijke en even omstreden Vaillantstraat. Is dat nou mooi?Egon:’ Dat is prachtig. Niet elke woning is mooi, maar het geheel is prachtig. Vergelijk het met een grote groep mensen in een drukke straat: niet elk mens is even mooi, maar zo’n grote groep is fascinerend. Ieder mens heeft er zichzelf naar eigen smaak aangekleed, zoals in de Vaillantstraat iedereen zijn eigen beeld heeft gecreëerd. Dat is uniek. Dat vind je nergens in Nederland. Zoveel verschillende smaken samen maakt gezamenlijk iets heel bijzonders. En elk afzonderlijk huis is vaak ook bijzonder. Het grote gele huis: een conceptueel unicum; het hoge rode huis: prachtig in evenwicht; het imitatie grachtenpand: zou er niet willen wonen, maar dat zoiets kan, geweldig! En Vrijburcht: opgezet als collectief met een eigen binnentuin, eigen theater, crèche. Schitterend dat zoiets lukt.’ 

En wat vinden de collega’s, andere architecten en kunstenaars? Egon:’ De meningen zijn verdeeld. Er zijn architecten, beroemde architecten, die menen dat je deze chaos van smaken niet zou moeten toestaan. Maar mijn meeste collega’s – zowel architecten als kunstenaars – delen mijn mening: een boeiend en geslaagd experiment.’ 

En wat vindt hij van de sombere woonblokken op de hoek van de Vaillantlaan en de IJburglaan. Vloekt dat niet met de kleurrijke huizen? Egon:’ Kun je ook anders zien. De IJburglaan moet een stedelijke as worden en daarbij horen grote wooncomplexen zoals je die ook op het Haveneiland vindt. En je hebt natuurlijk ook woningen nodig op een toegankelijk prijsniveau.Persoonlijk vind ik de gortdroge architectuur in diverse zijstraten veel erger. Daar zijn in grote haast een aantal woonprojecten gerealiseerd om de huizenverkoop op gang te houden. Dat zie je ook elders op IJburg. De wijk is zeer ambitieus opgezet: de eerste complexen, zoals blok 16, zijn prachtig. Maar toen er enige economische tegenwind kwam, zijn diverse projecten herontwikkeld en dat heeft ertoe geleid dat veel latere blokken een stuk minder spannend zijn. Dat geeft artistieke frictie in de wijk. Neemt niet weg dat architecten uit de hele wereld naar IJburg komen kijken.’

    

george van houts

Cabaretier George van Houts:

 ‘Elitair is heerlijk’

 De een kent hem van de koffiereclame, de ander van Radio Bergeijk, weer een ander herinnert zich George van Houts uit het cabaretprogramma Van Houts & de Ket en sommige Zeeburgers kennen hem waarschijnlijk vooral als ingenieur (ing.) Harry Heesters uit het Mediacafe TIJ.

Hoog tijd voor een interview. Wil de echte George van Houts opstaan? Wie is George van Houts?

 Hij is een klein, dik mannetje en daarom is hij cabaretier, zegt hij. Hoezo? Op school was hij als ondermaatse leerling uiteraard niet goed in sport en hij blonk ook al niet uit in het versieren van meisjes, maar hij kon mensen laten lachen. Dus dat werd zijn specialiteit. Daarmee kon hij toch de gewenste aandacht trekken.

George maakte bovendien spelenderwijs kennis met de toneelschool want die was in zijn geboorteplaats Zaandam vastgebouwd aan de middelbare school. De gevreesde sportzaal van het lyceum was ondergebracht in het plaatselijke theater. Spelenderwijs rolde hij daardoor het toneel op; vanaf zijn zestiende was het voor George duidelijk: zijn toekomst lag in het theater. Daar dacht men op de Amsterdamse Toneelschool overigens anders over want het duurde twee jaar voordat hij werd toegelaten, maar toen werd hij dan ook als een van de acht geselecteerden gekozen uit een groep van 1500 belangstellenden. Hij is daar nog steeds trots op.

 Zijn carrière? Toen George van de toneelschool kwam, werd hij free lance toneelspeler, onder meer bij het theatergezelschap Rho in Rotterdam. Uit die tijd herinnert hij zich met plezier de familievoorstellingen zoals De Heksen van Roald Dahl en de kleine producties, waarin hij drama en cabaret mocht combineren. Toen er in 1996 ruzie ontstond binnen dit gezelschap pakte hij zijn biezen en begon met Tom de Ket het huidige cabaretduo Van Houts & de Ket.

George: ‘Dat was enorm spannend want ik was plotseling een kleine zelfstandige en dat gebeurde uitgerekend in de tijd dat ons eerste dochtertje werd geboren en we ons eerste huis kochten.’

Waarom is het zo leuk om cabaretier te zijn? George: ‘Het is heerlijk om mensen op een goede manier te kunnen laten lachen, maar dat is tevens de grootste valkuil want de mensen die naar ons komen kijken en luisteren, verwachten ook dat er gelachen kan worden. Jij moet er steeds opnieuw voor zorgen dat zij dubbel kunnen liggen.’ Zijn grote voorbeeld daarbij is Freek de Jonge. Hij bewondert hem vooral om de manier waarop Freek humor en diepgang weet te combineren. Met name in het theater. Daarbuiten vindt hij hem nog wel eens erg drammerig, maar op het toneel is Freek de Jonge volgens George niet te evenaren.

Beter dan Youp van het Hek? George: ‘Ja.

Hoezo? George: ‘Wat Youp schrijft, lees ik met veel plezier. Hij is in zijn columns vaak zeer scherp en intelligent, maar in het theater is hij de slaaf van zijn publiek. Dat is cultureel conservatief. Dat wil steeds opnieuw de oude Youp horen en zien.’

Als hij zichzelf moet vergelijken met Youp ziet George onmiddellijk een belangrijke overeenkomt: ze zijn beiden niet zachtzinnig. En het verschil? George zingt geen liedjes en hij vreest dat hij gemener is dan Youp.  

Koffie

Veel mensen kennen Geoge van Houts waarschijnlijk vooral van de koffiereclame. Samen met zijn kompaan Tom de Ket prijst hij in een tv-spotje van Kanis & Gunnink de kwaliteit van dat merk aan. Waarom doet een cabaretier dat? George: ‘Ik kende de betrokken reclamemaker nog van school. Hij was een zoon van de bekende communist Marcus Bakker. Hij bood ons aan om zelf sketches te maken voor een zes-tal commercials en voor die artistieke vrijheid – en uiteraard een leuk honorarium - zijn we gezwicht. Wat bovendien meespeelde was het feit dat we al een eigen theaterpubliek hadden; we hoefde daarom niet zo bang te zijn dat iedereen ons onmiddellijk zou associëren met die koffiereclame.’

Iets groter was de invloed van Radio Bergeijk, denkt hij. Ruim zes jaar verzorgde George van Houts samen met Pieter Bouwman voor de VPRO dagelijks een humorprogramma en dat droeg enorm bij aan zijn bekendheid. En aan zijn imago. Veel luisteraars kennen hem vooral als radiokomiek. Dat is soms lastig. George vertelt dat Radio Bergeijk tot nu toe misschien wel de zwaarste klus uit zijn leven is geweest. Toen ze eraan begonnen leek het al een hele toer om zes weken achtereen elke dag een humoristisch programma te maken. Dat was aanvankelijk het plan. Het werden er 642!

‘We hebben in Bergeijk een eigen wereld gecreëerd met bijna 150 verschillende personages. Een van hen was ingenieur Harry Heesters, die je nu in het MediacafeTIJ weer tegenkomt.’ Onlangs zijn ze ermee gestopt, vooral omdat het steeds moeilijker werd om herhalingen te voorkomen. Na die enorme reeks radio-uitzendingen zijn er nog acht TV uitzendingen geweest onder dezelfde naam en er zijn vage plannen voor een tweede reeks.

 

Op IJburg is George van Houts bekend geworden door zijn rol in het MediacafeTIJ. Hij heeft aan de wieg gestaan van deze cultuuractiviteit en speelt als ingenieur Harry Heesters een opvallende rol in met name de talkshows.

Waarom energie in het Mediacafe stoppen? Heeft hij het niet druk genoeg­? George: ‘Het is mijn bijdrage aan deze nieuwe wijk. Ik vind dat nieuwe bewoners iets moeten bijdragen aan de leefbaarheid en dit is mijn poging. Een soort vrijwilligerswerk. Het leek me bovendien een prima manier om snel een aantal mensen te leren kennen.’

Toen Thea Pruim, Patrick Richter, George en enkele anderen begonnen met het Mediacafe hoopten zij eigenlijk dat het een soort werkplaats zou worden waarin IJburgers diverse soorten programma’s zouden kunnen maken voor Ijburgers. Maar dat bleek lastig. Iedereen in deze nieuwe wijk heeft het te druk. Er waren voortdurend agendaproblemen. Nu heeft men het roer min of meer omgegooid en concentreert de aandacht zich op de talkshow.

Een succes?  Het loopt geen storm, maar met 30- 40 bezoekers per keer is het zaaltje van Vrijburcht toch telkens goed gevuld. Volgens George kunnen er domweg niet meer mensen in, als de talkshow nog populairder wordt, barst ze uit het theater. George van Houts is vaste gast in de talkshow. ‘Ik kom elke keer langs als ingenieur Harry Heesters, speciaal adviseur van Projectbureau IJburg. Harry is een wereldvreemde man die zichzelf razend slim vindt en met allerlei adviezen komt om de leefbaarheid van IJburg te vergroten. Het is een satire op de overplanologie van IJburg. Voorbeelden van deze columns vind je op de site van Mediacafe.’

Hoezo overplanologie? George van Houts vertelt hoe in het begin werkelijk alles op IJburg strak werd gepland en gecontroleerd. Er liepen toen een reeks bouwinspecteurs rond en als er ergens een stoeptegel scheef lag, werd het werk weer stilgelegd. Er was een bijbel met bouwvoorschriften. Toch liep er af en toe iets goed fout. De kavels op het Rieteiland zijn bijvoorbeeld verkocht met het recht om een steiger te bouwen en dat heeft iedereen ook graag gedaan, maar later bleek dat het water waaraan men ligt in andere plannen is voorbestemd om moeras te worden! George kan er om lachen, andere Steigereiland bewoners vinden het minder amusant.

Harry Heesters bedenkt zijn plannen doorgaans ter plekke, vertelt George van Houts. Hij gaat met cameraman Patrick Richter op stap en op locatie – vaak het Diemerpark – ontstaan  dan de beste ideeën. De samenwerking met Patrick blijkt daarbij zeer stimulerend.

Wat staat ons komende tijd te wachten? George heeft gehoord dat Harry broedt op een plan om een gedwongen interculturele maaltijd te organiseren om de samenhang op IJburg te vergroten. In het winkelcentrum zullen lange tafels worden opgesteld, waaraan iedereen moet bijdragen en het zal verboden worden naast soortgenoten te gaan zitten. Dwang? Inderdaad, als men niet meewerkt, komt de wijkmotoragent langs om onwilligen op te halen.

 Cultuur

 MediacafeTIJ is net zoals Vrijburcht onderdeel van het IJburgse culturele leven. Dat is verder niet erg rijk, lijkt het. Weinig filmvoorstellingen, weinig expositieruimte, nauwelijks muziek, weinig buitenkunst. George van Houts: ‘In vergelijking met de binnenstad is het inderdaad bijzonder armetierig, maar ik mis het niet echt. Bovendien: er zijn de laatste tijd diverse goede restaurants bijgekomen en dat beschouw ik ook als een vorm van cultuur. En voor film, muziek en theater ga je toch gewoon naar het centrum. Ik moet er niet aan denken dat alles op dit eiland zou moeten gebeuren. Ben blij dat ik er af en toe af mag.’

Hij meent ook dat het niet reëel is om te verwachten dat er op IJburg snel een boeiend cultureel leven zal ontstaan want de meeste mensen hebben jonge kinderen en drukke banen. Die zijn blij als ze s avonds thuis mogen blijven.

 En wat zijn de plannen van het duo Van Hout & de Ket?

George: ‘We gaan samen met het Zuidelijk Toneel een voorstelling maken over de democratie in Nederland. Daaraan gaan ook bekende Nederlanders als Philip Freriks en Harmen Siezen meewerken. Ik denk dat we komende tijd daaraan onze handen vol hebben. En daarna komt er weer een nieuwe voorstelling van ons duo. We hebben tot nu toe alleen een poster en een titel: Achterlijker dan Dwars. De inhoud moeten we nog bedenken.’

Hoe gaat dat? George legt uit dat het maken van cabaret nauwelijks te plannen is. Soms schiet hem wat te binnen, een andere keer overkomt dat Tom de Ket. Soms brainstormen ze samen en leidt dat tot niets; een andere keer tuimelt het ene goede idee over het andere. Tom is volgens George meer de schrijver van het duo; hij ziet zichzelf meer als de improvisator. Maar het is niet zo dat de een de aangever is en de ander de komiek. Hun rollen wisselen voortdurend. Ze hebben plannen voor twee jaar d.w.z. het programma voor 2009 is al geboekt bij een aantal theaters. Daarna zien ze wel verder.

 IJburg

 Hoe kwam hij op IJburg terecht? ‘IJburg heeft een ideale combinatie: buiten en toch dichtbij de stad. Je bent dichtbij het water – ik ben gek op zeilen – en dichtbij het buitengebied – ik loop graag hard -, maar met de tram ben je binnen een kwartier in de binnenstad. Ideaal. En elk voordeel heeft natuurlijk zijn nadeel: het verkeer wordt erg druk, de files op de witte brug naar IJburg worden langzaam maar zeker hinderlijk.

En de gesignaleerde problemen met verschillende sociale groepen? George van Houts: ‘Amsterdam vraagt om problemen door het achterhaalde ideaal van een maakbare samenleving te blijven nastreven. Dat is naïef. In alle grote buitenlandse steden zie je wijken ontstaan per bevolkingsgroep: Italiaanse wijken en Chinese wijken, villawijken en volkswijken. De meeste mensen vinden het prettig om bij de eigen soort mensen te wonen. Maar in Amsterdam lijkt dat nog altijd niet te mogen. De misvatting van de maakbare samenleving, het ideaal van het gedwongen mengen, lijkt hier onuitroeibaar. Niemand vind dat plezierig: de rijkeren in hun Volvo’s generen zich voor de overburen in hun oude Japanners en die voelen zich niet op hun gemak met die welgestelde straatgenoten. Niet doen.’

Hij heeft er geen problemen mee dat George van Houts op het nogal elitaire Rieteiland woont?

George van Houts: ‘Elitair is heerlijk.’

 

 

     

wetenschapsdomein wtc

 Is wetenschapscommunicatie een domein van communicatiewetenschap? 

Jaap Willems en Erwin SeydelAfdeling ELAN- SEC resp Toegepaste CommunicatiewetenschappenFac.  Gedragswetenschappen Universiteit Twente 

Samenvatting Wetenschaps- en techniekcommunicatie (wtc) omvat twee deelterreinen: de massamediale en de interactieve wtc. Wtc lijkt een specialistische vorm van communicatie en de bestudering ervan zou daardoor thuis horen binnen het domein van de communicatiewetenschap. Dat is misschien een voor de hand liggende conclusie voor de studie van de massamediale wtc, maar voor de interactieve wtc lijkt die in eerste instantie te snel. Er zijn argumenten om ook de interactieve wtc binnen de communicatie-wetenschap te onderzoeken, maar ze lijkt daarnaast ook te passen binnen diverse andere gedrags- en maatschappijwetenschappen zoals de pedagogiek, de psychologie en de politicologie of in het bèta-gebied: de informatiekunde. Enkele auteurs pleiten daarnaast voor een interdisciplinaire aanpak.

De interactieve wtc heeft aspecten (zoals persoonlijke communicatie) die onderwerp van onderzoek zijn in diverse sociaal wetenschappelijke domeinen en ook aspecten (zoals mens – machine interactie) die binnen de informatiekunde thuis lijken te horen. Maar alles overziend zou  het onderzoek van interactieve wtc (vooralsnog) toch het meest op zijn/haar plaats zijn in een multidisciplinaire setting of in  de communicatiewetenschap. Daarvoor zijn tenminste twee redenen: wtc-auteurs op dit terrein maken veelal gebruik van multidisciplinaire en communicatiewetenschappelijke bronnen en de communicatiewetenschap verenigt reeds veel relevante aspecten van de diverse betrokken sociaal-wetenschappelijke domeinen zoals de psychologie en politicologie in zich. 

Inleiding   Nieuwe terreinen van academisch onderzoek gaan doorgaans snel op zoek naar erkend onderdak. Wetenschappers willen graag bij een bestaand paradigma aansluiten omdat het daardoor gemakkelijker wordt om te publiceren in tijdschriften met een hoge impact-factor en om subsidie te krijgen. In de toekenningscommissies zitten immers vaak vertegenwoordigers van die erkende domeinen.Het nieuwe specialisme wetenschapscommunicatie maakt daarop geen uitzondering; ook wtc-onderzoekers zijn op zoek naar hun niche. Moeten ze zich aansluiten bij de communicatiewetenschappen omdat ze zich met communicatie bezig houden of hoort de wtc eigenlijk thuis bij de pedagogiek omdat educatie een belangrijke rol speelt en/of de politiek wtc via het zgn. Bèta-convenant heeft gekoppeld aan educatie? Of is het aspect van Informatiekunde omdat internet een erg belangrijke kanaal is geworden?

Is de wtc eigenlijk wel rijp voor een eigen domein? Pas als een specialisme zich voldoende wetenschappelijk heeft bewezen (bij voorbeeld over een eigen theoretisch fundement beschikt), kan het proberen een eigen domein te creëren, met eigen wetenschappelijke tijdschriften en eigen congressen. De wtc beschikt al wel over eigen wetenschappelijke tijdschriften (Public Understanding of Science en Science Communication), maar de eigen theorievorming staat nog in de kinderschoenen. In dit artikel gaan we uit van de vooronderstelling dat wtc onderzoek communicatie-wetenschappelijk onderzoek is.  

Massacommunicatie Wtc werd vroeger vaak aangeduid als wetenschapsvoorlichting, ongeacht of het door journalisten of voorlichters werd beoefend (Stappers, 1983). En voorlichting wordt vanouds bestudeerd door communicatiewetenschappers, eventueel onder het Wageningse pseudoniem voorlichtingskundigen. Stappers et al schrijven in dit kader dat wetenschapsvoorlichting een massacommunicatief fenomeen is; zij plaatsten wtc daarmee al vroeg in het domein van de communicatiewetenschap. Wetenschapsvoorlichting betreft een bijzonder soort informatie, welke door voorlichters en journalisten wordt verschaft aan een groot publiek. In zoverre is derhalve sprake van een gangbaar communicatieproces: zenders die boodschappen aanbieden aan ontvangers; ontvangers die van dat aanbod al dan niet gebruik maken.”Waarom die voorkeur van Stappers voor een plaats van de wtc in de communicatiewetenschap, die pas in 1983 in het Academisch statuut werd opgenomen? Waarom niet aansluiten bij de al veel verder ontwikkelde psychologie of pedagogiek? Stappers schrijft dat hij er geen enkel bezwaar tegen heeft dat ook sociologen, psychologen, politicologen en pedagogen communicatieve fenomenen bestuderen vanuit de eigen belangstelling en eigen gezichtshoek. Maar dat type onderzoek heeft slechts deelaspecten van communicatie tot onderwerp van studie. Dat soort deelstudies leidt volgens hem niet tot compleet inzicht. Het onderzoek naar communicatie moet een eigen domein hebben, meent hij, met eigen methoden en een eigen terminologie en een eigen theorie. Alleen dan kan communicatieonderzoek leiden tot kennis van communicatie. Stappers gaat nog een stap verder en verzet zich ook tegen het idee (van o.a. Fauconnier, 1981 en Burgoon et al, 2002) dat communicatiewetenschap interdisciplinair bestudeerd zou kunnen of moeten worden. ’Van vele zijden wordt naar voren gebracht dat massacommunicatie interdisciplinair of multidisciplinair bestudeerd moet worden. Daartegen is op het eerste gezicht niets in te brengen. Er is geen onderwerp te bedenken dat niet door verscheidene disciplines bestudeerd kan worden, en elk van die disciplines kan een zinvolle bijdrage leveren tot het beter begrijpen van dat onderwerp. Maar al die bijdragen verschaffen inzichten vanuit de eigen invalshoek. Wil men massacommunicatie beter en fundamenteler begrijpen, dan zal dat moeten gebeuren vanuit een algemene theorie.’  

De klassieke wtc heeft haar wortels in de wetenschapsjournalistiek en dat is vanouds een onderzoeksterrein van de massacommunicatie, een domein dat later is omgedoopt tot communicatiewetenschap. De plaats van die massamediale wtc binnen de communicatiewetenschap staat dan ook niet of nauwelijks ter discussie. Dat zie je ook aan wetenschappelijke publicaties over wetenschapsjournalistiek: die verschijnen bijna zonder uitzondering in communicatiewetenschappelijke periodieken zoals in Nederland het Tijdschrift voor Communicatiewetenschap en internationaal Journalism Quaterly en het Journal of Communication. Iets dergelijks geldt ook voor een groot deel van de gezondheidscommunicatie/ GVO en voor de natuur- en milieu-educatie/ NME. Deze vormen van wtc werden vanouds ondergebracht onder de noemer: voorlichting. In de gezondheids-, natuur- en milieuvoorlichting speelden en spelen massamedia eveneens een belangrijke rol. Denk maar eens aan de vele gezondheids-, natuur- en milieubladen, de folders en posters, de radio- en TV programma’s en de talloze sites. Als dat geen journalistieke kanalen genoemd mogen worden omdat journalisten geen voorlichting (willen) geven, dan betreft het in elk geval openbare communicatie, in principe voor iedereen toegankelijk, en als zodanig zijn het eveneens aspecten van massacommunicatie (Stappers, 1983).

Beide werkterreinen, GVO en NME, profileren zich graag als specialismen waarbinnen interactieve c.q. interpersoonlijke communicatie een grote rol speelt en er bestaan diverse fraaie voorbeelden van die interactiviteit (persoonlijke gezondheids-adviezen, publiekslezingen, natuur- en milieuacties), maar massamedia vormen nog altijd de ruggegraat van de publiekscommunicatie van de desbetreffende organisaties. Volgens Einsiedel (2000) lenen gezondheids- en milieuproblemen zich zelfs bij uitstek voor zo’n massamediale benadering: ‘The cognitive deficit model has proved quite useful in such cases, particularly for specific environmental or health issues with which the public has no or little experience. Public understanding of AIDS is a useful example.’Over het klassieke, massamediale model van wtc schrijft Felt (2000):’ Discussion and investigation of relations between science and the public was long based on a so-called linear model consisting of a sender, a receiver, and a mediator. Scientists were regarded as producers of genuine knowledge, which was then simplified. The mediators were forced into the role of translators.  The communication of science was reduced to a process of translation, so many of the theoretical considerations focused on transfer media, their structural limitations, and the possibilities and restrictions that language imposes on the popularization of scientific knowledge.’ In het vervolg van haar hoofdstuk geeft Felt onder meer aan dat “popular knowledge” in de moderne wtc belangrijker is geworden en dat de scheidslijn tussen wetenschappers en het publiek daardoor minder rigide is dan lang verondersteld; impliciet geeft ze aan dat interactie een grotere rol is gaan spelen in de wtc of dat in elk geval zou moeten doen, maar het belang van het communicatiewetenschappelijke model stelt ze niet ter discussie. Sørensen (2000) doet dat wel: hij plaatst expliciet vraagtekens bij de klassieke communicatiewetenschappelijke aanpak en pleit in het voetspoor van o.a. Wynne (1992) voor een bredere benadering van de wtc waarin ook andere dan communicatie-wetenschappelijke modellen – zoals cultuurstudies - een rol spelen. Hij verwerpt het klassieke massamediale deficiëntiemodel als achterhaald en breekt een lans voor een meer integrale benadering van de relatie wetenschap - samenleving. Regeer (1998) plaatst wetenschapscommunicatie eveneens in het bredere perspectief van de relatie tussen wetenschap en samenleving en combineert het discours van wetenschapsstudies met dat van wetenschapscommunicatie in de praktijk van de science centers. 

Apart vakgebied?Als de klassieke wtc vooral massacommunicatie is, is het dan wel een apart vakgebied? Kunnen we de wetenschaps- en techniekcommunicatie (inclusief het GVO en NME) dan niet beter als een verbijzondering van de journalistiek en/of de voorlichting beschouwen en de wetmatigheden ervan afleiden uit het algemene communicatiewetenschappelijk onderzoek. De manier waarop we informatie over bijvoorbeeld genomics of klimaatverandering proberen te verspreiden lijkt op het eerste gezicht ook veel op de manier waarop men dat doet met informatie over politiek of onderwijs. Anders gezegd: onderscheidt wtc zich wezenlijk van andere vormen van communicatie?

Wetenschap en technologie (en gezondheid, natuur en milieu) zijn – in afwijking van de eerste indruk – bijzondere, afwijkende terreinen omdat de kennis en ervaring op het terrein van bijvoorbeeld klimaatmodellen, gezondheidsrisico’s, biotechnologie, de multiculturele samenleving of wetenschapscommunicatie min of meer exclusief bezit zijn van een relatief kleine groep experts. Weinig mensen zijn op die vaak zeer specialistische terreinen deskundig genoeg om er iets zinnigs over te kunnen zeggen. Daarin verschillen die terreinen van bijvoorbeeld politiek of sport, waarvan bijna iedereen verstand denkt te hebben. Communicatie over deze onderwerpen lijkt daardoor een apart vakgebied, dat niet zonder meer afgeleid kan worden van communicatie-in-het-algemeen.Om op wetenschappelijk of technologisch terrein deskundig te worden, moet je doorgaans hoogopgeleid zijn en de betreffende wetenschappers en technologen hanteren mede daardoor een werkwijze, abstractieniveau en taal (vakjargon) die door de rest van de samenleving vaak niet wordt begrepen. De publiekscommunicatie daarover (populariseren genoemd) is daardoor anders/ moeilijker dan de algemene communicatie en ook daardoor onderscheidt de wtc zich van veel andere maatschappelijke segmenten. En daardoor is de wtc een ander type communicatie dan die over bij voorbeeld cultuur of politiek.In 1998 schrijven Donkers & Willems: wetenschapsjournalistiek is een apart specialisme omdat wetenschap een relatief hoge status in de samenleving heeft (want als het wetenschappelijk is, is het waar) en dat stelt hogere eisen aan de zenders, in dit geval de journalisten. Die moeten idealiter meer zijn dan verslaggever. De communicatie tussen journalisten en wetenschappers vraagt ook van de eerstgenoemde groep veel voorkennis, inzicht en ervaring die niet tot het gangbare pakket van de journalist behoren. Het beoefenen van de wetenschapsjournalistiek geeft hen daardoor mogelijk ook een grotere verantwoordelijkheid omdat de impact groot kan zijn, groter dan bij voorbeeld die van sportjournalistiek. De onderwerpen wetenschap en techniek zijn of lijken bovendien vaak moeilijker dan andere typen informatie en de intermediairen (voorlichters, journalisten en andere communicatoren) zijn daardoor meer dan hun collega’s afhankelijk van hun bronnen: de experts. Ook dat maakt wtc tot iets anders dan bijvoorbeeld communicatie over politiek. Felt (2000) voegt daaraan toe: ‘A specific condition distinguishing the popularization of science from many other enterprises of knowledge transfer is that the supposed audience is always perceived as a mixture of ignorance and something that has often been labeled natural curiosity, a libido science.’

 Interactieve communicatie GVO en NME zijn naast massamediaal ook min of meer interactief. Denk aan de persoonlijke gezondheidsadviezen bij de huisarts, de milieu-acties van Greenpeace, natuurwandelingen van Natuurmonumenten en de publieke debatten over bijvoorbeeld genomics: Eten & Genen. Veel communicatie-activiteiten op de terreinen van gezondheid, natuur en milieu steunen niet alleen op massamediale kanalen, maar ook benutten ook de voordelen van persoonlijke contacten tussen deskundigen en zgn. leken. Die interactieve, vaak ook interpersoonlijke aanpak lijkt ook op veel andere terreinen van de wtc in opmars; voorbeelden daarvan zijn de science centers, de Wetenschapsweek, het wetenschapstheater en internet/Kennislink  (Willems, 1993; Van Woerkum et al, 2004). Van Woerkum schrijft in dit verband: “ De participatieve communicatie of interactieve communicatie is in allerlei domeinen een krachtige beweging: in de overheidscommunicatie, in de gezondheidscommunicatie, in de PR en waar het gaat om nieuwe wetenschap en technologie, zoals in het domein van de biotechnologie.”

 

Om zinnig te kunnen spreken over het wetenschapsdomein waarbinnen interactieve wtc thuis zou horen, is het wenselijk of beter: noodzakelijk eerst te omschrijven wat we onder interactiviteit verstaan. Dat lijkt allesbehalve duidelijk. Veel soms zeer verschillende vormen van wtc (zoals die in science centers, via internet en bij publieke debatten) worden als interactief betiteld. Hoe kunnen zo verschillende bronnen onder een noemer worden gezet? Hoe eensgezind enthousiast men lijkt als deze nieuwe wtc-benadering ter sprake komt, een gemeenschappelijk gehanteerde definitie lijkt vooralsnog ver weg (Nillisen, 1998; Labasse, 1999; Kiousis, 2002) . Koolstra (2006) omschrijft Interactieve wtc als een proces dat gekenmerkt word door een groot aantal vrijheidsgraden: alle deelnemers kunnen bij interactieve wtc in mindere of meerdere mate controle uitoefenen over dat proces doordat ze invloed kunnen uitoefenen op bijvoorbeeld onderwerpen, invalshoek en tempo van de communicatie. Ze kunnen zowel zender als ontvanger zijn en die rollen kunnen bovendien snel wisselen. Bovendien kunnen ze keuzes maken uit diverse bronnen (TV kanalen, Internetsites, andere personen). Naarmate het aantal vrijheidsgraden/ mogelijkheden om keuzes te maken en invloed uit te oefenen, groter is, zal volgens Koolstra de interactiviteit toenemen. 

 

Mogelijke domeinen In welk wetenschapsdomein hoort de interactieve wtc thuis? Past het samen met de massamediale wtc in de communicatiewetenschap of drijft het vaak interpersoonlijke karakter dit specialisme in de armen van andere vakgebieden zoals de pedagogiek of psychologie? We nemen als uitgangspunt dat interactieve wtc een vorm van communicatie is en als zodanig onderdak moet kunnen vinden bij de communicatiewetenschap. In de hierna volgende paragrafen gaan we kijken of deze vooronderstelling houdbaar is. Bij deze analyse zal met name worden gekeken of en in welke mate de studie van interactieve wtc bijdraagt aan de theorievorming in het betrokken domein; als interactieve wtc thuis hoort in de psychologie zal het onderzoek op het terrein van de interactieve wtc een fundamentele bijdrage moeten leveren aan de theorievorming in de psychologie.

 

Je zou het interactieve wtc-onderzoek, net zoals het massamediale, dus tot het domein van de communicatiewetenschap kunnen rekenen omdat het ook bij interactieve wtc uiteindelijk om wetenschaps- en techniekcommunicatie gaat. Maar dat is misschien een te simpele redenering: ze lijkt louter semantisch. Interactieve wtc zou ook tot het domein van de communicatiewetenschap gerekend kunnen worden omdat onderzoekers op dit gebied vaak/vooral putten uit communicatiewetenschappelijke bronnen (zie: tabel 1); dat lijkt een steviger basis omdat het zich onttrekt aan persoonlijke opvattingen van deze of gene. Interessant is dat deze argumentatie aansluit bij Stappers die immers meent dat alleen de communicatiewetenschap naar alle aspecten van communicatie zou kijken.  Sinds het afsluiten van het zgn. Bèta-convenant is het academisch onderwijs van de wtc – in Nederland – gekoppeld aan de didaktiek. Dat was een politieke keuze. In dat convenant is afgesproken dat alle algemene universiteiten aan hun bèta-faculteiten een CE-afstudeervariant zullen opnemen. CE staat voor Communicatie en Educatie. Aan de TU’s en de UT is dit vertaald in SEC (Science Education and Communication) In de praktijk betekende dit dat aan diverse universiteiten de afdelingen/instituten bèta-didaktiek (vaak de lerarenopleidingen) het onderwijs in de wetenschapscommunicatie naar zich toe hebben getrokken. Dat zie je o.m. aan de Universiteit Utrecht, aan de Universiteit van Amsterdam en aan de Universiteit Twente. De koppeling van de (moderne) wtc aan de didaktiek is een politieke keuze, maar er zijn mogelijk ook inhoudelijke motieven voor aansluiting bij de

 

Pedagogiek en Onderwijskunde. Met name de interactieve wtc lijkt inhoudelijk goed aan te sluiten bij deze domeinen. Een en ander wordt versterkt door het gegeven dat de afdelingen Communicatiewetenschap aan diverse Nederlandse universiteiten zich tot nu toe niet of nauwelijks hebben bemoeid met de (interactieve) wtc (Willems, 2001).Wat is in dit kader typisch voor de Pedagogiek/ Onderwijskunde: leeronderzoek. Koppeling aan deze disciplines lijkt inhoudelijk te worden bevorderd door de opkomst van een ander accent in de wtc: de wetenschaps- en techniekeducatie, afgekort: wte. Die verandering zou samenhangen met een verschuiving in de doelen van wetenschapscommunicatie. Wte zou beter aangeven wat het doel van veel acties op dit terrein is: mensen iets leren. Wat betekent dat voor het wetenschappelijke domein? Is leren een kernbegrip binnen de interactieve wtc,?

 

Het bèta-convenant heeft ook duidelijk gemaakt dat wtc vooral een activiteit is van bèta’s. Dat is niet alleen het geval in Nederland, maar dat zie je ook in andere landen. Tijdens de PCST-conferenties is het aantal deelnemers met een exacte achtergrond (vooral biologen) opmerkelijk groot. Communicatiewetenschappers schitteren vooral door afwezigheid. Eén en ander hangt waarschijnlijk vooral samen met de aard van de onderwerpen in de wtc: veel actuele wetenschappelijke onderwerpen stammen uit de exacte wetenschappen. De sterke relatie tussen de wtc en de exacte wetenschappen zoals biologie, chemie, natuurkunde en informatica biedt interessante mogelijkheden voor de praktijk. Het is denkbaar dat bijvoorbeeld biologen ook vanuit het eigen vakgebied bijdragen aan met name de interactieve wtc; je kunt aan een biologische onderzoeker vragen een test zo aan te passen dat ook niet-deskundigen het resultaat kunnen waarnemen. Natuurkundigen kunnen in bijvoorbeeld een science center een experiment zo veranderen dat het publiek golfbewegingen van geluid direct kan zien in plaats van de weergave daarvan op een computerscherm te moeten bekijken (zie: kader).           

 Het terugkoppelen van informatie naar de onderzoeker met het verzoek om die aan te passen voordat ze aan het publiek worden gepresenteerd, is niet typisch voor bèta-wetenschap maar omdat het gemakkelijker gaat bij waarnemingen, experimenten en/of tests dan bij de werkwijze in niet-bètasectoren, zal het in het bèta-gebied mogelijk vruchtbaarder zijn dan elders. Betekent dit dat de biologie en natuurkunde ook kandidaat staan als domein voor onderzoek naar (interactieve) wtc? Dat lijkt niet waarschijnlijk. De exacte wetenschappen kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan de praktijk van de wetenschapsvoorlichting tijdens bijvoorbeeld een Wetenschapsweek, maar het is niet erg waarschijnlijk dat deze exacte domeinen ook een rol zouden kunnen spelen in het wetenschappelijk onderzoek naar de wetenschapscommunicatie.  

 

 Terugkoppeling naar het inhoudelijk vakgebied 
Als kinderen al weten dat frisdrank slecht is voor de tanden, zal voor de meesten wel duidelijk zijn dat de oorzaak suiker is. Dat frisdrank ook zuren kan bevatten die tandbederf veroorzaken is minder bekend. Hoe maak je kinderen op aanschouwelijke wijze duidelijk dat frisdranken zowel zoet als zuur zijn en daarmee dubbel fris, dubbel lekker maar ook dubbel zo slecht voor je tanden? Als waarachtige bèta-wtc-onderzoekster vertrok eerst Susan Kersjes (VU afdeling wetenschapscommunicatie) voor een stage naar het Wonderlab van NEMO te Amsterdam om een proef te ontwikkelen voor de vaststellen van zuur en zoet in frisdrank. Een tekortkoming van deze proef was dat om het zuur aan te tonen, het kleurverschil tussen de testbuis met frisdrank en de controlebuis met suikerwater zo klein was dat het ongeoefende oog dit niet goed kon waarnemen. Stagiair Mirte Bosse greep vervolgens in de chemie van de proef in, zodanig dat kinderen op grond van de kleur de resultaten in één oogopslag konden vaststellen.            Hier is communicatie dus niet het eenvoudig en duidelijk beschrijven van de moeilijk waarneembare verschillen tussen twee scheikundige toestanden maar het ingrijpen in de chemie van de proef zelf om een vanzelfsprekend duidelijk resultaat te bewerkstelligen.                                                                                                    JH 

Interactieve wtc wordt sinds de stormachtige opkomst van de ict door diverse auteurs (o.a. Oomkes, 2000; Burgoon et al, 2002; Rennen, 2005) beschouwd als een bijna-synoniem voor communicatie via digitale- en/of multimedia zoals internet. Als dat juist is, dan zou je interactieve wtc kunnen beschouwen als een aspect van informatica of beter: informatiekunde, bij voorbeeld van het deelterrein mens-machine interactie. Er is al veel onderzoek gedaan naar deze interactie (Vugt van et al, 2006). Wat is typisch voor de informatica en informatiekunde? Ze houden zich vooral bezig met de technische aspecten van ict. Is dat voldoende reden om het onderzoek naar interactieve wtc onder te brengen bij deze domeinen?Als digitale media in het algemeen en internet in het bijzonder een hoofdrol gaan spelen in de interactieve wtc, dan kan het voor de hand liggen om met name de informatiekunde een hoofdrol te laten spelen in de bestudering daarvan omdat die zich vooral richt op het menselijk gebruik van computers en andere digitale kanalen. Ook deze redenering klinkt logisch, maar wordt in de praktijk nog nauwelijks gehanteerd of herkend. Informatici en informatiekundigen houden zich nog niet of nauwelijks bezig met dit onderwerp. Publicaties over wtc vind je niet in informaticatijdschriften en die worden dan ook nauwelijks geciteerd in artikelen over (interactieve) wtc. Dat zou komende tijd kunnen veranderen als internet een nog grotere rol gaat spelen in de wtc: de praktijk is al dat met name jongeren zich vooral via internet informeren over allerlei wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen en het lijkt daardoor een kwestie van tijd voordat de ict een hoofdrol gaat spelen. (Heath et al, 2005). 

De psychologie lijkt eveneens een serieuze kandidaat als er gekozen moet worden voor een domein waarin het onderzoek naar interactieve wtc thuis hoort. Ze is de moeder van de communicatiewetenschap en veel concepten en methoden in de communicatiewetenschap zijn onmiskenbaar afgeleid van concepten en methoden uit de psychologie. Kenmerkend voor het psychologisch onderzoek in dit kader is de belangstelling voor communicatieprocessen en de effecten daarvan. Dat geldt in sterke mate voor de interactieve (wetenschaps-)communicatie omdat de interpersoonlijke wtc daarin een belangrijke rol speelt. Is dat voldoende reden om de interactieve wtc onder te brengen bij de psychologie zoals van Cuilenburg et al (1996) bepleiten? Interpersoonlijke aspecten in de wtc, mens-machine interactie bij het gebruik van internet, effecten van ook massamediale wtc, de rol van diverse actoren (o.a. de wetenschappers) en organisatie-aspecten van wetenschapscommunicatie. Tal van aspecten van zowel de massamediale als de interactieve wtc kunnen uitstekend bestudeerd worden vanuit de psychologie. Bij de analyse van bronnen die in wtc-publikaties (tabel 1) worden benut, zijn enkele psychologietijdschriften aangetroffen: Journal of Personality and Social Psychology, American Psychologist en Journal of Applied Social Psychology worden door diverse wtc-auteurs geciteerd. 

Wat zijn de kansen voor de Politicologie? Wanneer je vooral naar doelstellingen van interactieve wtc kijkt – bijvoorbeeld bij publieke debatten, in science centers en bij milieuacties -, dan blijken die nogal eens gekoppeld aan interactieve beleidsvorming (zie o.m. Regeer, 1998; Van Woerkum et al, 2004; Caron-Flinterman, 2005). Daarbij komen aspecten van macht: draagvlak, medezeggenschap en invloed aan de orde en dat zijn kenmerkende aspecten van politicologie. Is de politicologie dan het wetenschappelijke domein voor de interactieve wtc?Wanneer je de democratische motieven voor wtc overziet, dan blijkt dat er diverse voorbeelden te bestaan van politieke belangen: de mogelijkheden van niet-deskundigen om mee te denken en mogelijk zelfs mee te beslissen bij wetenschapsgerelateerde beleidsbeslissingen (en welke zijn dan niet?) impliceren een belangrijke rol van de politicologie, maar in artikelen over wetenschapscommunicatie worden ook periodieken op dit terrein desondanks nauwelijks geciteerd. De politicologie lijkt eveneens zeer relevant voor onderzoek naar het momenteel zo zwaar wegende economische belang van de wtc, bij voorbeeld het stimuleren van de kennissamenleving. Dat maakt het des te verwonderlijk dat wtc-auteurs niet of nauwelijks gebruik maken van wetenschappelijke publicaties op dit vakgebied (zie: tabel 1). 

En we zagen al eerder dat Regeer (1998) en Sørensen et al (2000) wtc in een breed cultureel perspectief willen zetten en dat loodst wtc in de richting van de multidisciplinaire wetenschaps- en/of cultuurstudies. De populariteit onder wtc-auteurs van het brede wetenschappelijke tijdschrift Science, Technology and Human Values duidt op warme band tussen het (interactieve-) wtc onderzoek en die brede benadering. Dit tijdschrift afficheert zichzelf op haar site als aninternational, interdisciplinary journal containing research, analyses andcommentary on the development and dynamics of science and technology, including their relationship to politics, society and culture.

Bronnen Zoals al eerder opgemerkt: een van de mogelijkheden om het wetenschappelijke domein van de interactieve wtc te traceren is nagaan wat de belangrijke wetenschappelijke bronnen zijn van onderzoekers op dit terrein. Zoekt men die vooral in de communicatiewetenschappelijke literatuur of spelen andere wetenschappelijke tijdschriften, bijvoorbeeld op het terrein van didaktiek, psychologie of politicologie een hoofdrol? Welke bronnen staan er in de literatuurlijsten van wtc-onderzoekers? Op welke kennis/ op wiens werk bouwen zij dus voort?            Om een indruk te krijgen van de bronnen van wtc-onderzoekers bij hun wetenschappelijk onderzoek resp hun wetenschappelijke publikaties hebben we in de jaargangen 2000-2005 van de tijdschriften Public Understanding of Science en Science Communication via het keyword interactivity de artikelen opgezocht, die betrekking hebben op interactieve wtc. Dat waren er 28 (waarvan een zonder literatuurlijst). Op de literatuurlijsten van die 27 artikelen staan in totaal 1120 referenties.In tabel 1 staan de tenminste driemaal geciteerde tijdschriften in volgorde van frequentie. Alleen de bronnen die verwijzen naar een potentieel domein voor (interactieve) wtc, zijn meegenomen . Dat betekent dat bij voorbeeld tijdschriften over niet sociaal-wetenschappelijke onderwerpen zoals het enkele malen geciteerde de Journal of Nanoparticle Research, buiten beschouwing zijn gelaten.
 

 Tabel 1           Frequentie geciteerde wetenschappelijke tijdschriften en vakbladen 
Public Understanding of Science                56x
Science Communication                          25 
Science, Technology and Human Values           22 
Journalism Quarterly/Journalism & Mass Communication Quarterly      17
Risk Analysis                                  17
Journal of Communication                       12
Communication Research                         12 
Journal of Research in Science Teaching        12 
Science                                        14
Nature                                         12
Nature Biotechnology                           7 
Daedalus                                       7
Advertising Age                                 7
Academy of Management Journal                 6
Journal of Broadcasting and Electronic Media   6
Journal of Personality and Social Psychology   6
Science Education                              6
American Psychologist                          5
Communication Yearbook                         5
International Journal of Science Education     5
Journal of Applied Social Psychology           5
Newspaper Research Journal                     5
Public Opinion Quarterly                       5
Curator                                        5
Science and Public Policy                      4
Environment and Behavior                       4
Interactions                                   4
American Behavioral Scientist                  3
Critical Studies in Mass Communication         3
Internat. Journal of Public Opinion Research   3
Journal of Technology Transfer                 3
Public Relations Review                        3
Social Representations                         3
Social Studies of Science                      3 

 

Het meest geciteerd zijn uiteraard de beide eigen wetenschappelijke periodieken: Public Understanding of Science en Science Communication. Opmerkelijke tweede is het eerder genoemde brede multidisciplinaire tijdschrift Science, Technology and Human Values, maar daarna volgen een aantal toonaangevende tijdschriften op het terrein van de communicatiewetenschap: Journalism Quarterly/Journalism & Mass Communication Quarterly, Risk Analysis, Journal of Communication en Communication Research. De derde veel geciteerde categorie bronnen zijn de beide algemeen wetenschappelijke tijdschriften Nature en Science.Psychologietijdschriften worden ook relatief veel geciteerd, maar blijven in aantal toch sterk achter bij de algemeen wetenschappelijke en communicatiewetenschappelijke bronnen. Opmerkelijk weinig wordt er geciteerd uit specifieke didactiekbronnen(Science Education) en uit politicologische (Science and Public Policy) en sociologische literatuur (Social Studies of Science). 

Discussie De frequentie van veel gebruikte bronnen wekt de indruk dat interactieve wtc of tot een breed, algemeen wetenschappelijk domein (zoals science and society studies of cultural studies) of tot het domein van de communicatiewetenschap gerekend zou moeten/kunnen worden. In dit artikel concentreren we ons op de mogelijkheid dat ook interactieve wtc binnen de communicatiewetenschappen bestudeerd zou moeten worden, omdat ook de massamediale wtc daar thuis hoort (Van Woerkum et al, 2004). Uitgaande van de hypothese dat wtc binnen het domein van de monodisciplinaire communicatie-wetenschappen bestudeerd zou moeten worden, welke inhoudelijke redenen zijn daartoe dan aan te voeren?

Zoals we eerder hebben gezien is Stappers (1983) van mening dat communicatieve fenomenen binnen de communicatiewetenschap bestudeerd moeten worden om te voorkomen dat onderzoekers blijven steken in deelaspecten. Interactieve wtc is onmiskenbaar een vorm van communicatie en als zodanig is de positie ervan volgens Stappers ook helder: ook interactieve wtc hoort binnen de communicatie-wetenschap thuis. Van Cuilenburg et al (1996) delen die visie niet. Volgens hen is communicatiewetenschap de wetenschap die zich bezig houdt met de bestudering van de informatievoorziening die op een beroeps- en/of bedrijfsmatige basis plaatsvindt aan een algemeen dan wel een professioneel ontvangerspubliek. Ook veel beoefenaars van interactieve wtc doen dat beroepsmatig en als zodanig zou deze nieuwe vorm van wtc dus volgens hen eveneens binnen het domein van de communicatiewetenschap vallen. Maar er zit een adder onder het gras: de toevoeging “beroepsmatig- en/of bedrijfsmatig” dient volgens Van Cuilenburg et al om aan te geven dat niet alle informatievoorziening relevant is voor de communicatiewetenschap. Het gehele terrein van de interpersoonlijke communicatie valt er volgens hen buiten! Deze vorm zou thuishoren in de sociale psychologie. Van Cuilenburg et al menen dus dat de communicatiewetenschap zich alleen moet bezighouden met zenders die van communicatie hun beroep maken, maar in een voetnoot geven zij al aan dat ze met deze definitie in de problemen kunnen komen omdat bij voorbeeld de lokale omroepen, vaak bemand door vrijwilligers, daardoor buiten de boot zouden vallen. De problemen lijken verder reikend: mensen die zich beroeps- of bedrijfsmatig met persoonlijke communicatie bezig houden, zouden volgens hun uitleg dus ook moeten worden uitgesloten. Dat zou betekenen dat van de interactieve wtc een groot deel, namelijk de interpersoonlijk, buiten het domein van de communicatie-wetenschap zou vallen. De definitie van Van Cuilenburg et al en hun beperking tot niet-persoonlijke communicatie lijken op gespannen voet met elkaar te staan. Volgens de oorspronkelijke defenitie behoort ook de interactieve, interpersoonlijke wtc - mits beroepshalve uitgevoerd – echter eveneens tot het domein van de communicatiewetenschap. Het uitsluiten van de interpersoonlijke communicatie lijkt een ‘slip of the pen’.           

In hun veel gebruikte handboek geven Severin en Tankard (2001) geen definitie van communicatiewetenschap. Ze gaan wel uitvoerig in op diverse wetenschappelijke concepten en theorieen en op de veranderingen daarin. Ze signaleren onder meer dat het communicatieconcept ingrijpend is veranderd door de opkomst van nieuwe media zoals internet. En één van de kenmerken van het nieuwe medialandschap is volgens hen de ontwikkeling van eenrichtingsverkeer naar communicatie via interactieve media.In hun analyse van enkele gangbare theorieen signaleren Severin en Tankard onder meer dat er lang twee scholen zijn geweest in het communicatieonderzoek: de empirische (die vooral aandacht had voor de effecten) en de kritische school (die communicatie vooral bestudeerde in haar culturele en sociale context). Beide scholen leken elkaar uit te sluiten totdat de zgn. cultural studies benadering een synthese ontwikkelde. In deze benadering wordt er o.m. gekeken naar de werking van communicatie in een sociale context en dat is een van de kenmerken van de interactieve communicatie zoals die o.a. door Wynne (1992) is omschreven. Zonder veel expliciete aandacht te besteden aan interactieve en interpersoonlijke communicatie betrekken Severin en Tankard deze nieuwe vormen als vanzelfsprekend in hun overzicht en daaruit kun je de voorzichtige conclusie trekken dat ook volgens deze auteurs interactieve wtc tot de communicatiewetenschap gerekend kan worden.           

En waarom zijn andere gedrags- en maatschappijwetenschappen dan communicatiewetenschap minder geschikt als thuisbasis voor de interactieve wtc?Als wtc een vorm van educatie is – zoals eerder betoogd - dan zou dat een te scherpe scheiding veroorzaken tussen de klassieke massamediale wtc, als onderwerp van communicatiewetenschap, en de modernere, interactieve werkwijze, die niet daartoe gerekend zou moeten worden. Zo’n scherpe scheiding wordt in de praktijk van het wtc-onderzoek niet ervaren (Van Woerkum et al, 2004). Gezien de vele raakvlakken tussen de diverse soorten activiteiten in bij voorbeeld gezondheidscommunicatie, lijkt zo’n scherpe cesuur tussen massamediale en interactieve wtc ook ongewenst. Dat zou betekenen dat het onderzoek van één activiteit in bij voorbeeld de gezondheidscommunicatie door verschillende disciplines bestudeerd zou moeten worden. Er is niets tegen interdisciplinair onderzoek, maar (ped-)agogiek/ onderwijskunde en communicatiewetenschap zijn geen domeinen die elkaar van nature vaak treffen. Aansluitend bij de visie van o.a. Stappers kun je concluderen dat de domeinen Didactiek, Agogiek, Pedagogiek en Onderwijskunde - ook relatief frequent geciteerd in artikelen over interactieve wtc (zie: tabel 1) – minder voor de hand liggen als domein omdat het onderzoek op deze terreinen doorgaans betrekking heeft op slechts onderdelen van de (interactieve) wetenschapscommunicatie. Leren lijkt een kernbegrip in deze vier vakgebieden, maar dat is vaak geen hoofddoel van wtc. Er zijn enkele motieven/ maatschappelijke sectoren (bij voorbeeld levenslang leren cq de NME) waarbij leren aan de orde is of zou moeten komen, maar daarnaast zijn er een groter aantal (bij voorbeeld wtc als amusement/ de wetenschapsjournalistiek, het GVO en wtc als PR voor de kennissamenleving/ de science centers) waarbij dat geen of in elk geval een ondergeschikte rol speelt. De verwijzingen naar pedagogische en onderwijskundige bronnen in tabel 1 hangen bij nader inzien ook sterk samen met studies aan deelaspecten.Van de sociale wetenschappen Politicologie en Psychologie wordt de laatstgenoemde weliswaar genoemd als mogelijk domein voor interpersoonlijke wtc (door Van Cuilenburg et al) en in tabel 1 kom je ook enkele wetenschappelijke tijdschriften op het terrein van de psychologie tegen, maar wanneer je de desbetreffende artikelen beter bekijkt, blijkt dat ook zij zich inhoudelijk beperken tot specifieke deelaspecten van de wtc. Communicatie als fenomeen komt er niet aan de orde. Politicologie komt in beeld als aspecten zoals macht en medezeggenschap aan de orde komen, bij voorbeeld bij publieke debatten. Of als het economische belang van de wtc aan de orde is, zoals bij wtc als onderdeel van het innovatiebeleid. En de psychologie komt vooral in beeld als de werking van media onderwerp van studie is. Maar ook daarbij gaat het dus niet om communicatie als samenhangend verschijnsel . 

Uit de rondgang langs enkele domeinen die als thuisbasis zouden kunnen dienen voor onderzoek naar interactieve wtc komt geen domein naar voren dat met kop en schouders boven de communicatiewetenschap uitsteekt. Alleen een interdisciplinaire benadering lijkt een serieuze concurrent voor de communicatiewetenschappelijke. Daaruit zou je de conclusie mogen trekken dat ook de studie naar interactieve wtc het tot haar recht komt of kan komen binnen de communicatiewetenschap.Een aantrekkelijk aspect van communicatiewetenschap als domein waarbinnen zowel massamediale als interactieve wtc thuis zouden horen, is bovendien dat dit vakgebied al veel relevante aspecten van diverse maatschappij- en gedragswetenschappen in zich verenigt. Zowel aspecten van didactiek, agogiek, pedagogiek en onderwijskunde als van politicologie, psychologie als sociologie lijken in de communicatiewetenschap samen te komen (Fauconnier, 1981, Van Cuilenburg, 1996, Burgoon et al, 2002; Van Woerkum, 2006). De informatica en informatiekunde zijn nog niet sterk verweven met de communicatiewetenschap, maar die koppeling lijkt in zicht (Hoorn, 2004).Dat het nieuwe domein wtc soms nog een eigen gezicht ontbeert, is een andere zaak: communicatiewetenschap is nog relatief jong en wetenschapscommunicatie staat in vergelijking daarmee zelfs nog in de kinderschoenen. Zoals de communicatiewetenschap zich ontwikkelde binnen o.a. de psychologie en van daaruit zelfstandigheid verwierf, zo zou de wtc zich binnen de communicatiewetenschap kunnen ontwikkelen tot een eigen domein. 
 

Bronnen: Burgoon, J. K. et al (2002). Testing the interactivity principle: Effects of mediation, verbal and nonverbal modalities, and propinquity in decision-making interactions. Journal of Communication, 52(3).

Cuilenburg, J van et al. (1996). Communicatiewetenschap.Bussum: Coutinho.

Donkers, H. en J. Willems (1998). Journalistiek schrijven (inleiding). Bussum: Coutinho.

Einsiedel, E. (2000). Understanding Publics in the Public Understanding of Science. In: Between Understanding and Trust. Edited by Dierkes, M and C. Von Grote.Amsterdam: Harwood.

 Fauconnier, G. (1981). Algemene communicatietheorie. Utrecht: Spectrum.

Felt, U. (2000). Why Should the Public Understand Science. In: Between Understanding and Trust. Edited by Dierkes, M and C. Von Grote. Amsterdam: Harwood.

Heath, C. et al (2005). Interaction and interactives: collaboration and participation with computer-based exhibits.  Public Understanding of Science, 14.

Hoorn, J. (2004). Een model voor informatietechnologieen die creatief kunnen zijn.In:  Interactieve wetenschapscommunicatie.      Redactie Hamelink, C. , I. van Veen en J. Willems. Bussum: Coutinho.

Koolstra, C. (2007). Interactiviteit en wetenschapscommunicatie In: basisboek wetenschapscommunicatie. Redactie: Jaap Willems. Amsterdam: Boom

Kiousis, S. (2002). Interactivity: A concept explication.  New Media & Society, 3(3).

 

                              Labasse, B. (1999). Observations on the communication of scientific and technical knowledge. Brussel: EU.

 

Nillisen, B. (1998). Een queeste naar voorlichting. Communicatiewetenschap en de eerste stap op weg naar een theorie van voorlichting. Nijmegen: University Press.         

Oomkes, F (2000). Communicatieleer. Amsterdam: Boom.

Regeer, B. (1998). Het science center als speler in het spel der samenleving. Tijdschr, v Wetensch., Techn. en Samenleving 5: 153-161.

Regeer, B. (2004). Wetenschapscommunicatie in de agora: veranderende relaties tussen wetenschap en samenleving. In:  Interactieve wetenschapscommunicatie. Redactie Hamelink, C. , I. van Veen en J. Willems. Bussum: Coutinho.

Rennen, T. (2005). De toekomst van de schrijvende journalistiek. In: Journalistiek schrijven. Redactie: H. Donkers en J. Willems. Bussum: Coutinho.

Severin, W. en Tankard, J. (2001). Communication Theories. New York: Longman.

Sørensen, K. e.a. (2000). Against Linearity- On the Cultural Approach of Science and Technology. In: Between Understanding and Trust. Edited by Dierkes, M and C. Von Grote.     Amsterdam: Harwood.

Stappers, J. (1983).Massacommunicatie, een inleiding. Amsterdam: Arbeiderspers.

Stappers, J. et al (1983). Wetenschap als gemeengoed. Den Haag: Staatsuitgeverij.

Vugt, van H. et al (2006). Affective affordances: Improving interface character engagement through interaction. International Journal of Human-Computer Studies, 64- 9: 874-888.

Willems, J. (1993). Naar een andere aanpak.  In: Handboek Wetenschaps- en technologievoorlichting.Redactie Willems, J. en E. Woudstra. Groningen: Martinus Nijhoff.

Willems, J. (2001).Science writing courses identify journalists among students. Public Understanding of  Science  (2001) 10.

Woerkum, C. van en A. van der Auweraert (2004)     Wetenschapscommunicatie:Where science meets society. In:  Interactieve wetenschapscommunicatie. Redactie Hamelink, C. , I. van Veen en J. Willems. Bussum: Coutinho.

Woerkum, C. van (2006). Persoonlijke mededeling.

Wynne, B. (1992).Public Understanding of Science Research. Public Understanding of Science 1: 321-337.  

 

burgerschap

Communicatie over techniek stimuleert ook kritisch burgerschap 

Jaap Willems(hoogleraar science communication, Instituut ELAN, Universiteit Twente) 

Wetenschaps- en techniekcommunicatie heeft doorgaans betrekking op de vraag hoe we meer jongeren kunnen interesseren voor een bèta en/of techniek. Zonder voldoende belangstelling daarvoor zou onze welvaart in gevaar komen. Dit lijkt een te enge benadering. Populariseren van o.a. nieuwe technologieën is niet alleen van belang voor onze economie, maar eveneens voor het democratisch functioneren van onze samenleving omdat het bijdraagt aan de vorming tot kritische burgers. Wtc dient daarom niet alleen op jongeren te worden gericht zoals in de huidige science centers vaak het geval is, maar ook op de rest van de samenleving. Recente technologische ontwikkelingen zoals de opkomst van genomics vormen daartoe een extra argument omdat het debat daarover vooral door volwassenen wordt gevoerd. Door kritische burgers.

 

Ontwikkelingen op terreinen zoals biotechnologie, gezondheidstechniek en ict zijn vaak zo ingrijpend van aard dat je beleidsmaatregelen op die terreinen niet kunt overlaten aan politici en deskundigen. Wanneer een samenleving wordt geconfronteerd met de opkomst van dergelijke nieuwe technologieën, dan mag bijvoorbeeld regelgeving op dat terrein niet alleen het product zijn van een compromis tussen wat deskundigen wenselijk vinden en politici haalbaar. Zaken als risico, privacy en veiligheid zijn vaak te zwaarwegend om volledig aan het politieke spel over te laten. Daarbij is een breder draagvlak nodig. Anders gezegd: als er ingrijpende innovaties aan de horizon verschijnen, dan zijn er betrokken kritische burgers nodig die daarover meedenken, meepraten en ook meebeslissen. En dat zou al vroeg in een dergelijk ontwikkelingsproces moeten gebeuren: als lijnen worden uitgezet die naar die innovaties kunnen leiden, bijvoorbeeld bij het verdelen van subsidies of het opstellen van spelregels voor bijvoorbeeld proefdiergebruik.

Uit het proefschrift van Anne Dijkstra (Universiteit Twente) over de rol van het publiek in het debat over genomics, komt echter een weinig bemoedigend beeld naar voren als het gaat om kritisch burgerschap. De betrokkenheid van de modale Nederlander bij dit type wetenschappelijke ontwikkelingen lijkt gering. Niet veel mensen schijnen mee te doen bij discussies over de ontwikkeling van nieuwe technologieën zoals genomics, ondanks de mogelijk verstrekkende invloed daarvan op onze samenleving. Waarom dan toch een pleidooi voor kritisch burgerschap? Waarom moeten we wetenschap en technologie populariseren als de meeste mensen daarin weinig geïnteresseerd lijken? Is dat geen verspilling van geld, tijd en energie?

 

We moeten blijven streven naar grotere betrokkenheid bij het beleid rond bijvoorbeeld nieuwe technologieën omdat dit noodzakelijk is voor een gezonde samenleving. Als je een samenleving nastreeft waarin welvaart en welzijn voor veel mensen zijn verzekerd, dan moet je blijven streven naar een geëngageerde bevolking, naar de vorming van mondige burgers. Wanneer ingrijpende maatregelen zoals die over het onderzoek aan stamcellen moeten worden genomen, is het noodzakelijk dat veel mensen daarover hebben meegedacht. Zonder een brede maatschappelijke basis loop je het risico dat maatregelen worden genomen op grond van louter politieke afwegingen. Die zijn niet altijd in het algemeen belang of worden in elk geval vaak niet als zodanig ervaren.

Is de Nederlandse bevolking dan niet voldoende betrokken? Iedereen heeft een mening over van alles. Zonder in het pessimisme van Balkenende c.s. te vervallen, lijkt het antwoord op die vraag toch ontkennend te moeten zijn. Een groot deel van de Nederlanders lijkt niet echt geïnteresseerd (tenzij het om leuke toepassingen gaat zoals de gps); veel mensen zeggen dat wel te zijn, maar haken toch snel af als ingewikkelder zaken aan de orde komen zoals genomics of nanotechnologie. Ze hebben daarover soms wel een mening, maar die is doorgaans nogal vrijblijvend, oppervlakkig en dus gemakkelijk te manipuleren. Veel mensen lijken overigens ook zelf ontevreden over die situatie. Uit onderzoek van o.a. het SCP komt veel onvrede naar buiten over de wijze waarop men (niet) geïnformeerd is over dit soort ontwikkelingen. Dat lijkt geen basis voor kritisch burgerschap.

 

Empowerment

 

Om mensen meer te betrekken bij de grote veranderingen in het dagelijkse leven op het terrein van onder meer de gezondheidszorg, energie- en voedselvoorziening, nieuwe technologieën en maatregelen m.b.t. klimaatverandering, is empowerment nodig. Wat is dat? Er zijn honderden definities, maar het komt er kort gezegd op neer dat mensen in staat zijn c.q. worden gebracht zich zinvol te bemoeien met plannen en maatregelen op deze terreinen. Veel meer mensen dan nu moeten zich kunnen en willen inzetten voor ontwikkelingen die in ieders belang zijn. Meer mensen moeten de macht en mogelijkheid krijgen dat te doen.

Prachtig gezegd, maar hoe bereik je dat? Hoe maak je mensen, die niet erg geïnteresseerd lijken mondiger? Anders gezegd: hoe realiseer je kritisch burgerschap? Hoe creëer je empowerment? In elk geval niet via de klassieke massamediale voorlichting. Mensen worden al overspoeld door informatie en nog meer argumenten over bijvoorbeeld de noodzaak van orgaandonatie of met adviezen voor een gezonder leven, leveren niet veel winst op. Tenzij je met een shocktherapie werkt zoals de donorshow van BNN, maar een dergelijk effect is meestal kortstondig. De plannen van o.a. minister Klink voor meer massamediale voorlichting over bijvoorbeeld de voordelen van het Elektronisch Patiënten Dossier of de risico’s van drugsgebruik passen in het ouderwetse idee dat je mensen kunt veranderen door hen beter te informeren. In de communicatiewetenschap noemt men dat de injectienaaldtheorie: door het grote publiek via de media als het ware te injecteren met informatie, zou die als een spons de nieuwe kennis opnemen en daardoor veranderen. Een klassieke vergissing. Eerder onderzoek laat zien dat je meer mag verwachten van interactie in bijvoorbeeld het (buitenschools) onderwijs. In het recent verschenen proefschrift van Maarten van der Sanden (TU Delft) komt duidelijk naar voren dat de wetenschaps- en techniekvoorlichting daarbij veel kan leren van aanpalende terreinen zoals de gezondheidsvoorlichting en de reclame.

 

Maar voordat je je afvraagt op welke manier je meer mensen kunt (om)vormen tot kritische burgers, moet je vaststellen wat je eigenlijk voor ogen hebt. Wat is kritisch? Betekent het dat mensen a priori negatief staan ten opzichte van nieuwe ontwikkeling, dat ze kritiek hebben totdat het is bewezen dat de innovaties nuttig en veilig zijn? Of moet je het vertalen als een belangstellende houding? Je omarmt niet elke innovatie automatisch omdat wetenschappers of technici zeggen dat het goed is, maar wijst die ook niet bij voorbaat af. Je kijkt kritisch naar een dergelijk innovatie.

En waarop moet je kritisch zijn? Op elk nieuw product, elke nieuwe techniek, elk ander idee? Het is ondoenlijk om alle nieuwe ontwikkelingen kritisch te bejegenen want daarvoor ontbreken bij bijna iedereen tijd, energie en kennis. Via opinieleiders, wetenschaps- en techniekjournalisten, maatschappelijke organisaties en vergelijkbare instanties zullen relevante ontwikkelingen voor het voetlicht moeten worden gebracht waarna een breder publiek zich daarmee kan gaan bemoeien. Dat kun je formaliseren via publieke debatten, panels, consensusconferenties en dergelijke en dat kun je ook overlaten aan het vrije spel van de publieke meningsvorming.

En wie moeten er dan kritisch zijn? Welke burger, elke burger? Het is niet reëel om te verwachten dat iedereen, een gehele samenleving ooit omgevormd kan kunnen worden tot kritische burgers. Maar de betrokken groep zou groter moeten kunnen zijn dan de hoogstens tien procent die men met enige goede wil nu als zodanig kan aanmerken. Meer mensen zeggen geïnteresseerd te zijn, meer mensen zijn hoger opgeleid, meer dan tien procent van de bevolking wordt doorgaans direct geconfronteerd met een bepaalde innovatie. Die kunnen hopelijk meer en beter worden betrokken. Betrokkenheid lijkt overigens vooral haalbaar voor specifieke problemen. Uit eerder onderzoek blijkt namelijk dat zich doorgaans rond bepaalde vragen, specifieke groepen mensen concentreren. Deelpublieken. Bij plannen voor bijvoorbeeld een kernenergiecentrale zullen dat andere mensen zijn, dan bij de introductie van gemodificeerde voedingsmiddelen; plannen voor het invoeren van nieuwe ict zoals UMTS zullen weer andere mensen mobiliseren. Anders gezegd: het grote publiek bestaat niet als het om dit type vraagstukken gaat, het zal doorgaans gaan om deelpublieken of publiekjes.

 

Hoe word iemand een kritische burger of beter: hoe kun je bereiken dat meer mensen zich als kritisch burger gaan gedragen? Inzichten vanuit o.m. de politicologie leren dat empowerment daarbij een cruciale rol kan spelen. Mensen moeten in staat worden gesteld om mee te denken, mee te praten en mee te beslissen. Men moet de kracht en de macht krijgen om dit te doen. Als mensen het gevoel krijgen dat hun mening ertoe doet, dan zal menigeen meer dan nu de moeite nemen zijn of haar stem te laten horen. Nu lijkt inspraak – bijvoorbeeld tijdens de genomisdebatten – vaak vooral een doekje voor het bloeden.  Geselecteerde mensen en organisaties mogen hun mening geven en de politiek beziet daarna of ze er iets mee doet. Niet helemaal onlogisch in een parlementaire democratie, maar toch een vergissing. Een democratisch systeem ontslaat een samenleving namelijk niet van de morele plicht tot zelf nadenken.

Empowerment is meer dat het verstrekken van voldoende informatie, zoals tijdens de grote publieke debatten over genomics gebeurde; het impliceert ook maatschappelijke vorming door o.m. training. Mensen moeten leren om mee te denken, mee te praten en mee te beslissen doordat ze bijvoorbeeld persoonlijk betrokken zijn geweest bij discussies bij specifiek beleid. Dat lijkt alleen te lukken als mensen daartoe worden getraind, opgeleid, gevormd. Toegegeven: vorming is een besmette term, die aan het einde van de vorige eeuw in diskrediet is geraakt door het hoge geitenwollen sokkenkarakter van het vormingswerk, maar dat neemt toch niet weg dat het nog altijd een veelbelovend traject lijkt omdat het verder gaat dan informeren. Mensen moeten niet alleen over voldoende kennis beschikken, ze dienen ook een houding, een attitude te hebben die hen rijp maakt voor deelname aan het publieke debat over bijvoorbeeld nieuwe technologieën. Een bruikbare route op weg daar naartoe zou wel eens gevonden kunnen worden in het aanbieden van eigen ervaringen met bijvoorbeeld die technologieën. Dat is een aanpak die je onder meer terugvindt in diverse activiteiten voor jongeren van het Platform Bèta Techniek zoals JetNet. Die zou men ook voor volwassenen kunnen ontwikkelen.

Het grote verschil tussen de klassieke voorlichting en de modernere vorming is dat men bij voorlichting vooral informatie aanbiedt, in woord en beeld, gedrukt of op een beeldscherm; bij onderwijs en vorming is daarnaast sprake van persoonlijk contact, van interactie. De zgn. leken kunnen in gesprek treden met de deskundigen. Die kunnen gemakkelijker hun persoonlijke meningen geven omdat die niet publiekelijk worden verspreid zoals bij het populariseren via de media. En emoties – van beide kanten – kunnen bij zo’n direct contact veel gemakkelijker een rol spelen dan tijdens voorlichting.

 

Een uitbreiding van de techniekcommunicatie van louter voorlichting via massamedia naar interactieve vorming leidt tot verbreding en intensivering daarvan, die tot empowerment kan leiden. Niet alleen jongeren zouden daarbij moeten worden dan benaderd, maar ook volwassenen. Niet alleen de economische belangen zijn daarbij in het geding, maar ook de democratische en culturele. En er wordt niet langer louter top down gecommuniceerd (van deskundigen naar leken), maar experts komen in direct contact met leken; academische deskundigen raken in gesprek met ervaringsdeskundigen zoals patiënten en hun familie, wetenschappers en niet-wetenschappers horen van elkaar wat ze persoonlijk vinden van de plannen om bijvoorbeeld ict onder toezicht van de overheid te plaatsen en/of meer te investeren in natuurlijke geneeswijzen. Overigens, betrokken burgers zijn geen garantie voor meer draagvlak (vgl. de vroegere kernenergiedebatten). Ze vormen echter wel een garantie voor een gezondere samenleving                                            

 

  

 

Boeken bestellen

Met Pensioen

o.a. bij BOL en bij Mets en Mets

en als e-book bij Mets&Mets

 

 

Late Liefde en De Erfenis:

bij Nieuw Amsterdam

noimage